De eenzame poema |
In de namiddag van zaterdag 1 mei 1993 draaiden ze de film 'The Lonesome Cougar'
op VTM, een lome Disney-film. Ik keek ernaar vanuit de zetel. De dag
ervoren was ik naar de judo geweest en ik voelde me nog te moe om een bad te
nemen. Boven lag mijn cursus sterkteleer open op de tafel, de examens kwamen
in zicht. Deze cursus was eigenlijk een copie van een copie van
handgeschreven bladzijden, en het eerste wat me bij elke bladzijde te doen
stond, was het handschrift ontcijferen en met een zwarte stift aanvullen.
Onnodig te zeggen dat ik er enorm tegen opzag om er al aan te beginnen.
In de voormiddag had ik buiten wat met Fons gespeeld. Het zonnetje was warm,
nog niet zomers warm, maar met de warmte van een lentezon die langzaam aan
kracht wint. Zo nu en dan bezorgde een licht briesje me nog kippevel, maar
het was toch aangenaam. Ik wuifde Fons uit toen hij een uitstapje naar zijn
vriendjes in de buurt ging maken. Hij keek nog even achterom terwijl hij
vanachter de haag verdween.
Terwijl ik binnen verder naar de film aan het kijken was, werd er aan de
voordeur aangebeld. Het waren twee kinderen die me ogenschijnlijk kenden. Ze
zeiden dat ik moest meekomen, omdat er iets was met een hond die misschien de
mijne was. Ik ben dan maar mee gegaan, op mijn slippers, naar de hoek van het
zijstraatje links op het uiteinde van onze straat. Ik hoopte dat ze zich
vergist hadden, en dat het niet Fons was. Maar het was wel hij die daar lag
in het gras, blijkbaar door een auto aangereden. Hij ademde nog, en ik probeerde
het bloed dat uit zijn neus kwam te stelpen. Aan de mensen rondom mij vroeg ik
een dierenarts te bellen. Maar het hielp allemaal niet meer, hij leefde nog
even, en is dan in mijn armen gestorven. Alsof hij op mij gewacht had, zoals
ik altijd op hem wachtte als hij tijdens onze wandelingen in het bos wat
achterbleef omdat hij wild geroken had. Ik heb hem in mijn armen naar huis
gedragen. Zijn bloed sijpelde door mijn T-shirt heen op mijn huid. De straat
was verlaten, met alleen wij twee in het midden ervan.
Thuis zat ik over hem heen in de keuken toen de dierenarts kwam. Op
onverschillige toon zei hij dat hij niets meer kon doen. Hij wilde Fons'
lichaam meenemen, maar dat heb ik geweigerd, en hij ging weg. Door de
deuropening hoorde ik hem nog tegen mijn schoonbroer zeggen dat ik in shock
was. Ik heb Fons dan naar de kamer gedragen en me bij hem neergeknield. Mijn
jongste zuster kwam nog langs en zette zich even in de zetel langs me. Ze
praatte met me, maar de woorden die ze zei drongen niet tot me door. Terwijl
ik zijn vacht streelde, zag ik enkele vlooien wegkruipen, alsof ze een
zinkend schip verlieten. In mijn hoofd was het alsof de zenuwbaantjes van
mijn hersenen een voor een met knetterend geluid stuk sprongen, zoals de
draden van gloeilampen. Binnen in me voelde ik waanzin, ik zag de kleur en
de uitgestrektheid ervan. Ik zette Submission van de Sex Pistols op,
alle versies die ik er maar van kon vinden in mijn platenkast. Waarom weet ik
niet, maar het duwde de pijn even weg.
In de vooravond werd zijn lichaam al stijf en wist ik dat het beter was om
hem te begraven. Ik wilde hem op een mooi plekje onder een den in de wei van
de ganzen begraven. Enkele weken voordien had ik dat plekje nog bewonderd,
het korte gras onder de den met hier en daar een wilde bloem. De ganzen
zouden zijn graf bewaken. In de droge grond maakte ik een put en legde zijn
lichaam erin, op een deken van stro en keukenpapier, onder het deksel van een
kartonnen doos. Nog eenmaal heb ik hem geaaid. Daarna vulde ik de put
met grond. Elke schop zand die in zijn graf neerplofte, maakte een kras in
mijn hart, sloot een deur die nooit nog zal opengaan. Ik vulde een
graf en waanzin vulde mijn leven.