brief apotheker

Brief van minister Apotheker aan de vaste Kamercommissie van LNV

De aanwezigheid van agressieve honden op straat, en daarmee het risico op ernstige bijtincidenten, blijft een actueel probleem. Per jaar worden in het ziekenhuis 240 slachtoffers opgenomen en maar liefst 12.000 slachtoffers op de eerste hulp behandeld. Dit blijkt uit het onlangs gepubliceerde rapport van de Stichting Consument en Veiligheid (SCV) 'Hondenbeten in kaart gebracht', waartoe mijn ambstvoorganger in 1997 opdracht heeft gegeven. Zorgwekkend is in dit verband ook de toename van het aantal grote, zwaargebouwde, agressieve honden. Zo is de afgelopen 10 jaar het aantal jaarlijkse inschrijvingen in het stamboek van honden van het ras Dogo Argentino vertienvoudigd, van het ras Mastino Napoletano verdubbeld en van de American Staffordshire Terrier verzesvoudigd. Ik vind dit een dermate ongewenste ontwikkeling dat dit noodzaakt tot een actief ingrijpen door de overheid. De toename van de hiervoor genoemde rassen kan voor wat de afgelopen vijf jaar betreft worden tegeschreven aan de introductie van de Regeling Agressieve Dieren (RAD), beter bekend als de Pitbull-regeling. Deze regeling, op grond waarvan het verboden is pitbulls te houden, te fokken of te verhandelen, heeft als effect gehad dat de vraag naar gevaarlijke honden verschoof naar andere rassen. Gebleken is dat ook honden behorend tot deze rassen aanzienlijk letsel kunnen toebrengen aan volwassenen, kinderen of dieren. Ik herinner u hierbij aan het incident eind oktober in Amsterdam, waarbij een kind als gevolg van een beet van een Mastino Napoletano kwam te overlijden. In een brief van 22 november 1990 aan de Tweede Kamer (kamerstukken II, 1990/91, 16 447, nr. 79) heeft de toenmalige staatssecretaris zijn voornemen bekend gemaakt om ten aanzien van honden van het ras Dogo Argentino, Fila Brasiliero en American Stafforshire Terrier alsmede ten aanzien van honden van het Pitbull Terriertype een fok- en houdverbod te introduceren. Gelet echter op het toenemende aantal zeer ernstige bijtincidenten waarbij Pittbuls betrokken waren en op de beperkte aanwezigheid op dat moment in Nederland van de overige drie rassen, is destijds besloten vooralsnog honden van het ras Dogo Argentino, Fila Brasiliero en American Staffordshire Terrier die met goed gevolg een gedragstest zouden ondergaan, van het fok- en houdverbod uit te zonderen. Een dergelijke gedragstest was op dat moment nog niet beschikbaar. Deze is inmiddels in opdracht van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij ontwikkeld. Gelet op de ontwikkelingen in de afgelopen jaren en de gebeurtenis in Amsterdam acht ik voor de eerdergenoemde vier rassen de agressietest als intrument onvoldoende doeltreffend. Honden behorend tot deze rassen beschikken over zodanige fysieke capaciteiten, een zware bouw met sterk ontwikkelde kaken, dat zij ernstig letsel bij mensen en dieren kunnen veroorzaken. De vorm van de kaken brengt ernstige verwondingen teweeg, die voor kinderen fataal kunnen zijn. Naast deze fysieke aanleg zijn deze honden in aanleg agressief van karakter. Door het fokken met deze honden kan deze eigenschap worden versterkt. Voor sommige fokkers en houders zijn met name deze karaktereigenschappen bepalend voor de keuze van de ouderdieren en is het fokken erop gericht de agressieve aanleg in de volgende generatie sterker tot uitdrukking te brengen. Zoals ook in de praktijk is gebleken, maakt de combinatie van lichaamsbouw en agressief karakter deze honden zodanig gevaarlijk, dat dit noodzaakt tot overheidsingrijpen dat al op korte termijn effect sorteert en waarvan in het belang van de openbare orde en veiligheid een duidelijk signaal uitgaat. Hieraan kan de inmiddels ontwikkelde agressietest voor wat betreft de eerdergenoemde vier rassen niet voldoen. In de praktijk zou toepassing van deze test betekenen dat alleen honden van deze rassen die met goed gevolg een agressietest hebben afgelegd, zou mogen worden gefokt. Met een dergelijke maatregel kan dus wellicht op langere termijn worden voorkomen dat door het fokken de agressieve aanleg in volgende generaties wordt versterkt, maar de fysieke capaciteiten veranderen hierdoor niet. Dit betekent dat de nakomelingen op termijn weliswaar qua aanleg minder agressief kunnen zijn, maar dat zij qua lichaamsbouw nog steeds in staat zijn bijtincidenten met zeer ernstig letsel te veroorzaken. Van een waarneembare verandering in het gedrag van deze honden op straat zal dus ook op langere termijn sprake zijn. Daarnaast kan de agressietest niet verhinderen dat honden in het buitenland op agressie worden gefokt en vervolgens binnen Nederland worden gebracht. De combinatie van fysieke capaciteiten en agressieve aanleg die de honden van de vier betrokken rassen zo gevaarlijk maakt, onderscheidt deze honden ook van andere rassen, zoals de Rottweiler en de Belgische Herder. De Rottweiler beschikt weliswaar over dezelfde lichaamsbouw, maar vooralsnog is mij niet bekend dat er binnen dit ras bewust op agressie wordt gefokt. De Belgische Herder is zelfs qua lichaamsbouw niet met de onderhavige hondenrassen te vergelijken. Vooralsnog heb ik derhalve het voornemen om met ingang van 1 juli 1999 een wijziging van de Regeling Agressieve Dieren in werking te laten treden, op grond waarvan een fok- en houdverbod zal gaan gelden voor honden van het ras Dogo Argentino, Fila Brasiliero, American Staffordshire Terrier en Mastino Napoletano. Voor wat de inhoud van de voorgenomen wijziging vande RAD betreft, zal qua systematiek worden aangesloten bij de Pitbull-regeling. Dit komt erop neer dat het vanaf het moment van inwerkingtreding het verboden is in Nederland honden van de bovengenoemde rassen te hebben (houdverbod), te fokken (fokverbod) te koop aan te bieden of te verkopen. Voor honden van deze rassen die op dat moment reeds in Nederland aanwezig zijn, wordt een overgangsregeling getroffen, zoals destijds ook is geschied bij het Pitbull-verbod. Deze regeling houdt in dat het houdverbod niet van toepassing is op honden die met een speciaal identificatiemerk zijn geïdentificeerd, zijn geregistreerd, onvruchtbaar zijn gemaakt en buitenshuis kort ijn aangelijnd en gemuilkorfd. Voor een effectieve voorbereiding van de uitvoering in de praktijk acht ik een zorgvuldige voorbereiding van de uitvoering en controle van de regeling van wezenlijk belang. De datum van 1 juli is hierop afgestemd. Een fok- en houdverbod voor de genoemde vier rassen zal een krachtige impuls geven het gevaar te verminderen dat van deze honden kan uitgaan. De ontwikkelingen in de afgelopen jaren hebben echter aangetoond dat ook bij andere dan de hiervoor bedoelde rassen aandacht nodig blijft voor het risico van hondenbeten. De ontwikkelde agressietest kan in dit kader behulpzaam zijn het fokken met honden met een agressieve aanleg aan banden te leggen. Daarom zal ik het gebruik van deze test op vrijwillige basis stimuleren waarmee de kynologie kan voorkomen dat het fok- en houdverbod ook voor andere rassen moet gaan gelden. Verder zal ik in gezamenlijk overleg met betrokken partijen nagaan welke andere mogelijkheden er zijn om het aantal slachtoffers van bijtincidenten verder te verminderen. Daarbij zal extra aandacht worden besteed aan maatregelen om jonge slachtoffers te voorkomen. Zolang sommige fokkers en houders van honden het niet als hun verantwoordelijkheid zien om agressief gedrag van honden te voorkomen, ben ik helaas genoodzaakt bovenstaande maatregelen te treffen.

Brief Minister Apotheker - kenmerk DL19991204

datum 12-3-1999

kenmerk DL.19991204

Bijlage

In vervolg op mijn brief van 16 december 1998 informeer ik u verder over mijn aanpak van gevaarlijke honden. Mijn voornemen voor een fok- en houdverbod voor honden van het ras American Staffordshire Terriër, Dogo Argentino, Fila Brasiliero en Mastino Napolitano heeft veel reacties losgemaakt bij met name hondenliefhebbers. Zoals er te verwachten viel, is er vanuit die hoek weinig begrip voor het verbieden van een aantal rassen. Zowel de dierenbescherming als de hondenwereld hebben mij uitdrukkelijk verzocht af te zien van een fok- en houdverbod en in plaats daarvande ontwikkelde agressietest toe te passen voor de betreffende honden. Argumenten die onder meer worden aangedragen zijn dat een fok- en houdverbod ook honden zou treffen die in aanleg niet agressief zijn, terwijl een agressietest de mogelijkheid biedt gericht maatregelen te nemen tegen individueel agressief gebleken honden. Voorts zou de maatregel verschuiving in de hand werken naar weer andere potentieel gevaarlijke honden. Tot slot wordt aangevoerd dat een verbod op de 4 rassen gericht is op honden in plaats van op de eigenaren en dat het aantal hondenbeten nauwelijks vermindert.

Met name de reactie van de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied in Nederland was voor mij aanleiding mijn voornemen nader te bezien.

Deze Raad heeft mij op 26 februari 1999 een compromisvoorstel over de toepassing van de agressietest voorgelegd dat voor een groot deel tegemoet komt aan mijn eerdere bezwaren tegen toepassing van deze test bij de betreffende honden. Daaruit blijkt dat de georganiseerde Kynologie - na een aanvankelijk terughoudende positie - bereid is stringentere maatregelen te accpeteren gekoppeld aan toepassing van de agressietest. Ik wil op grond van nadere bestudering deze opening benutten om mijn voornemen op de volgende onderdelen aan te passen. Daardoor zal er tevens - naar ik uit de reacties concludeer - mmer draagvlak voor de maatregel zijn.

Agressietest

Ik heb besloten voor de vier betrokken type honden een andere invulling aan het fok- en houdverbod te geven. In tegenstelling tot mijn voornemen van december vorig jaar zal het onder zeer strikte voorwaarden mogelijk blijven honden van deze typen in Nederland te blijven fokken en houden. Deze voorwaarden houden het volgende in. Voor alle honden van de betrokken typen zal gelden dat deze in Nederland mogen worden gehouden onder voorwaarde dat zij op voor publiek toegankelijk terrein kort aangelijnd en gemuilkorfd zijn. Met deze honden mag alleen worden gefokt indien zij met goed gevolg een agressietest hebben doorlopen. Met de agressietest waarbij een hond aan diverse meer of minder bedreigende omstandigheden worden blootgesteld, is het mogelijk honden te selecteren op hun bijtgedrag. Bijt een hond in deze test te vaak, dan heeft deze hond een lage bijtdrempel en zal er in het algemeen sprake zijn van agressieve aanleg. Door fokken alleen toe te staan met honden met een hogere bijtdrempel is het mogelijk op langere termijn de agressieve aanleg in een hondenras te verminderen.

Honden die met goed gevolg de agressietest hebben afgelegd en waarvan dus is gebleken dat zij een hoge bijtdrempel hebben, zullen ook worden vrijgesteld van de verplichting tot kort aanlijnen en muilkorven. Voor een goede controle en handhaving van deze regeling dienen de bovengenoemde honden geïdentificeerd en geregistreerd te worden. Honden waarmee niet zal of mag worden gefokt, moeten onvruchtbaar gemaakt worden om te voorkomen dat er toch met mogelijk agressieve honden wordt gefokt. De maatregel zal eveneens van toepassing zijn op honden die qua karakteristieken of uiterlijk met deze type te vergelijken zijn maar die niet beschikken over een stamboom. Aan het fok- en houdverbod zal evenals mijn eerdere voornemen vorm worden gegeven door middel van een wijziging van de Regeling Agressieve Dieren. Over de exacte uitvoeringsmodaliteiten van dit verbod zal ik mij nog beraden. Mocht in een later stadium deze opzet onvoldoende effectief blijke, dan zal ik niet aarzelen alsnog het fok- en houdverbod stringenter in te vullen.

Rottweiler
In mijn brief vn 18 december 1998 heb ik aangegeven dat de Rottweiler weliswaar over dezelfde lichaamsbouw beschikt als de vier hierboven genoemde rassen, maar zich daarvan onderscheidt, omdat mij vooralsnog niet bekend is dat binnen dit ras bewust op agressie wordt gefokt. Toch zijn Rottweilers verantwoordelijk voor ruim 20% van het totaal aantal beten in Nederland. Daarmee veroorzaken ze -absoluut en relatief gezien- de meeste hondenbeten. De bijtdrempel is blijkbaar lager dan bij honden van andere rassen, waardoor de hond relatief snel over gaat tot bijten met vervolgens risico op ernstig -ook dodelijke- beten. Ik ben daarom voornemens de agressietest tevens voor de Rottweiler verplicht te stellen, zodat voor Rottweilers hetzelfde regime gaat gelden als voor de andere rassen.

Importverbod
Ik wil voorkomen dat het fok- en houdverbod voor de bovengenoemde rassen leidt tot een verschuiving naar weer andere potentieel gevaarlijke honden die (nog) niet of op zeer kleine schaal in Nederland voorkomen. Daarom zal ik nagaan of er een noodzaak bestaat een importverbod in te stellen voor honden die in het buitenlandreeds voor problemen zorgen, maar in Nederland nog niet of nauwelijks voorkomen.

Aanvullend beleid
Mijn voornemen bestaat uit twee sporen: een fok- en houdverbod in combinatie met de agressietest en een preventief spoor. In mijn vorige brief heb ik reeds aangekondigd dat er een preventief spoor ingezet wordt, omdat ook bij andere dan de vier genoemde rassen aandacht nodig blijft voor het risico op hondenbeten. Ik heb nooit de illusie gehad dat een fok- en houdverbod van de vier genoemde rassen zou leiden tot een substantiële afname van het aantal hondenbeten in Nederland. Daarvoor betreft het een te kleine populatie honden.

Om het risico van hondenbeten in het algemeen terug te dringen is een aantal elkaar aanvullende maatregelen noodzakelijk die leiden tot een meer verantwoord fokken, een meer verantwoord houden en meer kennis bij eigenaren en omstanders over het gedrag van honden. Ik ben in overleg met de sector om een plan van aanpak te ontwikkelen voor deze problematiek, waarbijde aanbevelingen van de 'Stichting Consument en Veiligheid' (rapport 'Hondenbeten in kaart gebracht') betrokken worden.

In dit kader wil ik bevorderen dat de agressietest in eerste instantie op vrijwillige basis ingezet zal worden bij rassen die een lage bijtdrempel hebben, zoals de Belgische Herder en de Bull Terriër. In reactie op mijn voornemen hebben zowel de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied in Nederland als enkele andere rasverenigingen aangegeven de agressietest te willen gebruiken.

Daarnaast zal bij het plan van aanpak een traject worden ingezet, gericht op alle honden. Bijna de helft van de bijtgevallen vindt plaats in eigen huis. Honden worden teveel als lid van het gezin beschouwd, hetgeen tot problemenkan leiden. De andere helft gebeurt buitenshuis, waarbij bijna 70% van de ongevallen plaats vindt terwijl honden niet aangelijnd worden. Ruim de helft van de honden blijkt al eens eerder gebeten te hebben. Ik concludeer hieruit dat eigenaren zich onvoldoende verantwoordelijk voelen voor het gedrag van hun hond en dat zij zich onvoldoende realiseren welke risico's zijzelf of omstanders lopn door de wijze waarop zij met hun hond omgaan.

Zowel hondenfokkers als hondeneigenaren zullen zich meer verantwoordelijk moeten gaan gedragen. Ik zie daarbij duidelijk een rol weggelegd voor de georganiseerde kynologie om zich op dit terrein te positioneren en een actieve bijdrage te leveren om dit te bewerkstelligen.

De Minister van Landbouw Natuurbeheer en Visserij

drs. H.H. Apotheker

Hosted by www.Geocities.ws

1