Taal/Le discours (het vertoog)/Metafoor
De bepalende invloed van de taal op het denken treedt na Nietzsche en de Saussure steeds meer op de voorgrond. De taal blijkt een exclusieve toegang tot zowel onze innerlijke als uiterlijke werkelijkheid te bieden. In bepaalde takken van het Franse denken vindt een verwerking en actualisering van De Saussures taaltheorie plaats. De toepassing van de resultaten van de tekentheorie op bijvoorbeeld de antropologie (Lévi-Strauss), de godsdienstwetenschap (Dumézil), de psychoanalyse (Lacan), de literatuurkritiek (Barthes) en het historisch materialisme (Althusser) levert een nieuwe methodische inzet op: het structuralisme. Een tweetal denkers, te weten Jacques Lacan (1901-1980) en Roland Barthes (1915-1980) staan hierbij centraal.  Beiden verwerken aspecten van het werk van Freud, Nietzsche, Marx en Bataille. Voor hen is het subject het effect van allerlei structurele samenhangen, een knooppunt en een netwerk van vertogen, die uit deze structuur voortvloeien. Doorgaans worden zij 'structuralisten' genoemd. In het latere werk van Barthes zien we echter een tendens optreden om de structuur minder statisch, dynamischer te begrijpen.
 
1. Vertoog. betekenis en subjectiviteit
 
Een vertoog (discours) is een systematisch en samenhangend geheel van positieve vormen van weten (savoir), waardoor individuen in staat worden gesteld hun innerlijke en uiterlijke gedachten en hun handelen richting te geven. Een vertoog is een praktijk waarin kennisvormen (connaissance) worden geproduceerd die zich als door waarheid geschraagde kennis aandient, variërend van wetenschappelijke theorieën tot volkswijsheden. We zien een onderscheid tussen het Vertoog - de structuur - en de daardoor geproduceerde concrete vertogen en betogen, papallel aan het onderscheid tussen langue en parole. Een vertoog is dus meer dan alleen wetenschappelijke `connaissance': het betreft iedere vorm van positief weten dat - in een bepaalde cultuur en in een afgebakende periode - aanspraak op waarheid maakt. Zo verschijnen vertoog, waarheid en betekenis als drie structurerende momenten van concrete kennispraktijken. Bij De Saussure werd een onderscheid tussen structuur en systeem gemaakt, waarbij het systeem als een concrete uitdrukking van een onderliggende structuur werd aangemerkt. Het vertoog wordt door Lacan als zo'n funderende, statische structuur opgevat. Maar het vertoog kan ook een dynamischer aspect vertonen. Iets wat we vooral bij de latere Barthes tegenkomen. Het gaat dan meer om het proces van betekenisgeving (signification). Niet om het zijn van de structuur, maar om de werking ervan, niet de ontologie, maar de semiotische pragmatiek. Met deze verschuiving van de blik naar het proces van betekenen krijgen we zicht op de praktijken waarin de inzet van kennis een gedragsbepalende factor blijkt: zo wordt in pedagogische praktijken (gezin, school, therapieën) het gedrag van individuen door menswetenschappelijke kennis (pedagogie, psychologie, seksuologie, etc.) gereguleerd en gestructureerd. De internalisering van deze kennis - de incorporering van concrete vertogen -produceert een innerlijkheid, die met de kentheoretische term `subjectiviteit' wordt aangeduid. Subjectiviteit is het produkt van betekenisgevingsprocessen. Individuen dichten zichzelf - grotendeels onbewust - vanuit de optiek van een geïnternaliseerd vertoog een positie ten aanzien van de hen omringende wereld toe: in een collectieve identitficatie met een bepaalde zienswijze en taalpraktijk transformeren ze zich tot subjecten: beteknisvolle dragers van cultuur en geschiedenis. Een subject is dus een kentheoretische notie: een zijnswijze van individuen, waarin een specifieke omgang met de wereld wordt voorondersteld, die als `waar' en `juist' wordt begrepen. In deze objectivering van de dingen wordt met een claim op beheersing subjectiviteit geproduceerd. Subjecten bestaan dus niet in de alledaagse werkelijkheid: zij zijn produkten van een als praktijk voltrokken theorie.
 
2. Lacan: Psychoanalyse en semiologie
 
In zijn poging Freud authentieker te lezen dan de Freudianen tracht Lacan diens werk door alle interpretaties heen een nieuwe invulling te geven. Daarbij benadrukt hij het talige aspect van Freuds analytische arbeid. Zo stelt hij dat het Onbewuste uitsluitend als taal - of technischer: als tekentaal - verschijnt. Het heeft niet zozeer een ontologische als wel een semiotische waarde. Immers, op de vraag hoe wij kennis van het Onbewuste krijgen, kan het antwoord slechts luiden dat het de taal is die ons er toegang toe verleent: we spreken er met elkaar over en schrijven erover. Ook als we dromen kunnen we de betekenis van deze beelden slechts talig communiceren of via woordspelletjes achterhalen. De literatuur- en filmsemiotiek zijn een afgeleide van deze talige insteek. Dit is niet echt nieuw. Reeds Freud betoogde dat het Onbewuste los de in woordvoorstellingen omgezette dingvoorstellingen ontoegankelijk is. Deze omzetting impliceert onvermijdelijk een invoeging van de a-logische, tijdloze beelden in een discursieve lineaire orde. Deze droomarbeid voltrekt zich onder andere door middel van verschuiving en verdichting. Ook dienen symptomen en versprekingen zich als toegangen tot het Onbewuste aan. Voor Lacan zijn dit echter alle slechts uiterlijkheden - betekenaren - die niet definitief tot hun oorsprong - de betekenis of het betekende - kunnen worden herleid. Wat het onbewuste ook moge zijn, zodra wij er greep op trachten te krijgen gebeurt dit door middel van de taal. Vandaar dat Lacan kan stellen dat "het onbewuste gestructureerd is als een taal"(L'inconscient est structuré comme un langage). Zoals we reeds zagen functioneren symptomen en woordvoorstellingen als de Saussuriaanse betekenaren. De betekenden (signifié: Lacan gebruikt doorgaans een term die beter vertaald kan worden met 'betekenis') zijn de onbewuste gedachteninhouden die slechts vanuit de symptomen, de betekenaren (signifiants) te begrijpen zijn. De relatie tussen betekenaar en betekenis komen overeen met de relatie symptoom~onbewuste. Het symptoom als betekenaar verwijst naar een betekende of betekenis, maar een definitieve een op een relatie tussen Sa en Sé bestaat niet. Met andere woorden: de betekenis (dat wil zeggen in laatste instantie zeggen: het Onbewuste) gaat op in de zich telkens opnieuw aandienende reeksen betekenaren. Het wijkt steeds terug, verglijdt als het ware onder de reeksen Sa. Toch spreken we erover alsof er wel degelijk iets buiten de taal bestaat. De betekenis lokt ons uit haar te (be)grijpen en wordt zo tot motor van de beweging van de betekenaren. Naar aanleiding van deze voortdurende verglijding komt Lacan tot een tweede uitgangspunt van zijn werk: "de betekenis verglijdt onophoudelijk onder de reeksen betekenaren".
 
3. Metafoor en metonymie: van ontologie naar semiotiek
 
Vervolgens vertaalt Lacan de bewegingen van verglijding van de betekenis onder de betekenaren in de psychoanalytische terminologie van de `verschuiving' en de `verdichting'. Dit worden bewegingen in de taal: rhetorische bewegingen. Hiertoe verwijst hij naar stijlmiddelen: de metonymie en de metafoor. Metafoor en metonymie suggereren nog dat er achter de betekenaren een ware of echte betekenis schuilgaat die beide processen fundeert. Volgens Lacan wordt niet de betekenisgelijkheid (de gemeenschappelijke betekenis) verondersteld als uitgangspunt genomen, maar - zoals een goede Sausuriaanse semioloog betaamt - de differentatiie tussen de betekenaren: de tic verwijst naar een complex gedragingen, die door een bepaalde duiding van een droom teruggevoerd kunnen worden vroegere gebeurtenissen, die ... enz. Achter de metaforen en metonymieën ligt geen funderende instantie of een reeds gegeven en gelijkblijvende identiteit. De taal is - zoals Nietzsche reeds duidelijk had gemaakt - door en door metaforisch en metonymisch en verwijst niet naar een ontologisch fundament. Identiteiten zijn in deze optiek effecten van metaforisatie of metonymisering. Metonymie duidt op de eindeloze verglijding van de betekenaren, terwijl de metafoor een betekenisfixatie aangeeft. De metonymie wordt even stilgezet in de metafoor, die voor korte tijd een reeks betekenaren aan een betekende of betekenis koppelt. Zo is een bepaalde identiteitservaring - de substantiële ervaring van een Ik - een effect van de overgang van de metonymische verglijding naar de metaforische fixatie. Metonymie staat derhalve gelijk met verschuiving, metafoor met verdichting.
De relatie tussen de betekenis en de betekenaren wordt enigszins gewijzigd. Was er bij De Saussure nog sprake van een parallellisme tussen Sé en Sa, uit het bovenstaande kunnen we niets anders concluderen dan dat bij Lacan de betekenaar primair is.
In de schematisering van de relatie S/s ( Lacan gebruikt een ander schrijfwijze: Sa is een grote S en Sé is een kleine s) wordt de absolute breuk en de onmogelijkheid om S definitief aan s te koppelen met de streep aangegeven. Betekenis en betekenaar kunnen niet tegen elkaar ingewisseld worden: er is geen equivalentie tuseen S en s. Inzoverre de taal het domein van de betekenaren is, wordt hier het primaat van de taal en het vertoog gesteld.
 
om verder te gaan druk hier
Untitled
Hosted by www.Geocities.ws

1