| Uitspraken van ma |
| 351. Hij heeft geen nagels om zijn gat te krabben. 352. Hij heeft het zo druk als een klein baasje. 353. Hij heeft het zo druk als een pruikenmaker met een halve klant. 354. Hij heeft teveel noten op zijn zang. 355. Hij heeft z�n schaapjes op het droge. 356. Hij is de dupe. 357. Hij is er als de kippen bij. 358. Hij is het kind van de rekening. 359. Hij is in de pit. 360. Hij is nog niet zo lang bij die baas. 361. Hij is weer boven Jan. 362. Hij kijkt met zijn linkeroog in zijn rechter broekzak. 363. Hij kreeg Anschlu�. 364. Hij spreekt alle talen, behalve betalen. 365. Hij zit erop als een bok op de haverkist. 366. Hij zou zich omdraaien in zijn graf. 367. Hij zwijgt in alle talen. 368. Hoe later de avond hoe schoner het volk. 369. Hoe moet ik dat nou eens in het vat gieten? 370. Hoe ouder hoe gekker. 371. Hoe warm het was en hoe ver. 372. Hoe ze heette, dat ben ik vergeten. 373. Honger is de beste kok. 374. Honger maakt rauwe bonen zoet. 375. Hopeloos, je doet er niets aan. 376. Hou toch je mond. 377. Ieder mens is sterfelijk. 378. Ieder met zijn eigen meisje. 379. Ieder uur een lepel. 380. Ieder vogeltje zingt zoals het gebekt is. 381. Ieder z�n meug 382. Iedere dag een draadje is een hemdsmouw in het jaar. 383. Iedereen moet zijn eigen pakje dragen. 384. Ik ben bang dat ik tekort kom. 385. Ik ben gezond, wat wil je nog meer. 386. Ik ben helemaal ontdaan. 387. Ik ben kapot! 388. Ik ben niet voor een gat te vangen. 389. Ik ben niet zo�n straatmadelief. 390. Ik ben toch zo gelukkig op de vierkante meter. 391. Ik dank God op m�n blote knie�n. 392. Ik heb de pijp leeg. 393. Ik heb het geld niet op mijn groeien. 394. Ik heb meer dorst dan honger. 395. Ik heb net zoveel zin als twee die geen zin hebben. 396. Ik heb het niet van een vreemde. 397. Ik heb voor de hele week genoeg. 398. Ik heb wel eens voor hetere vuren gestaan. 399. Ik heb zin in de koffie. 400. Ik houd m�n hart vast. 401. Ik kan er een vlooike op kraken. 402. Ik kan er nog met de vinger bij. 403. Ik kan het allemaal niet bijhouden. 404. Ik kan niet heksen. 405. Ik kan ook niet aan de gang blijven. 406. Ik kan van m�n goeie waar niet af. 407. Ik kan voorlopig weer vooruit. 408. Ik kom niets te kort. 409. Ik kom toch wel dood. 410. Ik lag heerlijk onder zeil. 411. Ik lust er wel pap van. 412. Ik moet er niet aan denken. 413. Ik moet even naar de weduwe van c. 414. Ik moet ook alles zelf doen. 415. Ik plak, hij plakt, wij plakten. 416. Ik trek me terug in de stelling. 417. Ik vertrouw geen een grootgrutter. 418. Ik vond het geweldig dat jullie er waren. 419. Ik weet niet wat mijn moeder in Amsterdam moet zoeken. 420. Ik wens je gezondheid, de rest kun je kopen. |
| 421. Ik wou dat ik ze in een oude sok had. 422. Ik wou dat je drieling was. 423. Ik zal het u niet beletten. 424. Ik zal m�n ziel er eens op bezondigen. 425. Ik zit met smart op je te wachten. 426. In de nood leer je je vrienden kennen. 427. In de winter als het vriest dan is het koud. 428. In een doodshemd zitten geen zakken. 429. In een goede keuken gaat niets verloren. 430. In het blaue hineins. 431. In het huis van de gehangene praat met niet over de strop. 432. In het land der blinden is ��noog koning. 433. In tijd van nood schil je aardappelen met de bijl. 434. Is de koek al op? Wat heb je dan gehad? 435. Is het nou nooit genoeg? 436. Is 't 'n gatje? 437. Jannemieke met de klumpkes aan. 438. Je bent een goeie lantaarnpaal, maar je geeft weinig licht. 439. Je bent nooit te oud om te leren. 440. Je bent zo eigenwijs als je groot bent. 441. Je C&A'tje komt onder je V&D'tje uit. 442. Je eet het er niet aan af. 443. Je fortuin is toch al gemaakt. 444. Je hebt altijd baas boven baas. 445. Je hebt een kleur als een bellefleur. 446. Je hebt mensen en potloden. 447. Je hebt toch een Hollandse mond. 448. Je hoeft er niet heet of koud van te worden. 449. Je hoeft je niet beter voor te doen dan je bent. 450. Je hoeft niet Roomser te zijn dan de paus. 451. Je kijkt met je neus(gaten). 452. Je komt als mosterd na de maaltijd. 453. Je kunt doorgaan tot in het oneindige. 454. Je kunt er mee eggen en ploegen. 455. Je kunt er op je gat mee naar Keulen rijden. 456. Je kunt geen twee dingen tegelijk doen. 457. Je kunt me de bout hachelen. 458. Je kunt niet alles hebben in je ouders� huis. 459. Je kunt niet hebben en tegoed houden. 460. Je kunt niet praten en breien tegelijk. 461. Je kunt wel zien waar de centen zitten. 462. Je kunt ze geen moment alleen laten. 463. Je mag er alleen maar naar kijken maar aankomen niet. 464. Je moeder heeft je toch blazen geleerd. 465. Je moest er om lachen als het niet zo treurig was. 466. Je moet altijd alles zelf doen. 467. Je moet bulken, of je lacht of niet. 468. Je moet de dag niet prijzen voor het avond is. 469. Je moet de goden niet verzoeken. 470. Je moet er als de kippen bij zijn. 471. Je moet het ijzer smeden als het heet is. 472. Je moet niet naar de bekende weg vragen. 473. Je moet niet schreeuwen voordat geslagen wordt. 474. Je moet niet van de vliegen in de blindazen lopen. 475. Je moet verder kijken dan je neus lang is. 476. Je moet ze nemen zoals ze zijn. 477. Je ogen zijn groter dan je buik. 478. Je schiet er niets mee op. 479. Je valt met je neus in de boter. 480. Je wacht je beurt maar af. |