Roze

                                    Zwanen

 

Hoofdstuk 1. Het Zwaard Van Calvijn

 

De vlaggen hingen uit buiten. Hij zat in zijn zitstoel, zijn vrouw was in de keuken. Hij had net het gras weer eens gemaait, wat hij wekelijks deed. Hij staarde naar buiten, naar de begroeiing op de muur. De metalen platen zaten er goed vast tegenaan, en daar groeiden de planten omheen. Dat kon hem niet wild genoeg zijn. Hij was altijd al geinteresseerd geweest in tuinieren, en hij had dan ook echt zijn eigen stijl, vurig, wild, maar ook piekfijn geordend. Het was een samenspel tussen natuur en mens. Hij had vroeger altijd bij de politie gewerkt, en daar ging het er eigenlijk hetzelfde aan toe : de buurt was wild, en de politie bracht orde, en zo was er een prachtig samenspel, heen en weer. De politie mocht volgens hem de soep niet te heet opdienen, en zo liet hij dan ook de natuur in zijn tuin een zekere vrijheid hebben. Wel hield hij alles goed in de gaten. Hij had een zekere strengheid als hij naar zijn tuin keek. Zijn vrouw kwam de huiskamer binnen met de koffie. Ze zeiden niks tegen elkaar. Het zonlicht golfde de kamer binnen toen zijn vrouw het gordijn iets verder opendeed. Beiden staarden ze naar buiten, de tuin in. De sproeier stond aan, het was een warme dag. Aan de dag scheen geen einde te komen. Zijn vrouw was aan het breien, en hij staarde maar. Geen woord werd er gezegd. Het leek wel alsof zijn denken vastzat. Hij hoorde het getik van de brei-pennen van zijn vrouw. Het leek wel alsof ze heel ver weg zat. Of kwam dat door de vele spullen die er tussenstonden. De tegels op de grond glansten in het zonlicht, maar ze werden er niet bruiner op. Het was een harde vloer. Je zou makkelijk wat kunnen breken als je erop viel. Er lagen ook wat tapijtjes in de grote huiskamer. Ze hadden een groot huis, een alleenstaand huis. Ook het fonteintje in de vijver stond aan. Hij worstelde zichzelf door de dag. Hij verveelde zich, maar wist niet wat hij moest doen. Hij bleef het tikken van de brei-pennen van zijn vrouw maar horen. Kinderen hadden ze niet, nee, ze waren tamelijk eenzaam. De man stond op en liep naar de kast, waar hij een fles sterke drank uittrok, en gaf zijn vrouw ook wat. Ze hielden wel van een borrel. Dat was goed voor het bloed, en dat hielp hen op de been. Eigenlijk leken ze in hun leven niet meer verder te komen. Ze waren in een nauw cirkeltje terecht gekomen, en gingen bergafwaarts. Ze leefden geisoleerd. Er was nauwelijks contact met de buitenwereld, en daar hadden ze ook geen behoefte aan. De tuin was alles voor hen, en hun woning. Zijn vrouw was vroeger arts geweest, voornamelijk kinderarts, maar moest later stoppen vanwege haar alcoholisme. Nu had ze het veel beter onder controle. Haar man hield de wacht over haar, maar liet haar nog wel genieten van een borreltje op zijn tijd. Toch waren de twee erg zwaarmoedig en hielden er een kerkelijk leven op na. De kerk was alles voor hen, voornamelijk op de zondag. Een grote bijbel lag naast de openhaard. Het geloof in God gaf hen rust, als een oase in de woestijn van hun ouderdom.

 

Op zondag na de kerkdienst fietsten ze samen naar huis. Het was warm weer. Maar al snel zaten ze weer in hun oude positie. Hij had niet veel behoefte om dingen te gaan doen, ook al verveelde hij zich. Hij trok zich op aan de structuur van zijn tuin en zijn huis, wat hij streng in de gaten hield. Het was als het werken in de tempel, alsof hij in de kerk woonde. Hij voelde zich een nauwlettende koster, en dat was hij vroeger ook geweest. Veel was hij bezig met zijn herinneringen, die hem ook half depressief maakten. Een heleboel dingen zou hij terugwillen, maar ze waren onbereikbaar. Het was een treurig stel, en velen zouden hen saai noemen. Als ze kleinkinderen zouden hebben, dan zouden die hier geen leven hebben. In zijn gedachten was hij altijd de tuin en het huis aan het maaien. De gelakte spulletjes waren als hun huisdieren. Maar het ging niet zo goed met zijn vrouw. Ze was aan het dementeren, en dat riep ook wel heel veel herinneringen bij hem op. Op een gegeven moment kon ze niet langer in huis blijven, en moest ze naar een verzorgings-tehuis. Hij kon dat moeilijk accepteren, maar hij had geen andere keus. Hij voelde zich al als een weduwenaar. Het was als een trauma in zijn hoofd, maar het kerkelijk leven beurde hem op. Hij wist dat zijn vrouw een verloren zaak was. Ook de tuin gaf hem rust. De maaiers in zijn hoofd waren nu als van vuur, als grillen. Hij had nu het gevoel dat hij de touwtjes nog strakker moest trekken. Nog steeds stonden de protserige spulletjes van zijn vrouw hier, de beeldjes, de hebbedingetjes, het antiek, en het gaf hem een gevoel van verbinding met haar. Aan de telefoon kon hij niet meer met haar praten, en ze wist nog nauwelijks wie hij was. Ze was aan het aftakelen tot aan het bot.

 

Hij ging meer en meer drinken, om het verdriet over zijn vrouw te vergeten, en bezocht kroegen voor het eerst in zijn leven. Het huis en de tuin werden wilder, omdat hij het onderhoud niet meer kon bijhouden, en het was voor hem ook geen prioriteit meer. Hij raakte verslaafd aan de fles, zoals zijn vrouw eens was. Hij kwam in het rijk der schimmen. De alcohol bracht hem een felle stem in zijn hoofd. Met het vele geld dat hij had schafte hij een bar aan in zijn eigen huis, helemaal voor hemzelf. Ook ontving hij vrouwen van lichte zeden aan huis. Maar deze tijden liepen snel ten einde, door het knagend kerkelijk geweten binnenin. De God in zijn hoofd sleepte hem naar het graf, en sprak hem ernstig toe. Hij probeerde zo min mogelijk na te denken, en weer begon het vele staren. Hij was zelf ook door maaiers omringd, de gouden maaiers van de kerk. Zij zouden hem veilig leiden tot aan het graf en tot de hemelpoort. De bijbel scheen hem weer nieuwe kracht te geven, en hij las er veel in, en spoedig begon hij ook zijn tuin en huis te onderhouden als nooit tevoren. Ook koken ging hem goed af, ook al waren het alleen maar de standaard-gerechten. Maar het was alsof iets hem van binnen aanvrat, alsof er een spin in hem leefde. Wat als hij niet een uitverkorene was van de God die hij diende ? Het zwaard van Calvijn sneed diep in zijn ziel. Hoe meer hij de bijbel las, hoe meer hij ook de duistere andere kant van het verhaal zag. Vooral na zijn wilde uitstapjes begon hij de hel meer te vrezen dan ooit. Misschien was de God die hij diende wel helemaal niet zo tevreden over hem. En velen waren geroepen, maar weinig uitverkoren. Hij kwam in de eerstegrote geloofs-strijd van zijn leven, en lijstjes over wie er allemaal niet het koninkrijk des hemels zouden beerven bleven hem kwellen tot diep in de nacht. Het was alsof hij door duiveltjes was gebonden. Misschien ging hij er iets te hypnotisch mee om, maar hij kon er niet van loskomen, totdat ook bij hem Alzheimer toesloeg.

 

Hij wist niet meer wat de bijbel was. Hij kon er uren naar staren, naar het kaft, maar wist het niet meer. Was het het dagboek van zijn vrouw ? Of het wetboek van de politie, was het pornografisch ? Was het onzedelijkheid ? Een enorme woede maakte zich van hem meester. Hij kon het zich niet meer herinneren. Wel wist hij dat het altijd heel belangrijk voor hem was. Was het een erfenis van zijn vader ? Waren het de liefdesbrieven van meisjes die hij in zijn jonge jaren kreeg ? Was het grootmoeders kookboek ? Een uitgelopen folder van de jehovah’s getuigen ? Een boek van een ons onbekende religie ? Was het een geschiedenis boek. Het zweet steeg hem naar het hoofd. Hij was bijna aan het klappertanden, aan het beven als een jong hondje. Was het een toverboek ? Nee, toverboeken bestonden niet. Een verzameling niet betaalde rekeningen ? Misschien was het van zijn vrouw ? Hij besloot het boek weer neer te leggen. In de kerk kwam hij niet meer. Hij voelde zich als levende achter tralies. Hij wist niet meer wie hij was. Hij werd als een wild dier.

 

Hij kon uren staren naar dingen, om zich af te vragen wat het was. Hij was de grip op de werkelijkheid kwijt. Het maakte hem kwaad, dat zijn hersenen hem in de steek lieten. Maar aan de andere kant kwam hij erg tot rust. Het leven was hier zwoel. Hij voelde zichzelf als levende op een tropisch eiland, badend in het warme zeewater. Het normale leven drong niet meer tot hem door, en waarom zou dat moeten ? Hij snapte de kaartjes die hij kreeg niet. Hij dacht dat het kokosnoten waren, of dat het herfst was. Weer wat blaadjes die van de bomen zijn gevallen. Soms probeerde hij ze op te eten, soms hing hij ze aan de muur. Sommige van die kaarten waren prachtig. Op een dag besloot hij zijn hele huis rood te verven, maar toen hem dat niet beviel verfde hij alles bruin. Het stond nog niet eens zo gek. Hij had wel stijl. Hij probeerde af te rekenen met het verleden wat hij maar niet begreep. Hij noemde zichzelf  ‘baas van de hel’. Ook dacht hij dat hij Calvijn was, maar hij wist niet meer wat Calvijn voorstelde. Hij droeg zijn oude politie-pak weer en was nu baas van de politie, iets wat hij overigens altijd al had willen zijn. Op een dag had hij even een flits in zijn hoofd. ‘Had Calvijn niet de bijbel geschreven ? Dit is mijn boek. Mijn agenda. Hierin staat wat er moet gebeuren.’ Hij greep de bijbel en liep ermee rond. Hij riep en schold, alsof hij een dictator was. Maar hij raakte in de war van zichzelf en plofte op de bank. Toen ging hij maar weer de tuin instaren. Hij werd er stil van.

 

In zijn hoofd regende het, en na een tijdje werd hij bedlegerig. Vreemde gezichten zag hij in zijn gedachten, die dan allemaal weer vermengd werden. Hij kon zich niets meer herinneren. Ondanks zijn ziekte had hij een goede tijd. In zijn gedachten waren bomen personen en konden spreken, en hij voerde lange gesprekken met hen. Hij betuttelde hen, omdat hij nu eens eindelijk zijn onderdrukte vader gevoel kon manifesteren. De bomen in zijn hoofd waren als zijn kinderen. ‘Jullie zijn de vrucht van mijn tuin,’ zei hij altijd. ‘Dan is het allemaal toch niet voor niets geweest.’ De bomen in zijn hoofd gaven hem zijn geheugen weer een beetje terug, maar op een hele andere manier, met een hele andere kijk op het leven. Maar de bomen in zijn hoofd begonnen te rotten en stierven. Het was een hevig gevecht, want hij beschouwde hen als zijn kinderen. Hij werd weer geconfronteerd met de dorheid van het bestaan, hij nam het stof waar, om hem heen. ‘Alles is een bende,’ zei hij. Het was een traumatische ervaring zijn kinderen te moeten verliezen. Er was een begrafenis-stemming in zijn hoofd. Maar bloesem scheen voort te komen uit het dode hout, vrouwen. ‘Mijn kinderen zijn gestorven,’ zei hij. ‘Hebben jullie hen niet kunnen redden ?’ Maar de vrouwen zeiden niks. Ze waren naakt. ‘Toe, trek wat aan,’ zei hij. ‘Anders sterven jullie zo van de kou.’

 

‘Wij gaan niet dood,’ zeiden de vrouwen. ‘Wij zijn de vlammetjes van het eeuwig leven. En wij gaan u weer jong maken.’

 

‘Oh, de bron van de eeuwige jeugd,’ zei de man. ‘Zo, zo.’ Maar de man werd steeds zieker. Zijn gedachten kwamen vast te zitten, en hij waande zich in de woestijn. Hij had niet eens de kracht een raam open te zetten. Er kwam een verzorgster langs, elke dag. Die moest dat maar doen. Ze wilden hem eigenlijk naar een verpleeghuis verplaatsen, maar hij wilde zijn huis niet kwijt. Zijn huis en zijn tuin, dat was alles voor hem, zijn tempel. ‘De goden hebben mij hier gebracht,’ zei hij.

 

‘U bent een kind van de goden ?’ vroeg de verzorgster.

 

‘Ja,’ zei hij triomfantelijk, ‘of hun vader.’ De verzorgster las hem vaak voor uit de bijbel, maar hij begreep er niet veel van. Hij zag er hele andere dingen in, en het raakte hem niet meer. ‘Wat een mooi sprookjesboek,’ zei hij altijd. ‘Het schuift maar, en het doet maar, en het komt maar nooit aan in mijn hart, maar het is een mooi gezicht, dat wel.’

 

‘Je bent zo mooi als mijn vrouw eens was,’ zei de man op een dag tegen de verzorgster. ‘Mijn vrouw was als een tuin, vol wonderlijke geheimen, en toen ik dacht, nu wil ik eindelijk dat geheim weten, toen ging ze weg. Ze werd van mij weggetrokken, naar een verpleeghuis. Maar ik had het boek nog niet uitgelezen.’

 

‘Veel dingen zullen nooit afkomen,’ zei de verzorgster. ‘Er is niet voor alles tijd.’

 

‘Is dat niet sneu ?’ vroeg de man. ‘Of misschien hoort het zo. Weet je hoe ik het bekijk, ik denk dat het verhaal in een ander boek verder gaat.’

 

De verzorgster knikt. De kamer was vol met de geur van de tuin, gloeiende rozenblaadjes, gloeiend in de zon, bijna schroeiend. Het leek alsof ze van binnen bloedden. ‘We zijn soldaten in de oorlog,’ zei de man. ‘We moeten ons pad zien te vinden. Zovelen weten niet wat hen te wachten staat, als ze dieper in de tuin van het leven komen. Alles sterft hier af.’ De verzorgster knikt weer. ‘Ja, we moeten op die andere frequentie zien te komen,’ zegt ze. ‘Want deze loopt dood. Het is een overgang, je voelt de stromen van de bloemen door de lucht heengaan om het pad voor ons te banen. Voelt u dat ?’

 

‘Ja,’ zegt de man. ‘De bloemen weten meer dan wij. Dat is waarom ik altijd van tuinen heb gehouden. Er zijn daar geheime gangen. Zij kunnen leiden tot de hemel.’ Midden in de nacht groef de man zich in in de grond. ‘Ik wil een bloem worden,’ zei hij. Het was tijd dat hij een plaats kreeg in het verpleeghuis. Hij had het niet meer in de gaten, dat dit niet zijn eigen huis was. Hij was zich niet echt bewust van de overgang. En de verzorgster zocht hem nog vaak op, en er was een prachtige tuin, nog wel prachtiger dan zijn eigen tuin ooit was geweest. ‘Wat is mijn tuin toch prachtig geworden,’ zei hij trots. En als andere mensen over de schoonheid van de tuin spraken, dan zei hij altijd : ‘Ja, ik heb er hard aan gewerkt. Het is niet voor niets geweest, al die lange jaren.’ Ook het huis zag er pico bello uit, en hij voelde zich als een koning. In het verpleeghuis werden ook kerkdiensten gehouden, maar hij zei altijd tegen de predikant dat hij de politie was. Hij begreep de werkelijke strekking van het verhaal niet meer. Mensen vonden het altijd een beetje vreemd als hij over zijn kinderen, de goden, sprak. Veel van de mensen daar waren toch wel diep gelovig. Hij kon verschrikkelijk opscheppen, en vaak had hij het hoogste woord. Over zijn vrouw die de hemelpoort zou zijn, en dat iedereen zijn vrouw moest aanbidden om in de hemel te kunnen komen. Maar eigenlijk wist hij niet goed meer wat de hemel was. Eens stapte hij op een andere man af met zijn glas, wees in het glas en zei : ‘Zie, daar is de hemel.’ En sommige mensjes waren erg goedgelovig.

 

Op een dag moest en zou hij preken. Hij duwde bijna de predikant weg van zijn plaats, ging staan en zei : ‘Geliefde broeders en zusters, wij, de goden, hebben vandaag besloten u op deze manier toe te spreken. U bent aangekomen in de hemel, gefeliciteerd. U mag elkaar de hand schudden en kussen.’ En enkelen begonnen dat ook te doen, maar anderen werden overstuur. ‘Ik ben de kapitein van het schip,’ zei de man. ‘En wie het daar niet mee eens is wordt overboord gezet.’ Na een tijdje luisterden ze allemaal aandachtig naar hem. Hij bedoelde het niet kwaad. Na een tijdje stapte hij op, maar al snel wilden ze hem weer hebben. Elke zondag wilden ze naar hem luisteren. Ook de verzorgsters en verzorgers vonden het interessant. Ze stonden ervan te kijken hoe snel hij opleefde in het verpleeghuis. Hoe hij zich vrijer voelde dan hij ooit was geweest. ‘Een groot profeet is opgestaan,’ riep een man eens tijdens zijn preek.

 

Hij heeft zijn oude levensstijl vergeten, zijn oude denkstijl, en kan niet meer terug. Hij heeft het gevoel dat er wat fout zit, en kan daar vaak kwaad om worden. Hij wil weer tuinieren, en wordt kwaad als het niet lukt. Een vreemd gevoel heeft zich van hem meester gemaakt, en vreet hem aan van binnenuit. Alsof er een spin in hem leeft, dodelijk, onvermoeibaar, met een duidelijk doel. En hij ligt verstrikt in het web. Wat kan hij doen ? Alle oplevingen zijn maar voor even, om daarna nog dieper weg te vallen. Hij bereidt zich voor op de dood, die maar niet komt. Als hij vrouwen ziet borduren, is het alsof zij hem van binnen prikken. Hij kan daar kwaad om worden. Hij raakt meer en meer geisoleerd van de anderen. Hij heeft zijn eigen kamer. Nog steeds denkt hij dat het zijn eigen huis is, en dat de anderen noodgedwongen bij hem logeren, want buiten is de grote zee, de vloed. Hij herinnert zich een oud kinderversje : Alle dieren twee aan twee, gaan met Noachs ark mee. Hij is er van overtuigd dat hij Noach is, en dat hij hen allemaal gered heeft met zijn ark, zijn huis. Maar nu heeft hij rust nodig. ‘Waarom ben ik zo moe in het paradijs ?’ vraagt hij zich af. ‘Is er soms een slang in het paradijs ? Ben ik gebeten ? Of is dit de hel, is dit mijn straf, ben ik niet uitverkoren ?’ Maar de religieuze verwarring maakt al snel weer plaats voor de grote trots over wat hij allemaal al heeft bereikt in zijn leven : kapitein op een schip. Hij wijt zijn religieus trauma aan een vroegere aanval van zeerovers. Die zouden hem op zijn hoofd hebben geslagen. Zijn geheugen gaat op en naar en maakt rare draaiingen. En dan valt hij op een dag helemaal in een grijs gat. Alles tolt voor zijn ogen. ‘De zeerovers,’ roept hij. ‘Ze hebben teruggeslagen.’ En dan zijn ineens zijn woorden niet verstaanbaar meer. In zijn hersenen gaat alles traag, alsof ze alles vermalen wat nog is overgebleven. Het is hem zwart voor de ogen nu. Hij kan zijn gedachten niet meer onder woorden brengen. Hij denkt dat hij overboord gegooid is, en dat vissen hem aanvreten, haaien. Hij zweeft op het randje van de dood. Hij ziet bloeidende tuinen, gloeiend, bijna schroeiend in de zon. Hij denkt dat hij dood is. Hij voelt zich alsof hij door een donkere gang met bloemen gaat. Hij kan met de bloemen spreken, ze verwelkomen hem. Maar dan is alle verbinding verbroken, en is alles zwart. Hij voelt zich hopeloos verloren, maar even later lijkt het alsof hij in een bloem ligt. De dood ademt hier.

 

Hij leeft weer in het verleden, alsof zijn vrouw er nog is, zijn zusjes, zijn vader en moeder. Zijn zusjes spelen op het plein. Ze zien eruit als popjes. Hij wil ze omhelzen, maar dan staat hij stijf. Zijn vader roept hem. ‘Zeg Noach, afwassen.’ Ook gaan ze naar de kerk. De stem van de dominee echoot door de kerkzaal. Hij zit weer op school. De leraren staan voor hun schoolborden, waaruit struiken komen om de kinderen mee te nemen. ‘Eindelijk,’ denkt hij. Al zijn nachtmerries komen terug, de struiken die hun dorens in de monden van jonge kinderen stoppen, en hen in hun tanden steken. En die dorens blijven daar zitten. En pepermunt wordt er in de kerk uitgedeeld, van de mintstruik.

 

‘Ik vraag jullie te luisteren,’ zegt de leraar.

 

-         Nee, zegt een kind.

 

‘Dan ga je maar naar de directeur.’

 

-         Geen sprake van.

 

Zo gaat dat altijd. Moe wordt hij ervan. Altijd en eeuwig die dictators. Slangen in het paradijs. Zijn hoofd is heet, zijn oude woede stroomt. Hij heeft zijn vrouw nodig, de poort naar de hemel. Maar hij is jonger nu, en speelt op het plein. De kinderen hebben ruzie. Honden in het paradijs. Ze rennen, ze zijn op jacht. Het zijn vuurbessen in zijn hoofd, de honden van gebrek. Hij ziet de engel des doods, zo vroeg al, zich mengende in het kinderspel. Zijn bittere klauw beroert het zoete kinderhart, en plant het trauma daar, als een pad leidende tot de dood. Zo zijn wij allen hier opgehangen. En op het huwelijk ? Trots kijkt zij hem aan, en dan wordt de spiegel ineens ingeslagen. De engel des doods is hier. Ruw worden kinderdromen verstoord, moeders en vaders gillen. De engel des doods vertrekt met het kind, met de pop, ramen inslaande, deuren intrappende, baant hij zijn weg. De engel des doods is hier, waar Maria haar niet kan tegenhouden. Het is een vrouw, het gezicht van een lerares, een dokter, een arrogante blik. Ze heeft haar lange reis gemaakt vanuit de hel om toe te slaan. De oogst van de hel is bijna rijp, hier staat zij met haar sikkel en zeis, als de Zwarte Maria. Hij smeekt haar het kind te sparen, maar koelbloedig neemt zij het kind mee.

 

Onbarmhartig heeft zij toegeslagen. Bij het zien van het leed verroerde zij geen vin, koud als de dood was zij. Haar angel vindt haar weg door harten, om te verwonden. Zij sluit geen compromissen, laat zich niet omkopen. Haar zwarte klauw komt om te grijpen en te doden. Zij komt om te breken, om dat wat alreeds zwak is gemaakt mee te nemen. Ze laat woede achter, onbegrip, verscheurde gevoelens, een doorboord hart.

 

In haar doolhoven zijn we verdwaald, in haar web verstrikt. De confrontatie is onvermijdelijk. Ze laat al haar wapens zien in een reflex. Ze heeft een dodelijke wond, want eens kwam ze haarzelf halen. De engel des levens kijkt haar goedkeurend en bewonderend aan, en we staan schaakmat. Is er nog een andere engel die meeleven toont, dan is dat een gevallen engel, en zo wordt alles weggestreept. Hij wil opstaan uit de kerk, maar hij kan het niet. De woorden van de dominee geven hem troost.

 

De koude hand voelt hij, die zijn schouder indrukt, het machteloze gevoel, de woede, maar het woord van de dominee is verzachtend, ontgiftigend, totdat de engel des doods weer toeslaat. Haar reis vanuit de de hel stopt hier. Hier neemt zij haar woning. Maria draagt een zwart kleed, haar soldaten hebben zwarte helmen, en die zwarte bessen moeten gegeten worden. Hij schreeuwt, vol woede, maar ze sluiten hem op. Een gevallen engel noemen zij hem. Een engel ? Wat is dat ? Heeft dat met een auto-industrie te maken ? En de bijbel, wat is dat dan ? Hij weet het niet meer, in zijn hersenen verliest hij grip. Er is een koud gat in zijn hersenen, glibberig, als besmeurd met uitwerpselen. Het is maar een darm. Voedselresten, niets anders, en een grotere vertering moet nog komen ? Of blijft het hierbij ?

 

Hij staat op straat, het regent. De stad lijkt bezaait met hondenpoep, en nu zwemt het rond in de regen die zich ophoopt op de grond. Kinderen hebben plezier in rubberbootjes. Hier hebben ze altijd van gedroomd. Diepliggende garages lopen onder. Hij kijkt rond. Hij heeft een paraplu. Zo maakt de bakker dus zijn brood, denkt hij.

 

Hij mag er wezen. Hij voelt zich vrij. Het is dinsdag. Hij loopt naar de brug over het smalle riviertje. Dan gaat hij de winkelstraat in. Hij leest een krant die in het regenwater drijft, althans dat probeert hij. Op zoek naar een gouden boodschap, maar al wat hij ziet zijn de eentonige, naargeestige boodschappen van de engel des doods. Met monotone stappen loopt hij verder. ‘Hier woonde Iris vroeger,’ bedacht hij zich. Maar hij loopt haastig door. Het water is hem bijna tot de knieen gestegen. De stad lijkt nu bezaaid met de uitwerpselen van honden. Het zijn de honden van gebrek, maar hij is gelukkig nu. De apocalypse kent hij nu, de schalen des hemels die over het verloederd volk wordt uitgegoten. Hier heeft hij zo lang op gewacht. En het regent maar door, en de dijken breken door, en hij klimt in een boom. Dit is de boom waar hij als kind altijd in speelde, waar hij zijn hutten had, en zijn eerste vriendinnetjes. De boom was nu veel langer. Ja, hij zou de zondvloed overleven. Deze boom, als de kroon van zijn tuin. Lange schaakstukken staan op de dijken.

 

Hij zoent met Klara, dan met Els, maar op Klara wordt hij steeds verliefder. Hij trouwt met haar, alles in het wit. De tuin is voor hem het belangrijkste. Die boom moet groeien, anders redden we het niet. Op de dijken en duinen loopt hij, de koppen afhakkende van lange schaakstukken. Zij zijn de weg naar de hemel niet, en hij is de politie. Het gaat om de boom. Maar nieuwe koppen komen uit de schaakstukken ploppen. Hij is in een gevecht met de engel des doods. En de engel des levens lacht. Ze waren zo verliefd. Hij ziet haar staan, bij de brug, Kirsten, zijn eerste liefde. Ze is in schitterend wit met allerlei hangende touwtjes. Hij komt dichterbij en de bliksem slaat hem. Ze staan bij een boom, een andere boom, en dan kussen ze elkaar. Een langere jongen gaat er uiteindelijk met haar vandoor, en dan wordt ze een popje van een andere tuin, vreemd voor hem. En de jaren daarvoor was de liefde in hem zo zwak dat hij alleen maar kon dromen. Er waren zoveel andere dingen in hem die hij veel belangrijker vond. Een auto was belangrijker dan een meisje. De juffrouw was belangrijker dan een meisje. De sterkste zijn was belangrijker dan een meisje. Het meeste hebben was belangrijker dan een meisje. Hij trok aan datgene wat de engel des doods vasthield. Hij wist niet wat het was, maar hij wilde het hebben. Een ongelovelijke kracht maakte zich van hem meester, een jeugdige kracht, en zij liet los. Hij hoorde een schreeuw, een gil. Hij hield de engel des levens in zijn armen. Hij trok haar door het inmiddels tot de nek gestegen regenwater. ‘Kom naar de boom,’ riep hij.

 

‘Wij weten allemaal wat de enige weg is,’ zei de dominee. Hij wist het niet meer. ‘Ja, maar de stad, de stad,’ riep hij.

 

‘Grijp de boom,’ riep de dominee. ‘Kus haar. Beklim haar. Ze is van jou. Ik verklaar u nu man en vrouw. En deze bijbel mag jullie huwelijk bezegelen.’ Hij wist niet wat de bijbel was. ‘Liefdesbrieven van Klara of van mijn eerdere liefdes ?’

 

‘Allemaal,’ zei de dominee. ‘Onderhoud nu je tuin.’

 

‘Bind haar aan de boom,’ riep iemand. ‘Trek haar op,’ riep een ander. Een politie-agent deed hem in de boeien. ‘Waarom heeft u deze vrouw opgehangen ?’

 

‘Ik probeerde haar te redden. Ik ben zelf een politie-agent,’ zei hij.

 

‘U moet voorkomen bij de engel des doods,’ zei de agent. Ze zat daar in de hal, vooroorlogs. ‘Nu is het oorlog,’ riep ze. ‘Je hebt het vuur van de goden gestolen, Prometheus, en aan de mensen gegeven. Je kent je straf.’ Een gier vloog op hem af, om van zijn lever te eten, die tegelijkertijd weer aangroeide. ‘Gier,’ zij hij. ‘Breng haar tot de ark, de grote boom, we missen nog een paar dieren.’

 

De gier vloog op haar af en greep haar.

 

Hoofdstuk 2. De Oase

 

Ze had satijn aan, als een popje. De juffrouw had alle kinderen onder haar macht. Als haar poppen waren ze, en ze behandelde hen goed. Alle jongens waren verliefd op de juffrouw, maar er waren belangrijkere dingen dan de juffrouw. Het jaar daarop kregen ze een nieuwe juffrouw, een verschrikkelijke, het tegenovergestelde van de vorige juffrouw. De nieuwe juffrouw was als de engel des doods, als een wild en gevaarlijk dier. En toch wist ze zich te gedragen dat jaar, en kwamen ze er heelhuids doorheen, en het was maar voor een jaar. De dag des doods was voorbij. Het schip triomfeerde in de haven, aan de kade. ‘Moet dat nou, al dat bloot ?’ vroeg zijn vader toen hij meer en meer ging tekenen.

 

‘Ja, open en bloot,’ zei hij. ‘Ik laat ze niks meer verbergen. Dieren zijn toch ook bloot ?’

 

‘Het is een onderwaardering van het vrouwelijke geslacht,’ zei vader. ‘Zie jij vrouwen als dieren ?’

 

‘Bomen staan toch ook bloot ?’ zei hij. ‘Het is onze enige redding.’

 

‘Nee,’ zei vader, ‘je weet wie onze enige redding is.’

 

Maar hij wist het niet meer. Hij was gefixeerd op de boom. De noot moest gekraakt worden, gepeld, tot aan de pit. ‘We hebben lang genoeg gewacht, vader,’ zei hij.

 

‘Jij groeit op voor galg en rad,’ zei vader.

 

‘En jij groeit op voor de kus van de engel des doods,’ zei hij tegen vader.

 

Maar het schip triomfeerde in de haven, aan de kade. De lage boompjes op de grond, de struiken in het diepe zand, warm zand was het, en het leek alsof ze allemaal bewust waren. Het zonlicht leek rinkelend. Hij kon het zich niet meer herinneren, en werd een treurig persoon. Hij wist snel niet meer wat bomen waren. Het dwaalde allemaal op hem heen. Hij lag vaak op bed. Hij was vaak moe, als gekust door de engel des doods. Een diersoort was het in zijn ogen, gemeen, opdringerig.

 

‘Praat niet zo over engelen,’ zei vader. ‘Het zijn heilige wezens.’ Maar hij wist niet meer wat heilig was. Er was een diep gemis in zijn hart, het knaagde. De somberheid van het alledaagse leven overspoelde hem, verlamde hem.

 

‘Trouw haar,’ zei de dominee. Het was zijn verlossing uit dat gezin. Klara dronk veel, en hij lustte ook wel een borreltje op zijn tijd, en steeds meer begonnen ze zich in hun huisje terug te trekken. Het was alsof ze alcoholische sappen aan de bomen konden onttrekken. Hij likte aan de bomen.

 

Zij was het schilderij in zijn huis, een schilderij van groen-metalen maaiers, waarmee hij wel over elke wilde haardos wilde gaan. De groen-metalen maaiers schitterden in het zonlicht. Het was een warme, mooie dag. Ze waren als de wachters van de engel des doods. Maar ze had haar betekenis verloren. Ze was als het ei op tafel. Het was paas-ochtend, de geur van het lijden na de dood, nieuw leven brengend. Zijn vrouw stond in de keuken. Hij staarde naar de tuin. Het zou een prachtige dag worden met veel zon. Er was geen krant vandaag, en op de televisie was er het levenslied. Zijn vrouw kwam even later met de koffie binnen, en ging toen zitten om te breien. Het was alsof hij alles weer opnieuw beleefde. Ze zat ver weg van hem, of dat kwam door de vele spullen die tussen hen stonden. Het huis stond vol met de dierbare spulletjes van zijn vrouw. Er werd niet veel gezegd. Het ging bergafwaarts met zijn vrouw, en snel werd ze door de engel des doods weggehaald. Een groot ei zweefde boven de vijver. Deze had zijn vrouw opgeslokt. Het was alweer pasen. Het jaar daarna was hij alleen. Hij at veel eieren, om iets van zijn vrouw terug te krijgen, maar hij ving veel bot. Hij liet schilderijen in zijn huis hangen, Franse schilderijen, met wulpse gestaltes die ’s nachts tot leven kwamen, tot hem kwamen, om hem te beladen met kerkelijke schuld. Hij wist dat er wat mis was met hem. Hij had aan bomen gelikt.

 

De nachten duurden lang, waren diep, waarin hij vele gesprekken voerde, naar de schilderijen staarde. Hij liet een bar plaatsen. De gestaltes van de schilderijen moesten zijn vrouw vervangen, de leegtes opvullen. Maar de kerkelijke prijs was hoog, een prijs die opliep tot aan pasen. Hij was de gekruisigde, hij was de engel des doods. Hij was voortijdig gekomen, gevallen was hij. Maar het grote boek begon de betekenissen te veranderen. Het was een draaiboek, een boek van rekeningen, en hij doneerde veel geld om zijn geweten los te kopen, uit deze hel. Hij was het zelf die die lange reis vanuit de hel had gemaakt, en nu was hij hier, met al zijn groengelakte maaiers. De tuin vroeg erom om gemaaid te worden, en het was een mooie dag. De tuin was klaar om haar oogst te geven. Hij greep, miste, en greep nog een keer, en was vereeuwigd in een schilderij. Hij met de zeis, gedood om te doden. De vlaggen hingen uit buiten. Hij herinnerde de verzorgster die kwam. Hij liet haar ook aan bomen likken, en zij werd als hem. Zij leerde van hem. Hij had een machts-positie. Zij aanbad hem omdat hij ouder was, en veelkleurig was. Voor haar was hij niet ziek maar vrij, een verlicht mens. Hij liet haar het schilderij zien waarop hij stond. ‘Is dat je grootvader ?’ vroeg ze.

 

-         Nee, dat ben ik.

 

‘Je lijkt veel ouder hier.’

 

-         Macht verouderd.

 

‘Wie heeft het geschilderd ?’

 

Hij zwijgt, en hangt het schilderij weer terug. Met pasen eten ze altijd samen paas-eitjes. Dan herinnert hij zich niks meer, en gaat terug in de tijd, zo ver, dat hij bij de witte lijnen aankomt. Als hij erover gaat zal hij sterven. Hij beweegt zich helemaal tot het randje van de laatste streep. Hij kijkt in de diepte van een reusachtig ravijn. ‘Hier wil ik niet sterven,’ denkt hij. Hij gaat terug, en hoort zijn vader en moeder tot hem spreken, hem betuttelen. Hij is niet vrij. Strak wordt hij opgevoed. Zijn vader bespeelt hem als een pop. Zijn moeder kan hem niet bereiken. Hij heeft een ei met vele stralen in zijn hart. ‘Alleen een vrouw kan me hieruit redden,’ denkt hij.

 

‘Wil je met haar trouwen ?’ vraagt de dominee.

 

‘Ja,’ zegt hij.

 

‘Dan is zij nu uw vrouw.’

 

De kerkdienst gaat verder. Zijn vader en moeder zijn verdrietig omdat ze hem kwijt zijn. Ze wilden hem in een hokje houden. De dominee neemt het hok over. Als dieren zijn ze in het schip van Noach, twee aan twee. Zijn vrouw kan goed naaien en breien. En borduren doet ze ook graag, maar het steekt hem. Het steekt hem dat ze toch ook zo ver weg is. Ze leven in verschillende werelden. Ze breekt zoveel van zijn hart weg, door haar geprik, als een spin die hem van binnen aanvreet. En met pasen zijn er nieuwe eieren. Hij is het paaskind, maar hij kan niet opnieuw geboren worden. Daarvoor zijn de banden te strak. De tijd brengt dood voort, geen leven. En hij gaat het tegemoet. Een vrouw moet hem redden. Zijn eigen vrouw is niet genoeg, het gaat niet diep genoeg, alhoewel ze diep steekt. Dan zijn daar de Franse schilderijen. Met deuren die ’s nachts opengaan. Hij leert hen bomen likken. Ze worden als hem, en kunnen niet meer terug. Ze zijn de stralen van het ei. Hij is de kapitein op het schip, en buiten loeren de haaien op hem. Ze willen hem naar een verpleeghuis brengen, net als zijn vrouw. Zijn vrouw woont nu in de haaien, als de prinses der haaien is zij. Ze hebben haar overboord gegooid. Hij zal hen vinden. Hij is de engel des doods, het ei met de vele stralen. Hij had niet moeten slapen, hij had zijn tuin moeten onderhouden. Nu is ze weg. De Franse soldaten hebben hun Napoleon gevonden. Hij steekt zijn maaiers in de fik, en is klaar om te gaan grillen. De honden van gebrek zijn in de stad. Nu is alles in vuur. Hij zal zijn vrouw vinden. Hij zal haar vinden in de haai die haar opslokte, en van die haai zullen ze hun boot maken. Maar zijn herinneringen draaien, en zijn ziedend, en dan weet hij ineens niks meer. Hij weet niet dat hij ooit een vrouw had. Hij heeft nu de gedachte dat ze er nooit is geweest. Ze probeerden hem iets op de mouw te spelden. Hij woont alleen. Zijn huis staat in een klein bos, met een bloemenveld. Hij woont hier eenzaam en verlaten, met zijn maaiers. Veel te maaien elke dag. Daar trekt hij zich aan op. En schilderijen zijn zijn passie maar zij zijn dood. En ook boeken zijn zijn passie, maar zij zijn dood. Hij houdt van de engel des doods. Het leven is te eng. Hij heeft een Maria-beeld naast de televisie, wat hij ooit heeft zwartgeverfd. Er is een lamp in geplaatst. Hij aanbidt haar, maar dan verdwijnt haar betekenis. Ook zij is dood. De dode kunst trekt hem aan, en het dode water der bomen, de alcohol. De lucht ruikt naar drop. Hij durft niet naar het toilet, daarom gebruikt hij een po die hij eens in de week verschoont. De po staat boven, en bakent zijn terrein af. Het beschermt hem tegen de wilde dieren van het bos. Hij staart uit het raam en ziet de uitgestrekte velden der vergetelheid. Hier zijn de witte strepen. En nu wil hij er echt voor gaan. Hij vecht, hij schreeuwt, hij overwint, en verliest dan. Beelden staan er in zijn huis, die het Christus-verhaal uitbeelden. Vaak gaat hij langs die beelden. Die beelden zijn als zijn huisdieren, veilig in de ark van Noach. De ark van Mozes heeft horens. Hij komt dichterbij, en de geur van wierook, drop en chocola overspoelt hem, maar ook de geur van hondenpoep. Hij grijpt de horens van de ark, maar wordt dan achteruit geslagen. Boven de ark verschijnt een ei met vele stralen. De ark verandert in een doodskist, en hij heeft het gevoel alsof hij in een lift zit, en wordt uitgestrekt als een sigaar in een sigaren-houder. ‘Ik ben een van de velen,’ denkt hij. ‘Velen zijn geroepen, weinig uitverkoren.’ Doodsangst overvalt hem.

 

Zijn hang naar materiele goederen wordt groter, die zijn hersenen bevriezen. Goud en metaal is zijn lust, edele metalen, het liefst gelakt. De badkamer is als een ark voor hem. Hij staart veel naar bijbeltaferelen op schilderijen, maar hij kan ze nauwelijks herinneren. Hij is alleen, in een koel huis. Hij strijdt tegen alles totdat het dood is. Het dode heeft de vlam van ander leven, elitair leven, fijngevoelige kunst. Maar hij kan dit leven niet opbrengen. Het hout om hem heen begint te rotten, het goud om hem heen begint te stinken, en het koele begint hem te steken. Een spin vreet hem aan, een groep dolle wolven. De honden van gebrek zijn hier, de honden van een duivels paradijs. Zij nemen hem mee naar het verpleeghuis, en zij gaan zijn huis bewonen. Zij hebben al zijn medailles afgenomen, om er zelf mee te pronken. ‘Alleen de duivel kan de duivel overwinnen,’ denkt hij. Hij weet nog nauwelijks wie of wat de duivel is. Hij ziet het als een wapen. Hij moet zich verdedigen, maar hij kan het niet. ‘Ik kan net zo goed Frans praten,’ denkt hij.

 

De juffrouw houdt hem stevig vast.

 

‘Wil je met haar trouwen ?’ vraagt de dominee.

 

Hij knikt verlegen. Als hij thuis is maait hij het gras. Zijn vrouw komt hem een hoog glas brengen. Later zitten ze in de tuin. Ze gaan vroeg naar bed. Zijn vrouw leest voor. Over de engel des doods wordt niet gesproken. Wel weten ze dat het een plaaggeest is. Dan gaan ze slapen. Zijn vrouw kust hem. Hij houdt haar hand vast. Zijn zusjes wonen bij hem in. Ze zijn paas-eitjes aan het beschilderen. Als hij het ziet krijgt hij er honger van. Zijn zusjes spelen vaak op het pleintje, waar ze spelletjes doen. Ook zijn ouders wonen bij hem in. Hij draagt het ei met stralen. In de nacht maait hij. Dokters nemen hem mee in de nacht, zeggende dat hij schizofreen is, een gevaar voor de samenleving, met zijn maaiers. Zij nemen hem mee en sluiten hem op, ver weg van het oog van zijn familie. Zij willen het ei met de stralen uit hem roven, maar zij kunnen het niet. Hij denkt dat zij buitenaardsen zijn. Van de planeet aarde schijnt hij nog nooit gehoord te hebben, en wil er ook niet zoveel mee te maken hebben.

 

Met hem schijnt het beter te gaan nu ze hem nieuwe pillen hebben gegeven. Hij is inmiddels in het ziekenhuis, op een speciale afdeling. Langzaam begint hij weer uit bed te komen. De zusters bewonderen hem vanwege zijn humor en zijn markante persoonlijkheid. Hij is bijna hun god. Hij wordt hier als een prins behandeld, als een prins die van het paard is gevallen, zoals hij dat altijd zegt. Snel heeft hij een vriendin, en zijn gezondheid verbeterd steeds meer, tot zo’n hoogte dat hij zelfs weer op zichzelf zou kunnen wonen. Met zijn vriendin krijgt hij ergens een woning hoog in een flat. Zijn vriendin is veel jonger, maar door de pillen verjongd hij ook. In zijn flatwoning voelt hij zich al snel als de prins van Bagdad. Door de pillen loopt zijn leeftijd zo drastisch terug dat hij op een gegeven moment nog maar twintig is. Het voelt heerlijk aan tussen de hoge flatgebouwen. Hij staart vaak naar de overkant. Hij voelt zich vitaal. Tussen de flatgebouwen door zijn de prachtigste rozentuinen, waar hij vaak doorloopt of langsloopt met zijn vriendin. Er hangt een beetje een oosters of Arabisch sfeertje, en dat bevalt hem wel. Maar de rozenstruiken groeien steeds hoger en worden steeds dichter, om zo de flatgebouwen te isoleren. Nu voelt hij zich als Doornroosje. Ze gaan verhuizen en krijgen een flatje aan het weiland. Op dit tijdstip begint het weer slechter met hem te gaan, ook al is hij twintig. Misschien dat nu de ouderdom toch echt toeslaat. Weer belandt hij in het ziekenhuis, maar hij voelt zich nog steeds de prins van Bagdad, en zelfs van heel Arabie. Hij staart vaak naar de stenen van het ziekenhuis die zo’n aparte kleur hebben. Vooral als het zonlicht erop valt heeft het een prachtig effect. Zacht roze is toch wel de mooiste kleur, denkt hij.

 

En als zijn vriendin bij hem op bezoek komt heeft ze zo’n mooie roze jurk. Ze neemt hem mee voor een wandeling langs het meer. De melkfabriek staat hier dichtbij en alles ruikt hier aangebrand. In zijn gedachten zweeft hij met haar over het meer, en roze zwanen volgen hen. Even later liggen ze beiden in het koele meer. ‘Zullen we naar de overkant zwemmen ?’ vraagt hij. Zijn vriendin vindt het best. Dat hebben ze al wel eerder gedaan. Achter het meer zijn de weilanden, en achter het weilanden is hun flat. Helemaal nat komen ze aan in hun woning. Maar hij zorgt dat hij voor het donker wordt weer in het ziekenhuis is. Ook al is hij nu dan weer in het ziekenhuis, deze laatste bladzijden van zijn leven zijn sterk en roze, als rotsen waarop hij kan bouwen. Hij voelt zich veilig hier, iets wat over hem waakt. De golfjes die hier aankomen brengen voornamelijk geluk. Een oase was over hem heengevallen, en dat was allemaal net op tijd.