Voorboden van mijn Depressie
Op het moment dat ik te horen kreeg dat ik een depressie had, overviel me dat. Ik had het niet verwacht, in eerste instantie ook zelf niet in de gaten. Het was de ARBO arts die iets signaleerde en me zei: "U gaat nu naar huis en voorlopig niet meer aan het werk. het is niet best met u." Nu, een paar jaar verder, zie ik wel hoe het zo ver had kunnen komen. Het was een combinatie van factoren, die - onvermijdelijk? - ertoe hebben bijgedragen. Had ik die signalen maar eerder opgepikt en er wat mee gedaan. Dan had wellicht erger kunnen worden voorkomen. Nog wel even een opmerking: Niet altijd zijn er duidelijke redenen aanwezig dat iemand in een depressie raakt. Ik ken voorbeelden van depressieve mensen, wiens leven ogenschijnlijk alle kenmerken heeft om gelukkig te zijn. In mijn geval is dat niet zo.
Het fundament voor mijn depressie is gelegd in
mijn jeugd. Daar zal ik later nog wel op terug komen. Op dat
fundament is verder gebouwd in mijn latere leven, zeer zeker ook
in mijn 'carriere' (als je het al carriere zou mogen noemen) bij
mijn werkgever, Rijkswaterstaat.
Na al jaren op het randje van 'het aankunnen' te hebben
gebalanceerd, kwam alles in een stroomversnelling in 1998, begin
1999.
Bij Rijkswaterstaat had ik een functie waarvoor ik niet de salariëring
kreeg die er voor stond. Reden? Ik had wel de capaciteit, en
vervulde ook mijn functie naar tevredenheid, maar ik had niet de
vereiste opleiding. Ik zou enkel voor de correcte uitbetaling in
aanmerking komen als ik de capaciteit EN de opleiding er voor had.
Men (mijn chef en afdeling Personeelszaken) verzekerde mij dat
die regel voor iedereen gold. Ik ben toen maar in 1997 begonnen
met die vereiste opleiding: MBO Economie. Dat betekende drie
avonden in de week naar school en de andere avonden aan het
huiswerk.
Mijn fout was toen dat ik er ook nog eens een schepje bovenop
gooide. Ik wil meestal het beste halen. Voor toetsen kreeg ik dan
ook negens en tienen.
Halverwege mijn studie kwam ik er achter dat die zogenaamde
'regel voor iedereen' helemaal niet zo algemeen was, als mijn
werkgever het deed voorkomen. sterker nog, een naaste collega had
ook de opleiding niet, maar kreeg wel het salaris als waarvoor
onze functie was ingeschaald. Toen ik tegen mijn chef daarover
begon, was zijn antwoord: "Er valt niets aan te veranderen.
Je bent akkoord gegaan met die voorwaarde". Ook al gaf ik
aan dat ik akkoord gegaan ben, omdat hij (en afdeling
Personeelszaken) mij garandeerden dat die regel voor iedereen
hetzelfde was (wat dus klinkklaar gelogen was), het mocht
allemaal niet helpen. Ik moest die studie succesvol afsluiten om
voor het correcte salaris in aanmerking te komen. Je begrijpt dat
dit aan me ging vreten. Helemaal omdat het niet de eerste keer
was, dat ik 'gepakt' werd. Met name het hoofd van Personeelszaken
heeft er een handje van om mensen, die hij niet mag, het leven
zuur te maken. Ik ben niet de enige, er zijn meer voorbeelden van
die praktijken. Mensen zijn letterlijk weggetreiterd. Op mijn
werkgever kom ik later nog wel terug in dat gedeelte van 'Mijn
Verhaal'.
In 1998 krigen we een ander huis. We kunnen er in de zomer in. Ik was echt aan vakantie toe na een jaar van werk en studie. Helaas ging mijn hele vakantie op aan dat nieuwe huis. Het begon met schilderen en behangen en dan ook nog de verhuizing zelf. Ik had geen hulp, heb alles in mijn eentje moeten doen inclusief de verhuizing zelf. Aangezien mijn salaris bij Rijkswaterstaat dusdanig was, dat ik geen reserves kon opbouwen, betekende dit dat ik geen verhuizers kon betalen. Mijn vakantiegeld was opgegaan aan het aankleden van het huis. We hadden een verhuiscontainer gehuurd en die heb ik in mijn eentje volgeladen en ook weer leeggehaald, bankstel, wasmachine, fornuis .... alles. Ik was kapot! Ik moest echter alweer terug naar het werk, mijn vakantie zat er op. Ook de studie begon weer. Alles ging vanaf dat moment stroever. Toch ging ik maar door. Tussendoor kreeg ik thuis steeds verwijten dat het huis nog niet af was en wanneer ik het af ging maken. Er moest hier en daar namelijk nog wat schilderwerk etc. gebeuren. Ook begon het aan me te vreten dat er niemand was die me had willen helpen. Ik herinnerde me al die keren, dat ik voor anderen had klaar gestaan en nu ik aan de beurt was, gaf niemand thuis.
Tegen het eind van het jaar kreeg ik te horen dat een goede vriendin was overleden. We hadden in onze jeugd samen van de drugs afgekickt, maar zij was weer begonnen. We hadden samen veel doorgemaakt. Het nieuws van haar dood greep me meer aan dan ik vermoedde. Ik was er kapot van.
Alsof dat alles nog niet genoeg was, kwam er met de Kerst nog een klapper. Op Eerste Kerstdag werd ik door mijn zoon gewekt dat er afgelopen nacht bij ons in de straat een brand had gewoed. Even later kwam hij terug met de mededeling dat daar doden bij waren gevallen. Ik baalde dat ik niets gehoord had. Als BHV'er (Bedrijfshulpverlener) had ik de diploma's brandbestrijding, EHBO, reanimatie, etc, behaald. Ik had misschien wat kunnen doen dat mensenlevens had gered. Maar het werd nog erger. Mijn zoon kwam terug: "Ze zijn vermoord!" Wat zich toen ontvouwde was een nachtmerrie. De man had zijn eigen vrouw en kinderen met messteken om het leven gebracht. Hij was kamer na kamer afgegaan en had ze vermoord. Een van zijn kinderen zat altijd in een rolstoel, zo'n electrische, en een andere was een vriendinnetje van mijn dochtertje. Zo'n vrolijk kind met van die heerlijke, donkere ogen. Een plaatje! Ik herinnerde mij hoe zij nog op 11 november, met een paar andere meisjes, aan de deur was geweest om mijn dochter op te halen. Het was Sint Maarten en ze wilden met lampjes langs de huizen gaan om snoep op te halen. Mijn dochter is nogal traag met eten en normaal mag ze dan van mij pas naar buiten als het op is, maar dit was zo'n speciale gelegenheid dat ik mijn hand maar over mijn hart streek en zei dat ze mocht gaan. Toen die meiden daar buiten bij elkaar waren, stonden ze te springen en te juichen: "We zijn er allemaal!" Ik herinnerde dat en realiseerde ook, dat ze dat nooit meer zouden kunnen roepen. Ze zouden er nooit meer allemaal zijn. Waarom die man dat had gedaan, zullen we nooit weten. Hij heeft, na het in brand steken van het huis, de auto genomen en heeft zichzelf te pletter gereden tegen een andere auto. Daarbij heeft hij de bestuurdster van de tegenligger ook nog voor het leven gehandicapt gemaakt.
De dagen erna bleef er van alles door me heen
malen. Waarom heeft die man dat gedaan? Was ik misschien ook tot
zoiets in staat? Wat moet er gebeuren om iemand zover te krijgen
dat hij datgene, waar hij toch zoveel van moet houden, in koele
bloede vernietigd? Ook kwamen er herinneringen aan mijn jeugd.
Het geweld en de onveilige situatie. Het niet gewenst zijn.
Herinneringen aan mijn moeder, die vaak zei: "Ik wou dat je
nooit geboren was." Nooit tegen de andere kinderen, alleen
maar tegen mij. En, tot op de dag van vandaag, weet ik niet
waarom dat was. Waarom mogen in een gezin van zes kinderen er
vijf wel zijn, maar een niet? Ik was de tweede van de zes. Ook
herinneringen aan mijn vader kwamen terug, een agressieve
alcoholist die zich ook nog eens vergreep aan mijn jongere zus.
Wat had ik van hem 'geërfd'? Wat zat er in mijn genen? Mijn
dochter voelt zich veilig bij me. Hoe kan iemand verdomme zo iets
kostbaars naar de knoppen helpen voor een moment van zucht naar
genot???
Ik ben geen deskundige, maar weet wel dat een jeugd van mij niet
bepaald een ideale start van het leven is. De plek, waar je als
kind zou moeten kunnen schuilen voor de boze buitenwereld, was in
mijn gevoel de meest bedreigende plek.. De man, waar je tegenop
moest kunnen kijken, waar je met je problemen terecht kon en die
je zou beschermen was een gevaar. En de vrouw, die je zou moeten
koesteren, die je had voortgebracht zei herhaaldelijk dat ze wou
dat je nooit geboren was.
Pijn, die ik jaren had weggestopt, kwam nu versterkt terug. En
daar kwamen dan ook nog die verschrikkelijke twijfels bij of ik
zelf tot verschrikkelijke dingen in staat was. Ondanks dit alles
ben ik in het nieuwe jaar 'gewoon' weer aan het werk en aan de
studie gegaan.
Een nieuwe nachtmerrie diende zich aan. Nieuws
van moordpartijen op de Molukken sijpelde binnen. Afgrijselijke
verhalen, die toch niet waar konden zijn! Langzamerhand werd
duidelijk dat de werkelijkheid nog luguberder was, dan die eerste
geruchten deden vermoeden. Waarom mij dat zo aangreep? Ik zag
namen van slachtoffers en daar zaten bekende familienamen bij.
Familienamen van oude vrienden van mij. Waarschijnlijk ooms en
tantes, neven en nichten van hen. In mijn jeugd heb ik veel met
Molukse vrienden opgetrokken. We deelden alles, lief en leed. we
waren als broers voor elkaar. En op een van mijn dieptepunten in
mijn leven heeft een Molukse man mij in huis genomen, mij als
zijn zoon geadopteeerd. Ik was bevriend met zijn zoon, met wie ik
samen drugs gebruikte, samen vocht tegen alles en iedereen. We
hadden lak aan de hele maatschappij. Ik was destijds op de vlucht.
Ik moest van de overheid naar een kliniek om verplicht af te
kicken of anders in voorarrest in afwachting van het voorkomen
van een zaak. Maar ik wilde niet afkicken. Ik was bang voor een
leven zonder drugs, bang voor de sleur, de saaiheid. Door die man
heb ik weer zin in het leven gekregen. Dat ging niet ineens, maar
met struikelen en opstaan. Maar hij bleef geduldig, hij geloofde
in mij, dat ik het uiteindelijk zou redden. Waar ik altijd mijn
slechte punten bleef zien, bleef hij mijn goede punten
benadrukken. En hij heeft gelijk gekregen: Ik heb het gered! Ik
ben nu al jaren clean en heb ook nooit meer de neiging om opnieuw
te gaan gebruiken, ook niet tijdens mijn depressie. Helaas is hij
19 juli jl. van ons heen gegaan. Voor mij is hij een voorbeeld
wat een Christen zou moeten zijn. Ik ben trots dat iemand als hij
mij als zijn zoon beschouwde!
Vandaar dus mijn betrokkenheid bij het bloedbad op de Molukken.
Het is de familie van mijn beste vrienden, het is ook mijn
familie. In de jaren die kwamen, kwam er maar geen einde aan de
genocide en onderdrukking op de Molukken. En aan hun lijden is
nog steeds geen einde gekomen.
Ik ben nog een tijdlang doorgegaan met werk en school, maar het moest wel een keer vastlopen. Op een gegeven ogenblik kreeg ik een kaakontsteking als gevolg van het doorkomen van een verstandskies of zo. Ik sliep bijna niet meer en at ook vrijwel niets. Gelukkig zou ik die vrijdag er op geholpen worden. Ik heb me toen ziek gemeld. Ik moest, vanwege mijn ziekmelding, op het spreekuur van de ARBO arts komen. Ik verwachtte snel weer buiten te staan, omdat ik de week daarna weer aan het werk wilde gaan. Het liep echter heel anders. Tijdens ons gesprek begon de arts allerlei vragen te stellen, die niets met de kaakontsteking te maken hadden. En plotseling zei hij dus: "U gaat nu naar huis en voorlopig niet meer aan het werk. het is niet best met u." Daar stond ik dan buiten, vol vragen, in eerste instantie wat lacherig. Waar slaat dit op? Onderweg naar huis heb ik geprobeerd het te begrijpen, maar zag het nog niet, wilde het waarschijnlijk niet zien. Ook in de weken daarna drong het nog niet echt tot me door. Dat kwam pas later. Hieruit blijkt echter wel, dat idiote bechuldigingen van mijn werkgever en anderen nergens op slaan. Ik stel me niet aan en ik simuleer niet. Niet IK heb aan de bel getrokken, maar de ARBO arts! Hij verbood mij om aan het werk te gaan! Wat komen ging, was een tijd die je niemand gunt. Het wordt vervolgd in de volgende episode: Welkom in de Hel!
Copyright © 2003 depress1999