Speciaal recept: Vliegzalf (heksenzalf)

Inleiding: Magie der kruiden

Magie noemt men de techniek, waarmee de mens ingrijpt op het gebied der levenslichamen, of anders gezegd: op het gebied van het onbewuste zielenleven.

Behalve vele andere middelen, zijn er planten, die daarbij gebruikt worden en wier werkzame stoffen tegenwoordig ook wel eens chemisch na­gemaakt worden. Daar deze stoffen de ziel beïnvloeden, spreekt men van psychochemie.

Speciaal de Amerikaanse Indianen beheersen deze magie in hoge mate, waarschijnlijk als overblijfsel van de wetenschap van Atlantis. Daar in onze tijd de Atlantiërs in groten getale op het Westelijk halfrond der aarde reïncarneren, is hun wetenschap weer opgekomen en heeft ons reeds de atoombom en de psychochemie geschonken als een enorm gevaar. De grote belangstelling der huidige jongeren voor magische kruiden komt dan ook voort uit deze verwantschap en is in de grote ontwikke­lingsgang der mensheid weer actueel, doordat wij aan het einde van een cultuurvorm staan en deze magie speciaal werkt op het uitwissen van wat een cultuur in de menselijke ziel inprent en teweeg brengt.

De meest gebruikte magische kruiden, wier geur of rook men inademt of wier aftreksel men drinkt, óf die men eenvoudig kauwt, bezitten stoffen (alkaloïden) die bij de mens de grote hersenen, dus het ik-bewustzijn bedwelmen, dus tijdelijk uitschakelen.

Dientengevolge verliest de mens tijdelijk alle normen en dressaten, alle onderscheidingen en alle afwijzingen en verdringingen, die hem door opvoeding en gewenning zijn bijgebracht en. die een zeef of filter vormen voor alle indrukken die hij opneemt. Want een opgevoed en bewust levend mens laat slechts een klein deel van zijn gewaarwordingen bewust worden als geregistreerde waarnemingen.

Wat doen nu de bedoelde magische kruiden? Zij schakelen die filter uit en laten waarheid en werkelijkheid tot het ik-loos gemaakte zielsbewustzijn toe. Alles wat de kleine hersenen en de tussenhersenen weten en kunnen, komt daardoor onbelemmerd vrij. Met andere woorden: de levenspool in de mens verkrijgt tijdelijk de soevereiniteit, die de denkpool is ontnomen. De polen worden dus in zekere zin verwisseld, zoals dit in de grote lijn ook gebeurt bij dronkenschap, in de seksuele verrukking en in zogenaamde mystieke toestanden.

Is deze toestand van objectiviteit als een vooruitgang of een achteruitgang te beschouwen? Als de toestand van objectiviteit niet door de inspanning van het ik en de wil, hun gerichtheid, hun verlangen en hun bereidheid tot zelfverloochening terwille van de heerschappij van een hoger ik verkregen is, kan deze toestand geen vooruitgang genoemd worden en dan is het proces geen echte mystiek. Want dan wil men dat ik niet verliezen, alleen maar even buiten de deur zetten om nieuwsgierigheid te bevredigen of bepaalde ik-bedoelingen te verwerkelijken. In plaats van het ik aan God aan te bieden als instrument, zet men het van God ontvangen ik even weg, om zodoende contact te krijgen met de etherische en astrale gebieden, bevolkt door alle mogelijke soorten entiteiten, lagere goden, geesten. Het is dus een terugval, opzettelijk teweeggebracht met kunstmatige middelen. Men gaat terug van de logische naar de magische fase der menselijke ont­wikkeling, terug over de drempel van de leeftijd van zeven jaar. Vóór die leeftijd (als regel niet bij onze vroegwijze moderne kinderen!) is de mensen­ziel nog in het paradijs, heeft zij nog niet van de Boom der kennis des goeds en des kwaads gegeten, is zij nog niet gespleten en in de tweeheid gevallen. Het zelf is nog niet in werking. Zo'n onbedorven kind leeft in de eenheid der dingen, volgt zijn instinct, is helderziend, -horend, -ruikend en weet alles wat het nodig heeft te weten. Bij de moderne kinderen moet men waar­schijnlijk terug gaan tot voor het tijdstip, waarop zij "ik" gaan zeggen, om die magische fase nog aan te treffen. De magische kruiden, hier bedoeld, brengen de mens tijdelijk terug in die onbewust-gelukkige, argeloze, oprechte, vóór-morele fase, waarin de ziel' machtig is en met alle wezens contact kan maken. Indianen en Lappen gebruiken die kruiden om hun nog jonge, onrijpe ik opzij te zetten en dan overleg te plegen met hun voorouders en met de stamgod, om verre streken te onderzoeken waar zij heen willen reizen, om zoekgeraakte of gestolen goederen op te sporen, ofwel om zich vergeten gebeurtenissen scherp te herinneren (herbeleven), zelfs hun eigen geboorte, en desgewenst vorige levens op aarde. Zij kunnen dan ook macht over levenden uitoefenen, hen in slaap laten vallen en hun levenslichaam meenemen naar andere gebieden, of iemand hun wil opleggen. Zij kunnen hun eigen levenslichaam losmaken van hun stoffelijk lichaam en er in op reis gaan of het over­brengen in een ander lichaam, eventueel dat van een dier (weerwolven). Door de uitschakeling van de remmen van het ik en van de denkpool, van moraal en geweten, kunnen zij een enorme kracht ontplooien, hetzij in een gevecht, hetzij in het verdragen van pijn, of van de inwerking van vuur of water of vergif. Zij zijn onbevreesd door afwezigheid van het altijd voor zijn eigen bestaan bezorgde ik en storten zich dan ook koelbloedig in gevaren. (Zulk een magisch middel heeft men in de tweede wereldoorlog chemisch nagemaakt en aan de soldaten gegeven vóór een grote aanval). Op seksueel gebied is men ongeremd en geniet enorm, kan de partner daarin meeslepen, hetzij dat men dit in het stoffelijk lichaam uitvoert, hetzij dat men de genietingen in droomtoestand, op etherisch gebied ervaart zonder stoffelijk belichaamde partner.

Alle indrukken zijn, ongezeefd, veel intenser en grootser dan in het gewone leven. Wat gebeurt er eigenlijk, waarin bestaat die bedwelming van de grote hersenen, van de denkpool en van het ik?

De plantaardige of chemisch nagemaakte vergiften, maken het etherische levenslichaam, met het ik, in enige mate los van het stoffelijk lichaam, zij bevrijden het dus een weinig uit zijn gevangenschap en beperking - maar daardoor ziet men dat stoffelijk lichaam dan ook allerlei "vreemde" dingen doen, geleid door het instinct. In de plaats van het eigen ik kan nu een ander ik treden: hetzij de leider bij een experiment, die vragen stelt, die door de vergiftigde zonder enige terughoudendheid worden beantwoord, hetzij een onbelichaamde geest, hetzij een ik van een andere uitgetredene - en daartegenover is de ik-loze ziel machteloos en als een robot gehoor­zaam! Sommige Indianenstammen voorzien zich op die manier van werkkrachten: zij ontnemen geroofde mensen hun ik en laten hen dan voor zich werken op bevel (de z.g. Zombi's in Zuid-Amerika).

Men kan ook een ander ik in het verlaten stoffelijk lichaam laten treden, dat het eigen ik dan verhindert, weer thuis te komen. Het losgelaten ether­lichaam met het ik kan, buiten de tijd, in verleden en toekomst zien, wat het maar wil. Vandaar dat men in die toestand "profeteert".

Kortom: iemand neemt zelf zo'n vergif in om te genieten, te weten te komen of macht uit te oefenen (onbelemmerd voelen, denken en willen). Of men laat het (bijvoorbeeld door rook van brandend kruid om een portret) op een ander inwerken, om die te beïnvloeden. Zo lieten jonge meisjes in de middeleeuwen het levenslichaam van hun toekomstige echtgenoot aan zich verschijnen om hem te leren kennen, ofwel dat van hun elders verblijvende verloofde, om zich met hem te onderhouden.

De magische kruiden zijn dus middelen om zich, zonder offer, op een gemakkelijke manier, tijdelijk in het bezit te stellen van die krachten, die de ware mysticus vanzelf verwerft door zijn ik ter beschikking van God (zijn Hogere Ik) te stellen en, zich dus met dit Hogere Ik vereenzelvigd, zijn goddelijke bestemming door zijn aardse en stoffelijk-lichamelijke ik te verwerkelijken. De mysticus gaat vóóruit, stoot door naar de derde, post­logische fase en bereikt zo ook de waarheid en de objectiviteit, maar in volle vrijheid en onaantastbaarheid, werkend op aarde en niemands slaaf. De vergiftigde vlucht voor het aardse leven in de etherische tussensfeer en wil dan ook in vele gevallen niet meer terug: hij verslaaft zich aan het vergif, waarbij zijn stoffelijke lichaam op den duur te gronde gaat. Hij geeft zijn levensopdracht op aarde terug en vergooit daarmee zijn kans om te leren en verder te komen. Hij deserteert.

Tot de in Europa voorkomende kruiden, waarmee magie werd en wordt bedreven, behoren voornamelijk die, welke tot de familie der Solanaceae, de Nachtschade-achtigen gerekend worden en wel de zeer vergiftige doornappel, het bilzenkruid en het doodkruid, alle drie in de homeopathie als medicijn gebruikt, en eveneens de alruin of mandragora.

BILZENKRUID, Hyoscyamus niger L, Schwarzes Bilsenkraut, jusquiame            noire, black henbane.

Familie: Solanaceae

Het bilzenkruid, ook wel genoemd dolkruid of malwillempjeskruid, werd vroeger wel verbrand om de rook ervan in te ademen tegen kiespijn. Door het bedwelmen van het zenuwzintuigstelsel bedaarde de pijn, maar aangezien tegelijkertijd de centra van wil en zelfbeheersing buiten spel gezet worden, leidde dit tot een vreemd gedrag. De losgelaten levenspool uitte zich in onbedaarlijk lachen, onzin praten, gekheid maken en in hallu­cinaties.

In hóge homoeopathische verdunning CD 200) wordt bilzenkruid, Hyoscya­mus niger, gegeven tegen sexuele schaamteloosheid en de neiging zich te ontbloten, jaloezie, argwaan en vervolgingswaan. De patiënt tracht degene, met wie zij spreekt, te behagen en spreekt het ergste kwaad van degeen, die er niet bij is en die zij gisteren trachtte te behagen. Men kan dit dus zó beschouwen, dat de hoge verdunning van het vergif de onverdunde zelfde stof, die zich in een lichaam gevormd heeft, uitdrijft.

Men geeft het hom. ook bij andere geestesstoornissen met grote opwinding (zoals bij aderverkalking en alcoholisme) en bij de ziekte van Parkinson, die alle gemeen hebben, dat de bewustzijnspool niet op kan tegen de levenspool. Wat de patiënt in zo'n toestand zegt, is geen onzin, maar openbaart de oplettende toehoorder de vroeger verborgen toestand van die levens­pool, die vaak een gevoelige klap heeft gekregen, een niet verwerkte liefdesteleurstelling of dergelijke.

Verder geeft men het tegen nachtelijke lastigheden als kriebelhoest (die verband houdt met de geslachtsorganen en het gevoelsleven), beven en trekken en plotseling met een schrik ontwaken, wat te maken heeft met het ineens loslaten of vastraken van het etherisch lichaam of het slecht samenwerken van het etherisch (of levens) lichaam met het stoffelijk lichaam. Het onverdunde vergif scheidt die lichamen, de verdunning herstelt hun verband.

De vergiftige stof: hyoscyamine genaamd, heeft als gevolg een totale amnesie, dat wil zeggen, men herinnert zich niets meer van de malligheid die men heeft uitgehaald. Dat wordt althans van moderne experimenten ermee beweerd. Maar in oude tijden was dat toch anders, waarschijnlijk omdat men zich toen niet geneerde voor het beleefde, maar integendeel trots was op de zeer bijzondere ervaringen en er niet zelden om werd vereerd. Dit gif geeft degeen, die het in zich opgenomen heeft - speciaal als dit gebeurd is door middel van een zalf - de sensatie van door de lucht te vliegen boven verrukkelijke landschappen en vervolgens aan een sterk erotische danspartij deel te nemen, vol lustgevoelens. In de middeleeuwen was het onder heksen gebruikelijk, zich bij bepaalde maanstanden onder de oksels en aan de binnenkant van de dijen in te smeren met de befaamde heksenzalf die als volgt werd verkregen:

Recept heksenzalf:

Men plukt bladen van de doornappel (Datura stramonium) te middernacht bij volle maan; zaad van bilzenkruid wordt verkregen door een klein meisje, als de zon in de Schorpioen staat (tussen 24 oktober en 21 november), met de rechter grote teen een bilzenkruid uit de grond te laten trekken; daarbij moet men dan nog aan de wortel van een alruin (Mandragora autumnalis) komen, die groeit onder een galg waaraan een onschuldige is opgehangen en die trekt men uit door de staart van een zwarte hond aan de alruin vast te binden en de hond dan weg te lokken. Daarbij moet men de oren met was toestoppen, want de alruin geeft daarbij een schreeuw om bij dood te blijven!

Nu stampt men het bilzenkruid-zaad, de doornappelbladen en de alruin­wortel in een mortier fijn en vermengt dit poeder met hondevet tot een zalf. Na het insmeren met die zalf, waarbij de heks geheel naakt is, steekt de opperste heks binnen de kring een speciaal rookpoeder aan, beschrijft het heksenteken in de rook, en zie: de heksen verheffen zich moeiteloos, al of niet op een bezemsteel, de lucht in en begeven zich in midden-Europa bij voorkeur naar de Broeken (of Blocksberg), een bergtop in de Harz, nu even over de zonegrens, waar nog altijd de zogenaamde Hexentanzplatz te zien is met een voetafdruk van de duivel, met wie de heksen de vleselijke lusten genoten, speciaal in de Walpurgisnacht (van 30 april op 1 mei).

Bij experimenten door scheikundigen in de moderne tijd is gebleken, dat ook zij dergelijke sensaties ondergingen en wel met zulk een levendig besef van werkelijkheid, dat men begrijpen kan, dat de heksen bij hun verhoor door de Inquisitie bezwoeren, werkelijk aan deze genoegen te hebben deelgenomen (overigens onder marteling afgedwongen getuigenissen). De hyoscyamine maakt het levenslichaam los en voert het door het astraal gebied. Het stoffelijk lichaam blijft achter, zoals bij een droom gedurende de slaap. Men zou dus kunnen zeggen, dat dit kruid werd gebruikt om zich, zonder partner seksuele lustgevoelens en een schone droom te verschaffen. Een eenvoudiger recept vermeldt als ingrediënten: nachtschade (Solanum nigrum) , doodkruid (Atropa belladonna), alruin (Mandragora), maankop (Papaver somniferum) en gevlekte scheerling (Conium maculatum). Van het melksap uit de onrijpe zaaddoos van de maankop wordt het opium gemaakt en wat de scheerling betreft: de gifbeker, die Socrates te drinken kreeg, bestond uit het gif van de gevlekte scheerling. Homeopathisch geeft men dit vergif tegen kanker (Stoerck, 1760), bij van onder naar boven voortschrijdende verlammingen, keiharde klieren, en degeneratie van het ruggemerg.

DOODKRUID of WOLFKERS, Atropa belladonna L., Deadly Nightshade,

Tollkirsche, Belle-dame.

Familie: Solanaceae

De zwarte bessen van deze plant zijn zeer vergiftig, zoals de naam reeds aangeeft. Ze bevatten atropine, dat door vrouwen gebruikt werd om haar pupillen te vergroten, vandaar de naam Belladonna. Bij vergiftiging wordt dus de pupil verwijd, de keel droog, de pols snel, het gezicht rood. Men geraakt in een opgewonden toestand met deliriën en manieën, hallucinaties en nachtmerries. Deze ontstaan, doordat het vergif het ik gedeeltelijk uit­schakelt, zodat de anders teruggedrongen krachten van de levenspool, het astrale, het aandoeningsleven van de mens, zich eindelijk vrij kunnen uiten. Wat men waarneemt, zijn de beelden ivan de eigen aandriften, de verwrongen en verminkte verlangens, de seksuele begeerten. Wat niet verwerkelijkt heeft kunnen worden, spookt in 's mensen onderwereld en wordt door zulk een vergif opgeroepen. Men geeft het dan ook als medicijn tegen die kwalen, die ontstaan door verdringing van instinctieve verlangens: astma, migraine, netelroos, te veel maagzuur, maag- en darmkrampen, gal­en niersteenkoliek, allergieën, en dan in de vorm van extract.

Bij krampen en zenuwpijnen, nachtmerries met plotseling opspringen uit de slaap en tandenknarsen en als oogdruppels geeft men Sulfas atropine. Homoeopathisch in D 3 bijvoorbeeld tegen congestie en hoofdpijn, roodvonk, angina, en bij het begin van acute infectieziekten met bloedaandrang naar het hoofd. Een zeer hoge homoeopathische potentie, bijvoorbeeld 200, geeft men bij neiging tot zelfmoord door uit het raam te springen en dergelijke. Daarmee wordt het eigen Belladonna-vergif uitgedreven.

De wortel werd door Iwan Raeff in Bulgarije ontdekt als een geneesmiddel tegen de ziekte van Parkinson: spierverstijving. Hij stelde een medicijn samen, uit de Belladonna-wortel en nog enige andere middelen en hiermee werd gekuurd in een ziekenhuis, opgericht met hulp van koningin Elena van Italië, die zelf medicijnen gestudeerd had. Men noemt dit de Bulgaarse kuur. Het moet daarvoor wel de Bulgaarse belladonna zijn en men moet de kuur precies volgens de voorschriften van Iwan Raeff toepassen. Dit is nog altijd mogelijk in Bulgarije.

ALRUIN, Mandragora officinalis, Mandrake, Alraune, Mandragore.

Familie: Solanaceae

De alruin (Mandragora) had en heeft de reputatie, geluk aan te brengen (in het Duits zegt men van iemand die stom geluk heeft "der muss eine Alraune in der Hosentasche haben!"). Men gebruikt ze om liefde en weder­liefde op te wekken (Mandragora charmée, fais que je suis aimé!), om schatten te vinden, enzovoort. De wortel van de alruin splitst zich vaak in twee (zoals men bij een peen ook nogal eens ziet), zodat de plant doet denken aan een mens met twee benen. Men onderscheidde dan "alruin de man" en: "alruin die vrouwe". Had men er een uitgetrokken met be­hulp van de zwarte hond, dan moest men hem (of haar) thuis wassen en in zijde kleden, in een bedje leggen en bij elke nieuwe maan in wijn baden. Men kon hem/haar bevragen naar alles wat men weten wilde. De bekende occultist keizer Rudolf 11 te Praag bezat er een. In zeer veel drama's o.a. van Shakespeare, wordt de alruin genoemd.

De alruin is een Jupiter-plant, vandaar dat zij "het grote geluk" kan aanbrengen en ook vandaar dat zij een zieke lever geneest. Vroeger duidde men de lever aan met de term "de hond", en de uitspraak: men moet geen slapende honden wakker maken" betekent eigenlijk: men moet zich niet ergeren en daardoor de lever verhitten. Doet men dat toch, dan kan de alruin hem kalmeren. Als joviale plant bezit zij een veelzijdige geneeskracht. Zij is echter zeer zeldzaam geworden.

Deze middeleeuwse toepassingen zijn overblijfsels en verbasteringen van veel oudere gebruiken van magiërs en wijze vrouwen, wier kennis en wijsheid door de christelijke kerk te vuur en te zwaard bestreden is en tot bijgeloof en zwarte kunst is gedegradeerd.

Oorspronkelijk plachten deze wijzen op gezette tijden om een rokend kruidenoffer heen te gaan zitten en met gezang de krachten van de planeten (de aartsengelen) aan te roepen, waarna zij, door de inademing van de rook, in een soort trance-toestand vervielen, waarin deze kruiden hun wezen in beelden (zoals gebruikelijk op het door de levenspool beheerste astraal- of droomgebied) openbaarden. Deze gestalten gaven de analogieën aan, de met elkaar verwante levensvormen, die op een en dezelfde planetaire trilling zijn afgestemd. Zo zag men uit de gedaante van het kruid een bepaald dier voortkomen en daaruit weer een menselijk lichaamsdeel. Dan wist men wélk kruid en wélk dier en wélk menselijk lichaamsdeel bij elkaar behoorden en waarmee men dus dat lichaamsdeel, als het ziek was, kon genezen. Ook een bepaalde steen zal men er wel bij gezien hebben. Men ziet de wezensverwante verschijningsvormen, die bij een bepaalde straal of trilling of golflengte behoren. Dit is ook, bij andere volken, de inspiratie, die de medicijnman in trance van zijn voorouder of voorganger meent te ontvangen: de bewustwording van oude wijsheid, die in het grote geheugen, dat over talloze incarnaties heen reikt, bewaard wordt. Die bewustwording is slechts dan mogelijk, als het bewustzijn van de grote hersenen óf uitgeschakeld is, óf geheel met die wijsheid één geworden is, zoals dat is bij de ware dienaar Gods - die behoeft niet meer in trance te gaan. Wie zijn lagere ik heeft willen verliezen aan God, behoeft het niet meer van tijd tot tijd uit te schakelen.

Bron: De geheime lexicon der geneeskruiden.

Hosted by www.Geocities.ws

1