Een psychoanalyse brengt de vraag van de analysant terug naar de materialiteit van de betekenaars waaruit ze bestaat.  Het komt erop aan de imaginaire vraag te ontmaskeren als een manier waarop het symbolische verlangen wordt weggemoffeld.  Een uitdrukkelijke vraag van een analysant verdoezelt het onderliggende ontkende verlangen dat erin werkzaam is.  Deze ontkenning noemt Lacan "méconnaissance" en hij beschrijft daarmee een fenomeen dat tot de structurele kern van de psychoanalytische kuur behoort.
Maar elke mens valt samen met zijn verlangen, daaruit kunnen we afleiden dat hij in zijn vraag uit is op het bevredigen van dat verlangen, en dus ook op zijn eigen dood. Want zonder dit verlangen bestaat de mens niet meer.  Dat bedoelde Freud reeds met zijn notie "doodsprincipe". Gelukkig is het "goede" waar de mens verlangend naar zoekt, een illusie. De volledige vervulling zou immers fataal zijn voor hem.
De analyticus heeft dus hoogst morele redenen om nooit het "goede" te geven waarnaar de analysant verlangt.  Dit vergt een strenge discipline van de analyticus, want hij wordt "verleid" het "goede" toch te geven, o.a. omdat hij dan positief gewaardeerd wordt door zijn analysant.
Lacan zegt in zijn zevende seminarie : Een analyse tot een goed eind hebben gebracht, betekent niets anders dan tegen de limiet te zijn aangebotst waar de hele problematiek van het verlangen te voorschijn treedt. Daar draait de ethiek van de psychoanalyse om : de mens niet het "goede" te geven , maar het verlangen ernaar te geven.
De ethische taak van de analyticus bestaat er niet in om de mens te zeggen wat hij moet doen en laten om gelukkig te worden.  Hij hem er enkel mee confronteren dat hij dat op één of andere manier al weet, maar er geen vrede mee neemt omdat hij zijn verlangen er niet in herkent.
De zoektocht naar het verlangen in de ethiek wijst er voor Lacan ook op dat onze verhouding tot de morele wet fundamenteel libidinaal is en in die zin dus "erotisch" is.

bron : Cesuur website

Untitled
Hosted by www.Geocities.ws

1