4. Produktie van het lk: het spiegelstadium
 
Het belang van deze analyse voor de subjectsproblematiek is reeds aangestipt. Het voorgaande systematische verhaal vooronderstelt ontwikkelingspsychologisch de geleidelijke invoeging van het opgroeiende individu in een talige of symbolische structuur waardoor het individu zichzelf als een samenhangend centrum van zingeving kan gaan ervaren. Dit houdt in dat het opgroeiende kind door de bemiddeling van het gezin in een veelheid van bestaande verhalen, regelsystemen en vertogen (van familieanecdotes via de naamgeving en de ingesleten sociale omgangsvormen tot de familiealbums en -video's), die reeds voor zijn geboorte aanwezig waren, wordt ingevoerd. Over dit proces heeft Freud uitputtend gesproken. Zijn noties worden door Lacan op een semiologisch vlak getild. Hoe voltrekt dit alles zich in de praktijk van de opvoeding? Het opgroeiende kind leert op een specifieke wijze met zijn wereld omgaan. Zijn handelingen en uitingen worden door zijn omgeving gestructureerd en genormeerd (van �bah, hmm, au, lief en stout� tot belerende, patriarchale socialiseringslegitimaties). Het kerngezin - vader-moeder-kind - speelt een doorslaggevende rol in dit proces. Freuds begrippenapparaat keert in zijn volle omvang terug: van de fasering van de kinderlijke ontwikkeling tot de cruciale rol van het Oedipuscomplex. Maar Lacan hanteert een nieuwe terminologie de freudiaanse doorkruist: de re�le, de imaginaire en de symbolische orde. De laatste is eenvoudig te omschrijven als de veelheid van symbolische systemen - van taal tot sociale omgangsvormen - die met het begrip `cultuur' worden aangeduid. De re�le orde duidt op de harmonische toestand die het kind in de omiddellijke verbondenheid met zijn moeder in zijn eerste levensmaanden ondergaat. Er is dan nog geen sprake van een Ik-ervaring, maar veeleer van een verbrokkelde ervaring die direkt uit de bevrediging van de lichamelijke functies voortvloeit. Er is vooral sprake van een organische band met het moederlichaam. Op deze organische band wordt door de vader inbreuk gedaan. Het kind, dat van zichzelf een verbrokkelde ervaring heeft, leert zich geleidelijk aan als een samenhangende identiteit ervaren door zich aan zijn omgeving - het andere - te spiegelen. Lacan neemt dit heel letterlijk: in de spiegel ziet de baby zich pas als een geheel. Zijn reflectie weerspiegelt echter geen van te voren gegeven, oorspronkelijke eenheid, maar produceert deze juist: het anders-zijn van het spiegelbeeld wordt door het kind aanvankelijk onderkend - het wordt in de derde persoon aangesproken -, maar de vreemdheid van het andere als de Ander wordt niet erkend. We zijn via het spiegelbeeld altijd via de Ander bij onszelf. Deze gespletenheid blijft het lk duurzaam bepalen. In het spiegelstadium dat zich feitelijk tuseen de 6 en 18 maanden voltrekt, identificeert het kind zich met dit imaginaire beeld. In dit stadium treedt tevens een tendens op die het verdere leven zal beheersen: de neiging voortdurend de imaginaire eenheid van een ideaal ego te zoeken en vast te leggen. Of in termen van de semiologische analyse: om de metonymische verglijding van de betekenaren (of: spiegelbeelden) tot stilstand te brengen in een metaforische fixatie: dat ben Ik en niets anders. Het kind komt pas tot de erkenning van de Ander als zodanig door de invoeging in de symbolische orde. Aanvankelijk wordt de Ander als de Wet van de vader ervaren. Het kind wordt in 'het vertoog van de Ander' (de cultuur in algemene zin) ingevoerd. Identificatie met de Ander, die in de gestalte van de vader en de door hem gepersonificeerde Wet in het gezin aanwezig is, produceert tenslotte de imaginaire neerslag van het Ik. Daarmee lijkt de Ander geheel en positief geabsorbeerd te zijn. Maar het Onbewuste is nu juist die (talige) dimensie waarin alles zich nestelt wat bedreigend en negatief is voor het Ik. In de hoedanigheid van het Onbewuste krijgt de Ander als de Ander een plaats in het Ik, dat daarmee een gespleten bestaan leidt.
 
5. Verlangen en gemis
 
Lacans interpretatie van Freud en zijn visie op de produktie van het Ik veronderstelt een bepaalde opvatting over het ontstaan van het verlangen. Sleutelterm daarbij is het gemis. Het kind wordt geboren en vormt een geheel met het moederlichaam: het drinkt, poept, piest, boert en huilt wanneer het wil. Het mag paradoxaal klinken, maar er bestaat in strikte zin nog geen gearticuleerd verlangen. De direkte aansluiting op het moederlichaam maakt dat het kind zich ook niet los kan maken van de omgeving en zich dientengevolge evenmin als subject tegenover een zijn behoeftes weerstrevende werkelijkheid kan ervaren. De moeder is weliswaar de eerste uitdrukking van de Ander, maar zij kan niet als zodanig erkend worden omdat haar verlangen volledig samenvalt met dat van haar kind. Pas als de direkte band tussen behoefte en bevrediging wordt losgekoppeld, wordt het subjectiveringsproces in gang gezet. De articulering van het verlangen is structureel verbonden met de subjectivering, met de vorming van het Ik.. Dit gebeurt in het proces van het spenen, zindelijk maken, kortom, door de invoering van het gemis en het gebrek in het socialiseringsproces. De vader speelt hierin een cruciale rol. Freuds Oedipuscomplex krijgt hier zijn Lacaniaanse uitdrukking. De vader voert het gemis in: hij onttrekt het verlangen van de moeder aan dat van het kind, stelt een ruimte tussen behoefte en bevrediging in en roept zodoende bij het kind het verlangen op naar dat wat eerst als vanzelfsprekend aanwezig was. Het gemis blijkt structureel voor een verlangen dat nooit volledig bevredigd kan worden. Het individu reikt voortdurend uit naar nieuwe invullingen. En juist dit maakt het mogelijk dat het Ik in de metonymische beweging zichzelf als proces opvat en steeds nieuwe metaforisaties kan ondergaan. Zodra echter een fixatie de toegang van het andere blokkeert, kan een psychische storing optreden. Het oplossen van deze storing is volgens Lacan de taak van de psychoanalyse. De psychische problemen die worden geconstateerd hebben te maken met het feit dat een rigide identificatie of een bepaalde metaforische fixatie: het imaginaire wordt gefixeerd. Daardoor verliest de persoon het besef dat hij steeds kan veranderen en zich kan hernieuwen. Dit proces wordt als een metonymische verglijding aangeduid. Dit betekent dat de Ander uit het lk wordt gedrukt, de differentie wordt ontkend en een reeks betekenaren tot ultieme betekenis wordt verheven.
 
om verder te gaan : druk hier
Untitled
Hosted by www.Geocities.ws

1