Het Mysterie van het
IJskasteel
Berend en Albert hadden een vader die opgesloten was in een ijskasteel. Tante Audam kwam met de kinderen praten die helemaal overstuur waren. Ze hadden geen moeder meer, dus ze wisten niet waar ze naar toe moesten. Tante Audam zou ze mee nemen naar een andere tante die wel raad met hen zou weten. Ook zou deze tante kunnen helpen in de bevrijding van hun vader. Tante Jokebed woonde een paar stadjes verder. Tante Jokebed had een zoontje genaamd David. Ze zouden zolang bij David op de kamer slapen. Gelukkig had David een hele grote kamer. Tante Jokebed kende het ijskasteel wel. Haar man werd daar vroeger ook gevangen gehouden. Het had allemaal te maken met een hertog die in een kat kon veranderen. Hertog Kat-Anders heette die. Zijn echte naam was Paulus Wilhelmus de Vijfde. De vader van Berend en Albert had een aantal rekeningen niet betaald, en er waren nog wel meer dingen aan de hand. Hertog Kat-Anders zou voor de staat werken. Het was allemaal nog wel een geheimzinnige bedoeling. Vader was opeens verdwenen, en de ochtend erna vonden de kinderen een brief op de deurmat, waarop geschreven stond dat hun vader nu was opgesloten in het ijskasteel. Dat was een ijskoude, zeer gevreesde, oude gevangenis. De kinderen misten hun vader heel erg.
Tante Katrien had zich het lot van de kinderen ook erg aangetrokken, en kwam de kinderen vaak opzoeken. Soms nam ze de kinderen weleens mee naar haar huis, om te logeren. De tantes waren ervan overtuigd dat hertog Kat-Anders helemaal niet voor de staat werkte, maar dat het een misdaads-organisatie was. Vaak kwam de familie bij elkaar om te overleggen wat ze konden doen. Oom Joep zou weleens een kijkje willen nemen daar bij het ijskasteel, maar sommige tantes waren het daar niet mee eens. Het zou veel te gevaarlijk zijn. Maar oom Joep wilde zich niet laten kennen, en besloot er toch naartoe te gaan. Het ging immers om zijn broer.
Oom Joep ging er met de auto naartoe, maar werd door twee ridderachtige figuren met speren tegengehouden. 'Halt,' zei één van de ridders. 'U komt er niet doorheen. Verboden terrein.'
'Ik wil weten wat jullie met mijn broer hebben gedaan,' zei oom Joep.
'Dat kunnen we niet achterhalen,' zeiden de ridders. 'Er zijn hier teveel gevangenen om daaraan te beginnen.'
'Maar ik heb er recht op,' zei oom Joep. Maar de ridders wilden hem niet antwoorden. 'Mijnheer,' zei één van de ridders, 'nu moet u maken dat u hier wegkomt, anders laten wij u arresteren vanwege betreding van verboden terrein, en wegens het onnodig lastigvallen van het gezag.'
Oom Joep maakte rechtsomkeerds, en lichtte de familie in. Tante Jokebed kende iemand genaamd meester Ed Konijn, een meester in de rechten. Misschien dat die wel wat zou kunnen betekenen. Oom Joep wilde daar wel naartoe gaan samen met Berend en Albert. Het was al laat, maar door een telefoontje kon er nog wel wat geregeld worden, en ze waren meer dan van harte welkom. Meester Ed Konijn woonde diep in het bos. Toen ze aanklopten bij zijn huis deed een lange, gezette man met een lichte huidziekte de deur los. 'Komt u verder,' zei Ed. Even later zaten ze in een sjieke woonkamer met veel schilderijen en antieke meubels. Ook hingen er veel jacht-trofeeen aan de muur. De kinderen begonnen hun verhaal te vertellen over wat er met hun vader gebeurt was, en oom Joep sprak zijn vermoeden uit dat het om een misdaad ging.
'Dat is allemaal waar,' zei Ed Konijn. 'Het ijskasteel is het gevangenis-terrein van een misdaads-organisatie, maar niemand kan daar iets aan doen, zelfs de staat niet.'
'Maar waarom niet ?' vroeg oom Joep.
'Omdat ze te sterk zijn,' zei Ed Konijn.
'Leuke achternaam heeft u trouwens,' zei oom Joep.
'Dank u,' zei Ed Konijn.
'Kunt u ons helpen ?' vroeg oom Joep.
'Luister,' zei Ed Konijn, 'we lopen nu al gevaar omdat we hierover praten. We kunnen beter stoppen.'
'Ja, maar het gaat om mijn broer,' zei oom Joep, 'en zijn kinderen hier hebben hun vader nodig, vooral sinds hun moeder er niet meer is. Is er dan echt helemaal niets wat u voor ons zou kunnen betekenen ?'
'Ik vrees van niet,' zei Ed Konijn. 'En dat vind ik al vreselijk op zichzelf. Ik had u graag willen helpen.'
'U bent meester in de rechten,' zei oom Joep. 'U moet daar wel iets mee kunnen doen. We zijn hier toch niet voor niets gekomen ?'
'Dat is waar,' zei Ed Konijn. 'Hmm..., laat me eens zien. U zou met de hertog zelf kunnen praten. Ik geloof dat hij nogal wispelturig is. Hij heeft een vreemde soort van ziekte. Hij is een weerkat, wat betekent dat hij in een kat kan veranderen. Het heeft natuurlijk wel een risico, maar ik heb de indruk dat u dat risico wel wilt nemen.'
'Waar kunnen we de hertog spreken ?' vroeg oom Joep.
'Goede vraag,' zei Ed Konijn. 'Achter het ijskasteel is zijn huis. Het is daar niet pluis, dat kan ik u wel vertellen. Het spookt daar.'
'Bent u er weleens geweest ?' vroeg oom Joep. Het hoofd van Ed Konijn begon verschrikkelijk rood te worden. 'Eh..., daar kan ik niet over praten,' stamelde hij.
'Ach, toe nou, kom op,' zei oom Joep.
'Het is mij verboden daarover te praten. Beroeps-geheim,' zei Ed Konijn.
'En hoe kom ik daar ?' vroeg oom Joep. 'Want het ijskasteel is streng bewaakt.'
Ed Konijn stopte zijn hand in zijn zak en haalde er een kaartje uit. 'Zie, hier staat zijn telefoon-nummer op.'
Oom Joep nam het kaartje aan. De kinderen bleven die nacht bij oom Joep slapen. De volgende ochtend belde oom Joep op naar de hertog. Hij kreeg een bediende aan de lijn. 'Kom maar langs om acht uur vanavond,' zei de bediende, 'maar zorg er voor dat u niet langs het ijskasteel gaat. U moet regelrecht naar het huis van de hertog komen, aan de achterkant van het ijskasteel. Even werd er uitgelegd hoe te rijden, en toen wist oom Joep genoeg. Weer zouden de kinderen met hem meegaan.
Om precies acht uur kwamen ze aan bij het huis van de hertog. Er kwam al direct een bediende aanrennen. 'Waar heeft u uw koffers ?' vroeg de bediende.
'Wij hebben geen koffers bij ons,' zei oom Joep.
'Dus u komt niet logeren ?' vroeg de bediende.
'Nee, wij komen niet logeren,' zei oom Joep.
'Komt u maar mee,' zei de bediende ineens heel nors. Ze kwamen binnen in een grote hal. Aan de rechterkant was een lange gang. 'Loop deze hele gang uit, en klop dan vier keer op de deur aan het einde van de gang. De hertog verwacht u daar,' zei de bediende.
In de gang hingen veel schilderijen, en er stonden veel kastjes aan de zijkanten. Even bonkte het hart in de keel van oom Joep. Hij hoopte maar dat de hertog hem kon helpen. Bij de grote deur aangekomen klopte hij vier keer aan. Direct werd de deur opengemaakt, en een kleine man deed open. 'Geweldig, jullie zijn er al,' zei de man. 'Gaat u maar zitten.'
De kinderen vertelden hun verhaal, en daarna sprak oom Joep zijn vermoeden uit dat het om een misdaad ging.
'Ach welnee,' zei de hertog. 'Ik heb de papieren van deze man doorgekeken, van jullie vader, en uw broer, en deze mijnheer heeft nogal veel op zijn geweten, dus zijn gevangenneming is volkomen terecht. Ik kan daar verder weinig aan doen, sorry dat ik het moet zeggen.'
'Oh, en wat heeft hij dan gedaan ?' vroeg oom Joep, terwijl ook de kinderen begonnen te protesteren.
'Luister goed,' zei de hertog. 'Ik kan en mag daar verder niets over zeggen. De raad heeft beslist. Het is tegen de wet om daar zomaar vrij over te praten. U zou daar zelf ook gevaar mee kunnen lopen.'
'Ja, ja,' zei oom Joep. 'U kunt me nog meer vertellen. Wij als naaste familie hebben er recht op te weten wat er is gebeurd, en waarom hij opgesloten zit.'
'Rustig aan,' zei de hertog. 'Ik waarschuw u. U vraagt teveel. Ik ben niet gemachtigd hierover te spreken.'
'En wie heeft u de opdracht gegeven daarover te zwijgen ?' vroeg oom Joep die bijna stond te koken.
'Kan en mag ik u niet vertellen,' zei de hertog zuur.
'Het is alsof ik met mijn hoofd tegen een muur aanloop,' zei oom Joep.
'Het spijt me bijzonder,' zei de hertog.
'Is het waar dat u in een kat kan veranderen ?' vroeg Berend.
De hertog werd ineens erg zenuwachtig. 'Allemaal sprookjes,' zei hij. Hij begon op zijn horloge te kijken. 'Ik vind dat u nu moet gaan, u kunt beter gaan. Deze zaak is afgerond.'
'Afgerond ?' vroeg oom Joep woedend. 'We zijn hier geen steek wijzer geworden.'
'U kunt gaan,' zei de hertog, terwijl hij een wimpelend gebaar met zijn handen maakte.
'Ik laat het er hier niet bij zitten,' zei oom Joep, terwijl hij opstond.
'Dat kunt u beter wel doen,' zei de hertog, 'anders kunt u in grote problemen komen.'
'En wat voor problemen dan wel ?' vroeg oom Joep.
Maar de hertog zweeg.
De familie werd weer ingelicht, en ze zouden opnieuw bij elkaar komen. 'Nou,' zei tante Katrien, 'daar schieten we niet erg veel mee op.'
Ook was er een andere oom bijgekomen : oom Bakus. Oom Bakus zei dat de hertog zoveel macht had, omdat het land oorspronkelijk van zijn voorouders was. Zijn voorouders van ver terug bezaten het land, nog voordat er een staat bestond. Oom Bakus zei ook dat de hertog die macht samen met zijn broer had geerfd, hertog Hernandes. Volgens oom Bakus zou hertog Hernandes veel kunnen betekenen. Oom Bakus wist wel waar die hertog woonde, en wilde er wel met oom Joep en de kinderen naartoe. Ook tante Katrien wilde wel mee. Ze was van mening dat wanneer er meerdere familie-leden zouden meegaan, ze meer kans van slagen hadden. Oom Bakus belde op, en ze konden direct komen. Het was niet zo lang rijden. Het huis van hertog Hernandes was vele malen groter dan het huis van hertog Kat-Anders. Hertog Hernandes wachtte hen al op bij de deur. 'Zo, kom binnen,' zei hij met een warme, hartelijke stem. 'Kan ik jullie iets te drinken aanbieden ?' Even later zaten ze in een grote zaal, aan een soort eet-tafel. Ze kregen allerlei toetjes voorgeschoteld, en andere hapjes. 'Zo zo,' zei oom Bakus. 'Hier is veel werk aan besteed.'
'Ja,' zei hertog Hernandes. 'Jullie zijn namelijk mijn speciale gasten. Ziet u, die krijg ik hier bijna nooit. Alles gaat via mijn broer, Paulus Wilhelmus de Vijfde, oftewel hertog Kat-Anders. Ik ben wat minder bekend, denk ik. Ik ben blij dat jullie er zijn. Blijven jullie ook logeren ?'
'Dat is erg aardig van u aangeboden,' zei oom Bakus, 'maar we zijn hier eigenlijk alleen maar om wat belangrijke dingen te bespreken.'
'Nou ja, dat kan toch ook uitstekend alle dagen dat u hier verblijft ?' sprak hertog Hernandes. De kinderen begonnen weer als eerste hun verhaal te vertellen, en ze lieten duidelijk blijken hoe erg ze hun vader misten. Oom Bakus, tante Katrien en oom Joep spraken daarna hun vermoeden uit dat het om een misdaad ging. Ook vertelde oom Joep hoe hertog Kat-Anders reageerde. 'Ach ja, dat is typisch mijn broer,' zei hertog Hernandes. 'Ik snap jullie verhaal volkomen.' Toen bladerde de hertog wat papieren door. 'Ik zie hier duidelijk de reden waarom jullie familie-lid is opgepakt en gevangen gezet. Deze man heeft namelijk een gevaarlijke ziekte die maakt dat hij soms in een kat veranderd. Hebben jullie daar ooit iets van gemerkt ?'
'Niets !' protesteerde tante Katrien. 'Mijn broer zou zoiets nooit doen. Daar is hij helemaal het type niet voor, en dit is allemaal erg belachelijk. Te meer omdat deze verhalen juist over uw broer, hertog Kat-Anders, de ronde gaan.'
'Eh, dat moet een vergissing zijn,' zei hertog Hernandes ineens heel snibbig. 'En ik stel het niet op prijs dat u zo over mijn broer praat.'
'Daar kunnen wij verder niets aan doen dat die verhalen over uw broer de ronde gaan,' zei tante Katrien.
'Maar u hoeft dat niet op te noemen,' zei hertog Hernandes. 'Het is niet netjes. En u doet daar dan mee aan de verspreiding van verschrikkelijke leugens en ophitserij.'
'Zeg kom,' bulderde tante Katrien. 'Zo zijn we niet getrouwd, hè. U beschuldigt mijn broer ervan deze ziekte te hebben.'
'Het zijn de feiten, mevrouw,' sprak de hertog ineens kalm. 'Het is bij hem waargenomen, en daar kunnen u en ik of wie dan ook niets aan doen.'
'Pardon ?' zei tante Katrien. 'Zeg, pardon ? Daar hebben wij nooit iets van meegekregen, en dat hebben wij ook nooit gesignaleerd. Nogmaals is dat bij uw broer geconstateerd, niet bij mijn broer. U moet hier de dingen niet door elkaar halen.'
'Shhhh...' fluisterde de hertog hard. 'Daar moet u dus absoluut niet over spreken. Daar kan u voor worden opgepakt. Ik zal maar oppassen als ik u was. De muren hebben hier oren.'
'Ja, inderdaad,' zei tante Katrien spottend. 'En al zou mijn broer die ziekte hebben. Waarom zou hij daarvoor de gevangenis inmoeten ?'
'Omdat hij gevaarlijk is,' zei de hertog indringend. 'Zeer gevaarlijk. Weer-katten zijn een ernstig probleem wat niet onderschat mag worden. Het kan op een vervelend moment totaal verkeerd gaan, ziet u.'
'Nee, dat zie ik niet,' zei tante Katrien. 'Het is een schande dat u zo over mijn broer praat. U toont ons niet eens een degelijk bewijs.'
'Verdraaid,' zei de hertog. 'Al het bewijs is in deze documenten. Daaraan te twijfelen, en bovenal het officiele bewijs tegen te spreken, kan u in de problemen brengen. Ik kan u laten arresteren voor het tegenspreken van het gezag.'
'Belachelijk,' zei tante Katrien.
'In ieder geval,' zei de hertog. 'Uw familie-lid is in zo'n ernstige toestand dat ijs-verblijf noodzakelijk is, ver weg van zijn sociale omgeving. Het is voor uw bescherming. En praat ook verder niet over zijn ziekte, want de ziekte wordt namelijk in anderen opgewekt door er over te praten. Het is hyper-besmettelijk en heeft een psychische oorsprong. Weet waar u aan begint. Elk geval van weer-katterigheid moet zo snel mogelijk uit de samenleving verwijderd worden, en het hele geval moet in de doofpot gestopt worden, zodat het zich niet kan verspreiden. Kan ik rekenen op uw medewerking ?'
'Ik denk niet dat we hier ook maar een stap verder komen,' zei tante Katrien.
'En blijft u nog logeren ?' vroeg de hertog ineens enthousiast.
'Geen denken aan,' zei tante Katrien.
'We blijven wèl logeren,' zei oom Bakus. 'Katrien, jij mag naar huis, maar wij moeten dit gewoon doen. We hebben geen andere oplossing.'
'Zeer goed,' glimlachte de hertog.
'Nee, dan blijf ik ook wel,' zei tante Katrien.
Ze kregen allemaal hun eigen kamer. Midden in de nacht sloop oom Bakus naar tante Katrien. Ook maakte hij oom Joep wakker. Hij wilde op onderzoek uit in het huis van hertog Hernandes. In de eetzaal had de hertog de documenten laten liggen. Oom Bakus begon direct te bladeren en te lezen. Inderdaad stond er dat hun broer een ernstige ziekte had. Deze ziekte was vastgesteld door professor Eindricht. Ook gingen ze nog even op andere plaatsen zoeken, maar ze vonden niets wat ze konden gebruiken. De volgende ochtend werden ze vroeg wakker gemaakt door bedienden. De bedienden zeiden dat ze zo snel mogelijk moesten vertrekken. Er was verder geen uitleg bij, maar niemand had nog zin om ook maar iets langer te blijven.
'Wat een vreemd heerschap was dat,' zei tante Katrien in de auto. 'Ja, nog wel erger dan zijn broer,' zei oom Joep.
'En dat terwijl het allemaal zo goed begon,' zei oom Bakus.
'Ach, schijn bedriegt,' zei tante Katrien. 'En wie is nu die professor Eindricht ? Want hij moet hier allemaal veel meer over weten.'
Toen ze even later de kinderen bij tante Jokebed afzetten, en het haar vertelden, zei ze dat professor Eindricht in het ijskasteel werkte. Hij zou ook veel te maken hebben gehad met het oppakken van haar man. Daar werd ook altijd heel geheimzinnig over gedaan. Tante Jokebed wilde daar nooit over praten. En toen ze het haar weer vroegen wat er nu precies met haar man aan de hand was, zei ze dat ze daar niet over mocht praten. 'Begin jij nu ook al,' zei tante Katrien.
'Vreemd,' zei oom Bakus. 'In ieder geval wil ik graag met die professor Eindricht praten.'
'Doe het niet !' zei tante Jokebed luid. 'Je gaat daar erge spijt van krijgen.'
'Ach Jokebed,' zei tante Katrien, 'waarom zo hysterisch ? Hebben wij een andere keuze ?'
'Ik weet wat hij met mijn man heeft gedaan, en wat hij met ons allemaal kan doen,' zei Jokebed in paniek. 'Het is een gevaarlijke man. Hij kan onze hele familie in de vernieling brengen als we niet oppassen. Laten we een andere oplossing proberen te vinden.'
'Nee, Jokebed,' zei oom Bakus. 'Het is mooi geweest zo. Ik ben het zat. Ik wil precies weten hoe de vork in de steel zit.'
'Als je naar hem toe gaat, laat hij je niet meer gaan !' zei tante Jokebed luid. 'Je bent gewaarschuwd !'
Inmiddels was tante Audam ook gekomen. Zij kreeg ook het hele verhaal te horen. 'Kom nou,' zei oom Bakus. 'Ik laat me niet bangmaken.'
'Maar luister,' zei tante Audam. 'Jokebed heeft ervaring met hen. Haar man zat in hetzelfde schuitje. We kunnen beter naar haar advies luisteren, dan dat we op eigen houtje dingen gaan doen tegen deze gevaarlijke misdaads-organisatie. We mogen het niet onderschatten.'
'Ja, maar we moeten wat doen. Het duurt allemaal al veel te lang. Bodelang heeft ons nodig. Ik zal voor mijn broer blijven vechten, ook al moet ik mijn eigen leven en vrijheid daarvoor opofferen,' zei oom Bakus vastbesloten.
'Oh, jij bent gewoon dom,' zei tante Audam. 'Denk je dat Bodelang wil dat jij je leven in gevaar brengt ? Wij hebben je nodig. We kunnen niet ook nog eens jou missen. Berend en Albert hebben je ook nodig.'
'Maar meer dan dat : Ze hebben hun vader nodig,' zei oom Bakus.
'Bakus is mijn held,' zei tante Katrien. 'En ik ben bereid om met hem mee te gaan.'
'Geen sprake van, Katrien,' zei oom Joep. 'Jij blijft hier. Veel te gevaarlijk. En ik kan jou niet missen als er wat verkeerd gaat.'
'Schat,' zei tante Katrien. 'Dan ga jij toch ook gewoon met ons mee ? Samen staan we sterk.'
'Als jij gaat, dan ga ik ook,' zei oom Joep.
'Goed, dan gaan we met z'n drieen,' zei oom Bakus. 'We zullen die professor eens een lesje leren. Wie denkt hij wel niet dat hij is ? Dan kent hij ons nog niet.'
'Zeg, klets jij niet zo uit je nek,' zei tante Audam. 'En luisteren jullie nu eens even naar mij, want ik heb een niet al te fijne mededeling voor jullie. Jullie weten dat ik de oudste ben, hè ? En jullie weten dat ik Bodelang het langste ken, omdat hij na mij kwam, hè ? Tot mijn spijt moet ik jullie mededelen dat hij wel degelijk weer-katterigheid had, al vanaf zijn geboorte. Het gebeurde niet al te vaak, maar hij veranderde soms in een kat, en dan was het goed mis. Iedereen moest zich bergen.'
'Onze ouders hebben daar nooit een woord over gezegd,' zei tante Katrien. 'Dit is allemaal zottigheid.'
'Nee, dat is het niet, Katrien,' snauwde tante Audam. 'Onze ouders mochten daar nooit wat over zeggen. Dat was verboden. Je kon daarvoor opgepakt worden. Het was verboden over weerkatterigheid te praten, en daar moet je vandaag de dag nog steeds mee oppassen. Ik heb misschien nu al teveel gezegd, maar ik vond toch dat jullie dit moesten weten.'
'Laten we alsjeblieft stoppen hierover te praten,' zei tante Jokebed bijna smekend. 'We zullen pertinent in de problemen gaan komen als we niet stoppen. Alsjeblieft.'
'Al die onzin moet nu maar eens afgelopen zijn,' zei oom Bakus. 'Katrien, ik en Joep gaan met professor Eindricht praten.'
'Dom !' zei tante Audam luid. 'Heel dom, maar je moet het zelf weten.'
'Ja, heel dom van je,' zei tante Jokebed zachtjes. Oom Bakus had de telefoon gegrepen. Ze konden volgende week langskomen.
Het leek wel alsof de dagen eeuwig duurden. Oom Bakus stond te popelen om met de professor te praten. Eindelijk was het dan zo ver, en ze werden direct door de bewakers binnengelaten. Ze konden de auto vlak voor het ijskasteel parkeren. Door een grote deur konden ze naar binnen. Er waren hier allemaal wachthokjes waar bewakers zaten. Ook waren er veel militairen en agenten. Iemand met rechtopstaand blond haar kwam op hen af, in een hele lange zwarte jas. 'Eindricht,' zei hij snel, toen hij hen de hand aanreikte. 'Komt u met mij mee,' zei hij weer snel, terwijl hij een trap oprende. Het was een hele lange brede trap, die heel hoog voerde. In de verte was een hoge deur, waar hij doorheen rende. De deur was ook heel breed. 'Gaat u zitten !' schreeuwde hij. Oom Bakus, tante Katrien en oom Joep renden hem achterna. Wat ging die man snel, en wat praatte hij snel. Hij ging achter een groot zwart bureau zitten, en begon te lachen. 'Ja, haha, ik weet al waarvoor jullie komen. Familie-lid, hè ? Nou, hij is in goede handen hoor, dat kleine katje.'
Oom Bakus sloeg met zijn vuist op tafel. 'Ophouden met die onzin nu. Hoe lang moet hij hier blijven ?'
'Voor de rest van zijn leven,' zei professor Eindricht met een blij gezicht.
'Bent u gek geworden !' riep oom Bakus. 'En waarom lacht u daarom ?'
'Omdat wij goed voor hem zorgen,' zei de professor stralend.
'U bent gek,' zei tante Katrien.
'Shhh.... tut tut tut,' zei de professor. 'Zeg dat maar niet te hard, haha.'
'En waarom niet ?' vroeg Katrien nijdig.
'Daar kunnen de katten niet tegen,' zei de professor. 'Daar worden ze wild van, en gevaarlijk.'
'Nee, u bent gevaarlijk,' zei oom Bakus. 'U laat mijn broer nu vrij, of u zult wat gaan beleven.'
'Oh, geen denken aan,' lachte de professor. 'We kunnen hem veel te goed gebruiken ?'
'Voor wat ?' riep oom Bakus.
'Gaat u niks aan,' zei de professor. 'Allemaal geheim. Beroeps-geheim, staats-geheim, hoe u het ook wilt noemen.'
'U werkt niet samen met de staat,' zei oom Joep. 'U bent een misdaads-organisatie.'
'Misdaads-organisatie ?' lachte de professor. 'Wij doen proeven. Onze gevangenen bewijzen de voortgang van de wetenschap daarmee een grote eer.
'Proeven ?' vroeg tante Katrien. 'Maar dat is vreselijk.'
'Het is vreselijk, precies,' zei de professor. 'Maar als de wetenschap zich niet ontwikkeld is het nog veel erger. We moeten offers brengen.'
'Zeg, blijf met je handen van andere mensen af dan,' zei oom Bakus.
'Nee,' zei de professor, 'nee, nee. Ik denk dat u het verkeerd begrijpt. Wij zijn bezig om een medicijn te ontwikkelen tegen weerkatterigheid. Het is allemaal voor bestwil van uw broer.'
'Geef onze broer terug,' zei oom Bakus. 'Wij hebben nooit weerkatterigheid in hem gemerkt.'
'Waar heb je je ogen ?' vroeg de professor. 'Het wordt alleen maar erger met hem. Hij is bijna dag en nacht een kat.'
'Ja, ik zou ook een kat worden als ik hier zou zitten,' zei oom Bakus. 'Ik waarschuw u. Ik tel tot drie. Laat hem los.'
'Geen denken aan,' zei de professor. 'U heeft een gevaarlijke wens. U wilt weerkatterigheid terug in de samenleving. Ik kan u daarvoor opsluiten.'
'Mijn broer bedoelt het niet zo,' zei oom Joep. 'Hij is alleen een beetje overstuur.'
'Overstuur ?' vroeg de professor. 'Volgens mij begint hij zelf al vormen van weerkatterigheid te vertonen.'
'Daar kunt u dan beter niet over praten, want dan kunt u het ook krijgen,' zei tante Katrien.
'Ik ben immuun,' zei de professor.
'Hoe dan ?' snauwde tante Katrien.
'Een pilletje ?' zei de professor.
'Ik dacht dat er nog geen medicijn was,' zei tante Katrien.
'Geen medicijn om het te genezen,' zei de professor, 'maar wel eentje om het te voorkomen.'
'Waarom verspreid u dat medicijn dan niet ?' vroeg tante Katrien.
'Zit al in het drink water,' zei de professor, 'in de tandpasta, in het voedsel, in de shampoo, everywhere.'
'Hoe kan Bakus het dan nu ontwikkelen ?' vroeg tante Katrien.
'Nou, heel simpel,' zei de professor. 'Het zat waarschijnlijk al in zijn genetisch materiaal.'
'Ja, zo ken ik er nog wel eentje,' zei tante Katrien.
'Jullie zijn maar een gevaarlijke familie,' zei de professor. 'Ik zit eraan te denken jullie niet meer te laten gaan.
'Oh nee !' riep oom Bakus, 'oh nee !' Oom Bakus greep zijn buik, en begon in een zwarte panter te veranderen. Hij sprong op professor Eindricht af en beet hem in zijn nek. Toen veranderde hij weer in een mens, en riep dicht bij het oor van professor Eindricht : 'Jouw spelletjes zijn afgelopen. Geef ons nu onze broer terug, en allen die u onrechtmatig hier vasthoudt !' Professor Eindricht drukte al bloedend een paar alarm-knopjes in, en spoedig kwam er een heel legertje bewakers op hen af. Alweer veranderde oom Bakus in een panter, en ditmaal een veel grotere. Toen hij brulde grepen de wachters naar hun oren, en vielen op de grond. De panter rende in een reuze vaart naar beneden, en brak wat gevangenis deuren open. Weer veranderde hij in een mens, greep zijn broer, en rende met hem uit het kasteel, terwijl hij de anderen riep. 'Kom op, we moeten maken dat we hier wegkomen !' Al snel zaten ze in de auto.
Berend en Albert waren blij hun vader weer te zien.
Inmiddels was de man van tante Audam van een lange reis thuisgekomen. Ook hij kreeg het verhaal te horen, en deed mee aan de familie-samenkomsten. Deze oom Arend zei dat de weerkatterigheid waarschijnlijk een uit de hand gelopen vaccin was tegen de ziekte van weerman. De ziekte van weerman was een ziekte waarbij jongens soms veranderden in mannen, vooral 's nachts. Dan renden ze veelal de bossen in om te gaan jagen, en om op zoek te gaan naar elkaar. Dan vormden ze stammen, en maakten het bos onveilig, ook al waren ze gewoonlijks met het morgenlicht gewoon weer jongens. Veel families verloren hun zonen aan deze ziekte. Daarom werd het vaccin ontwikkeld, maar het had het bijverschijnsel van weerkatterigheid.
'Vreemd,' zei oom Bakus. 'Dan heeft onze familie waarschijnlijk heel vroeger aan die ziekte van weerman geleden, en hebben ze bij ons het vaccin toegedient.'
'Dat kan wel kloppen,' zei oom Arend. 'Bij mij in de familie speelde hetzelfde.'
'Wat moeten we nu doen dan ?' vroeg tante Katrien.
'In het buitenland zijn ze druk bezig met het zoeken naar een vaccin tegen weerkatterigheid,' zei oom Arend.
'Ach wat,' zei oom Bakus. 'Als ik die weerkatterigheid niet had, dan had ik Bodelang nooit uit het ijskasteel kunnen krijgen.'
'Ach, klets geen onzin, Bakus,' zei tante Audam. 'Als onze familie geen weerkatterigheid zou hebben, dan zou Bodelang nooit in het ijskasteel zijn opgesloten in de eerste plaats. Het heeft ons alleen maar in de problemen gebracht.'
'Dat is wel waar,' zei oom Arend, 'maar vergeet niet dat de familie waarschijnlijk was belast met een veel groter probleem in het verleden, waarin vele jongens de ziekte van weerman hadden, en de familie verlieten om in het bos te gaan wonen. 's Nachts groeiden hun baarden, werden ze langer, en gingen op jacht als bezeten wilde mannen, en ook vielen ze iedere onschuldige bezoeker van het bos lastig, met alle gevolgen daarvan.'
'En in het daglicht waren het gewoon weer jongens ?' vroeg oom Bakus. 'Ik zou maar wat graag mijn eeuwige jeugd hebben willen behouden, maar ik heb het waarschijnlijk verloren door dat stomme vaccin. Wat een idioterie, zeg. Het was waarschijnlijk gewoon een stukje natuur.'
'En ik ben mijn man verloren,' zei tante Jokebed.
'Die stammen waren vroeger de oorzaak van het grootste aantal vermissingen per jaar,' zei oom Arend.
'We moeten ons kunnen verdedigen tegen al die geleerden met hun proeven. Ik wil niet hun nieuwe proef-konijn zijn,' zei oom Bakus.
'Is er geen snellere manier om van die weerkatterigheid af te komen ?' vroeg tante Katrien. 'Door een soort recept van grootmoeder's geheim ofzo ?'
'Bestaan die stammen nog steeds ?' vroeg oom Bakus.
'Diep in de bossen waar geen kip komt,' zei oom Arend, 'en onder de grond.'
'Dus daar moet nog ergens familie van ons rondlopen ?' vroeg oom Bakus.
'Waarschijnlijk wel. Het vaccin werd alleen toegedient aan de verdere familie-leden die er nog waren, maar natuurlijk niet aan de stammen zelf. Die waren te wild, en onbereikbaar,' zei oom Arend.
'Ik wil er naartoe !' riep oom Bakus. 'Ik wil niet nog ouder worden, en ik wil mijn jeugd terug. Mijn weerkatterigheid zal een goed verdedigings-middel zijn, mochten ze willen aanvallen.'
'Hoe is de ziekte van weerman dan eigenlijk ontstaan ?' vroeg tante Katrien.
'Dat is nogal een lang verhaal,' zei oom Arend. 'De verre voorouders van de hertogen hadden een vreemde ziekte waarbij ze soms in hyenas veranderden. Lioporitus heette die ziekte. Ze hadden van alles geprobeerd om die ziekte uit te roeien, maar niets hielp. Ze waren bang dat het ook op andere families zou overspringen. Als voorzorg werden de families in hun naaste omgeving geinjecteerd met een vaccin. En dat vaccin had als bijwerking de ziekte van weerman.'
'Vreemd,' zei tante Katrien, 'maar wel interessant. Zijn er nog steeds mensen die deze ziekte hebben ?'
'Allen die deze ziekte hadden zijn inmiddels overleden, alleen een tweede broer van hertog Kat-Anders blijkt deze ziekte nog te hebben,' zei oom Arend. 'Het bestaan van deze broer is angstvallig geheimgehouden. Hij was met deze ziekte geboren, en heeft altijd geisoleerd diep in het bos gewoond. Hij is genaamd hertog von Brunsga.'
Het omweerde buiten. Er was een harde knal met een bliksemflits die midden in de kamer kwam. Iedereen was onder fel licht.
'Zijn broers zijn hartstikke bang van hem. In het geheim wordt het hele land door hem geregeerd, of zeg maar liever geterroriseerd,' zei oom Arend.
'Zeg Arend,' zei tante Jokebed, 'kun je nu alsjeblieft je mond dichthouden, want je brengt ons allemaal nog in de problemen.'
'Ik heb lang genoeg gezwegen,' zei oom Arend. 'En kom er maar voor uit dat je een spion van hertog von Brunsga bent, Jokebed.' Tante Jokebed trok haar pistool. 'Het is afgelopen, Arend. Draai je om, en leg je handen tegen de muur.' Binnen een paar minuten kwamen er agenten in het zwart binnen, die oom Arend in de boeien sloegen. 'Bedrieger die je er bent !' riep tante Katrien naar tante Jokebed. Nu richtte tante Jokebed ook het pistool op tante Katrien en oom Bakus. 'Doe geen domme dingen, Jokebed,' zei oom Bakus kalm. Er kwamen meerdere agenten binnen, en ook oom Bakus werd in de boeien geslagen. Ook tante Audam had een pistool getrokken. 'Jij ook al !' riep tante Katrien. 'Ook zo'n vuile bedrieger !'
'Ik wist het !' riep oom Arend, 'maar ik kon niet langer zwijgen. De familie is in groot gevaar. De hertog heeft zijn spionnen overal.' Ook Bodelang werd weer in de boeien geslagen, onder veel geprotesteer van Berend en Albert. 'Jullie blijven bij mij, Berend en Albert,' zei tante Jokebed.
'Nee !' riep Albert. 'Wij willen niets meer met u te maken hebben. U heeft ons bedrogen, en onze vader verraden.'
'Ze gaan met mij mee !' riep tante Katrien. Maar toen werd ook tante Katrien in de boeien geslagen. Oom Joep rende naar de achterdeur toe, rukte die open, en riep : 'Berend en Albert, we moeten hier ogenblikkelijk weg !' Berend en Albert renden achter hem aan. Snel renden ze naar zijn geparkeerde auto toe, en stapten in. Maar al gauw werden ze achtervolgd door agenten. Oom Joep deed de auto-lichten uit en reed het bos in. Het was nog net licht genoeg dat hij kon zien waar hij reed. Na een tijdje waren ze van de agenten af. Oom Joep wist dat hij niet naar zijn huis kon rijden. Hij reed naar een vriendin. Ze ontving hen direct hartelijk. Oom Joep vertelde wat er allemaal was gebeurd. De vrouw vertelde dat ze een verboden, illegaal boek had over hertog von Brunsga. Het was geschreven door een ex-agent die voor hem werkte : Klaas van Galen.
Ineens waren er agenten binnen. Oom Joep werd geboeid, en de vrouw. Albert probeerde weg te komen, maar werd gegrepen. Berend stond wat verder weg, en kon net door de achterdeur naar buiten ontsnappen. Hij rende de achtertuin in, en sprong in het riviertje. Snel zwom hij naar de overkant, en rende het bos in zo hard als hij kon. Hij rende zonder om te kijken, en na heel lang rennen kwam hij aan bij een verlicht gebouw. Hij rende naar binnen. Hij was helemaal nat. Daar stond een man. 'Wie bent u ?' zei de man.
'Ik heet Berend,' zei Berend. 'Wie bent u ?'
'Ik ben hertog von Brunsga,' zei de man. 'Ik zal u wel even warme kleren geven.' Na een tijdje zaten ze samen in een warme kamer op sjieke stoelen aan een tafel. Berend had inmiddels andere kleren aan. Hij was nog steeds flink aan het hijgen. 'Zo, jij hebt zeker hard gerend, en lang. Waar was je voor op de vlucht ?' vroeg de hertog.
'Kan ik u niet vertellen, mijnheer,' zei Berend.
'Dat kunt u beter wel doen,' zei de hertog deftig.
'Ziet u, het gaat om mijn familie,' zei Berend. Toen vertelde Berend het hele verhaal. 'Maar ik heb absoluut geen hyena ziekte,' zei de hertog. 'Dat is echt een sprookje. Ik snap niet waar mensen zulke verhalen vandaan halen.'
'Ik weet het ook niet, mijnheer,' zei Berend. 'Maar regeert u het land in het geheim ?'
De hertog begon te lachen. 'Ach welnee, joh. Dat zijn ook allemaal verzinsels. Zodra mensen niet veel weten over iets, beginnen ze te fantaseren.'
Berend wist niet meer wat hij moest geloven.
'Ik vind het heel vervelend voor je dat dit allemaal met je familie is gebeurd,' zei de hertog. 'Mijn andere broers regeren het land ook niet. Dat doet de staat, maar dit kan heel goed allemaal een misdaad zijn.'
'Maar twee tantes waren ontmaskerd als spionnen voor u. Hoe kan dat dan ?' vroeg Berend. 'Ik snap er niets meer van.'
'Misschien dat iemand zich voordoet als mij, of ze gebruiken mijn naam zonder mijn toestemming,' zei de hertog. 'Het land is inderdaad niet pluis, en daarom houd ik me er allemaal ver vandaan. Zoveel bedrog gaande. Je mag hier wel zo lang wonen, totdat dit allemaal opgelost is.'
'Ik durf niet meer terug,' zei Berend, 'dus heel graag.'
'Dat kan ik me voorstellen,' zei de hertog. 'Wat een spookhuis daar, zeg.'
Berend kreeg een eigen kamer, een hele grote. Er hingen veel jacht-trofeeen en vreemde schilderijen aan de muur. Midden in de nacht werd hij wakker van een vreemd geluid. Plotseling stond er een hyena in zijn kamer. Hij wreef in zijn ogen. 'Wat is dat nou ?' zei hij slaperig. Hij kneep in zijn arm om te controleren of hij wel echt wakker was. De hyena kwam steeds dichterbij. Toen ineens begon de hyena hem te likken. 'Jij bent wel heel lief,' zei Berend.
De volgende dag vertelde Berend aan de hertog over de hyena. 'Wat vreemd,' zei de hertog. 'Dat heb ik hier nog nooit gezien.'
De volgende nacht werd Berend weer wakker diep in de nacht. Twee agenten stonden naast zijn bed. Berend schrok, en riep meteen hard om hulp. Direct stormde de hertog zijn kamer binnen. 'Zeg heren, wat moet dat daar !' riep hij. 'Laat onmiddelijk die jongen los.'
'Dat is hertog von Brunsga,' zei Berend.
'Ja, ja,' zei één van de agenten. 'Dat zeggen ze allemaal, dat ze hertog von Brunsga zijn. Meekomen, jongetje.'
Maar toen begon de hertog in een hyena te veranderen en sprong de agenten naar de keel. De agenten wisten niet hoe snel ze weg moesten komen. Toen veranderde de hertog weer in een mens. De hertog was erg verbaast. 'Zeg, dat is mij nou nog nooit eerder overkomen.'
'Misschien heeft u wel een speciale gave,' zei Berend.
'Misschien wel,' zei de hertog. 'Het kwam in ieder geval goed van pas.'
'Ik voel me wel veilig bij u,' zei Berend. 'U kan mij in ieder geval beschermen.'
'Ik kan soms erg boos worden,' zei de hertog, 'maar dit heb ik nog nooit meegemaakt.'
'Ik vond het wel tof,' zei Berend. 'U had die agenten goed te pakken.'
'Oh, ze kunnen zo vervelend zijn,' zei de hertog, 'maar ze hebben nu een koekje van eigen deeg.'
'U bent een aardige man, hertog von Brunsga,' zei Berend. 'Veel aardiger en zorgzamer dan uw broers, en minder saai.'
Maar na een tijdje hoorden ze geluiden van auto's en busjes buiten. Ze keken uit het raam, en zagen een heel leger van agenten staan. 'Lever de jongen uit !' werd er geroepen. De hertog opende een raampje en riep : 'Geen sprake van. Daar komt helemaal niks van in. Wie denken jullie wel niet wie jullie zijn ?'
'Het gezag !' riep een agent. 'We hebben ordes van hertog von Brunsga !'
'Maar dat ben ik zelf, oelewapper !' riep de hertog.
Er werden ramen ingeslagen, en de deur werd ingetrapt. Even later rende een heel leger van agenten naar boven naar de kamer van Berend, waar ze nog steeds waren. De agenten renden op de jongen af, en wilden hem grijpen, maar in één klap veranderde de hertog in een grote massa van grote hyenas. Wel honderden hyenas sprongen op de agenten af, en renden naar beneden om ook de agenten die nog buiten stonden aan te vallen.
'Stop, stop !' riep een agent. 'Dit moet wel hertog von Brunsga zelf zijn. Dat kan niet anders ! Het is een weersplitser. Dat kan alleen hertog van Brunsga. Ren voor je leven, en maak rechtsomkeerds !'
Maar het was al te laat. Vele agenten lagen bloedend op de grond. De hyenas hadden geen medelijden. 'Stop alstublieft,' huilde een agent. 'We zullen alles voor u doen, wat u maar wilt. We weten nu dat we een grote vergissing hebben begaan.' Ineens kwamen alle hyenas weer bij elkaar als in een storm, en er was een enorme donderslag die ook het hele gebouw verlichte, zo sterk dat het leek alsof het gebouw in de vlammen stond. Ineens stond de hertog voor hen, en waren de hyenas verdwenen. De hertog stond daar in de rook. 'Zo heren, ik zal jullie direct vertellen wat jullie moeten doen,' zei de hertog. 'U gaat direct de familie van deze jongen vrijzetten uit het ijskasteel, en u gaat hen hier naartoe brengen. U zult hen met respect behandelen en geen haar op hun hoofd krenken. De jongen is genaamd Berend, en zijn familie-leden heten : Albert, zijn broer, en Bodelang, zijn vader. En dan zijn oom Bakus, zijn tante Katrien, zijn oom Arend, zijn oom Joep, en de vriendin van oom Joep. Verder wil ik dat u Jokebed en Audam, twee tantes van Berend, ontslaat, en laat opsluiten in het ijskasteel.'
'Komt voor elkaar, hertog von Brunsga,' zei de agent. Hij had het snel allemaal even opgeschreven, en vertrok toen met de andere agenten. Een paar uur later kwamen degenen die waren vrijgezet aan. Een agent had ze met een busje gebracht. De agent vertrok direct weer. Berend was erg blij zijn familie weer te zien, en omhelsde ze. De hertog legde hen later uit hoe de vork in de steel zat.