De Prins en de

Rode Zee









Hoofdstuk 1. De Kronieken van Prinses Mekka

Hoofdstuk 2. De Ontmoeting met Sopraan

Hoofdstuk 3. De Zwarte Wachter

Hoofdstuk 4. Het Dansende Jongetje

Hoofdstuk 5. Het Land van Trol

Hoofdstuk 6. De Trollensleutel

Hoofdstuk 7. Het Overbruggen van de Eindeloosheid

Hoofdstuk 8. De Tweede Rivier

Hoofdstuk 9. De Rode Zee




Hoofdstuk 1. De Kronieken van Prinses Mekka


'Saturnus, met je paarse sneeuw,

Die diepe slaap brengt telkens weer,

Twee sterren in een steen,

Met Sirius vormde jij een grote zee,

De zee van Eldemor, waarop de aarde slaapt,

De sluier van paarse sneeuw die over haar waakt,

De ruiter van Eldemor rijdt over de golven,

Totdat het roze ons allemaal doet ontwaken,

In de droom van de rode zee,

Golf na golf komt het,

Slag na slag,

Omdat het rode op ons wacht.'



Op Saturnus lag een land van overweldigende pracht, van subtiele, ordenende gevoeligheid voor ritueel, ritme en regelmaat, bijna met een aangeboren vertrouwen in de hogere orde van de dingen, het hogere archief van bovenmenselijkheid, een paar stappen verder in evolutie dan de aarde. Boven op een trap was een klein meisje aan het huilen. Ze had een oude, kleine pop in haar hand. De tand van de tijd had haar beroert, en ze vertaalde dat op haar eigen manier. Ze kon nog niet zien wat er gaande was, maar ze nam dat wat ze kon begrijpen. Het was teveel voor haar, en ze voelde zich ongeholpen, eenzaam, totaal afgezonderd. Ze miste de paarse sneeuw. Ze mocht nooit naar buiten. Dat zou te gevaarlijk zijn. De zwarte drakenruiters waren op rooftocht. Zij roofden kinderen. Medelijden hadden zij niet. Met grote hardheid en wreedheid verstoorden zij de dromen van vaders en moeders. Nu werden de kinderen binnengehouden, in de hoop dat de drakenruiters niet zouden aankloppen om het huis te doorzoeken. Hoe dit kon gebeuren heeft een duistere en droeve geschiedenis.


In een land op Saturnus, het district Onterio, waarin een gebied genaamd Orn lag, leefden een oude koning en koningin. Zij wilden al heel lang een kind, maar zij konden geen kinderen krijgen. Op een dag ging hun wens toch in vervulling, tegen alle verwachtingen in. De koningin werd zwanger en baarde een prinsesje. Ze noemden haar prinses Mekka.


Op Saturnus was het heel gewoon draken als huisdier te hebben. Vooral de wat rijkeren hadden vaak vele draken. Dit was niet zonder gevaar, maar gewoonlijks werden de draken goed getemt voordat ze als huisdier konden functioneren. Wilde draken die niet getraind waren mochten absoluut niet verkocht worden aan de gewone burger. Toch ging het niet altijd goed met de getemde draken. Ze waren nog steeds duistere, geheimzinnige roofdieren met een onvoorspelbaar karakter. Het temmen kon dus van heel bedrieglijke aard zijn. Een draak kon het gewoon meespelen, maar als hij de kans zag, zou hij kunnen toeslaan. Eigenlijk werden alleen de goedaardige draken gebruikt voor de gewone burger, maar een draak kon plotseling veranderen, of zijn ware aard laten zien.


Als Lydia, de koningin van Onterio, wonende in Orn, het kon overdoen had zij haar dochter nooit een draak gegeven. Zij, en haar man, koning Azabarar, hadden hun dochtertje op jonge leeftijd een draak als huisdier gegeven, zodat het prinsesje vertrouwd kon raken met de dierenwereld. De kleine draak, Saubar, stond bekend als een goedaardig dier, goed voor kinderen ook. Met draken kon je vaak een diepe vriendschap opbouwen, en het hielp kinderen om sociale vaardigheden aan te leren. Al snel hadden het prinsesje en de draak Saubar een hechte band. Zij kon zelfs rondvliegen op de draak, alhoewel Saubar was getraind niet hoog te gaan met kinderen. De draak had een gele, bijna gouden huid. Het meisje hield ervan de huid van de draak te strelen. In de winters kleurde zijn huid altijd paars, terwijl het onder zijn vleugels wit werd.


Helaas werd de draak ernstig ziek en stierf. Als troost werd een andere draak aan het meisje gegeven : de draak Oros. Oros was een goed getemde draak, getemd door de beste drakentemmers van Onterio. Hij leek heel goedaardig, maar sloeg toch plotseling om. Hij was getraind om laag te blijven vliegen met kinderen, maar hij nam het prinsesje plotseling mee op een hele hoge en verre tocht. Hij vloog met haar de wildernis in, naar een berg, waar hij een grot binnenging, waar gevaarlijke, ongetemde draken leefden.


Het prinsesje werd sindsdien opgesloten gehouden. Koning Azabarar en koningin Lydia waren er kapot van, en sindsdien was koningin Lydia depressief. Er werden vele zoektochten gehouden, maar het prinsesje werd niet gevonden. De gruwelijkheden van haar gevangenschap zal ik u verder besparen. Sindsdien werden draken als huisdieren verbannen in het hele land Onterio. Ook werden er sindsdien vele aanvallen gedaan door wilde draken op de steden en dorpen van Onterio. Zij kwamen voornamelijk om kinderen te roven. Dit getal liep hoog op, en het werd zo erg dat kinderen tijdelijk niet meer buiten mochten spelen, omdat het te gevaarlijk was. Vaak werden er zwarte ruiters gezien die de draken schenen te berijden. Het was de tijd van de drakenruiters.


De broer van koningin Lydia, de oom van het prinsesje, en raadsheer van het koninklijke paleis in Orn vond dat het tijd was om de prins van Eldemor in te schakelen. Sopraan was er inmiddels achtergekomen waar de prinses verborgen werd gehouden.


In korte woorden vertel ik u dit, vanwege het grote en zware leed hieraan verbonden. De kronieken van prinses Mekka draag ik met mij mee.




Hoofdstuk 2. De Ontmoeting met Sopraan


Aan de zeeen van Eldemor zat hij. Zijn tranen waren van bloed, die zich mengden met het water. De zee was wild, en hij strompelde in het water, verder en verder, daar waar de golven hem meenamen. De golven waren zwart en paars, waar hij slaperig van werd. Hij droomde, alsof hij op een reusachtig schip was op de golven. Als een vogel vloog hij op vanuit de golven, terwijl de lichten van Saturnus op hem straalden. Ze bewogen hem, ze namen hem op.


Op de vleugelen van Saturnus was hij. Een beverig licht, bijna broeiend. Hij zag de bomen in de verte, die bijna naar hem leken te wuiven. De wind speelde met hun takken en bladeren. Plotseling was hij bedolven onder de bladeren. Hij zag prikkeldraad voor zich. Hij wist dat hij nu terugmoest, maar iets riep hem.


Michael was bij hem. Michael had zijn zwaard getrokken. Zoveel prikkeldraad was voor hen, hen bedreigende. 'Zoon van Eldemor, kom nader,' werd er geroepen. Het was een bulderende stem in de verte. 'Maar er is prikkeldraad !' riep hij. Toen was er even veel licht, alsof het prikkeldraad begon weg te smelten.


Door het wegsmeltende prikkeldraad kwam een man in een lang wit gewaad van heel fijne stof. De man had een lange baard, en stak zijn hand uit. Ook had hij een blauwe riem die paarsachtig aandeed.


'Sopraan is de naam,' sprak hij.


De prins van Eldemor veegde wat tranen van bloed uit zijn ogen weg, en schudde de hand van de man. In de verte hoorden ze het gehuil van wolven. Michael bleef toekijken op een afstand.



'De wolven huilen, omdat je gekomen bent,' sprak Sopraan.


'Waarom ?' vroeg de prins.


'Omdat je het eeuwige boek in je hoofd draagt,' sprak Sopraan. 'Het zit daar als een litteken, eens geslagen door een draak.'


De prins herinnerde zich het gevecht, waarin zijn hoofd verwond raakte. Het leek wel alsof de draak in zijn hoofd kon komen, en het brandwonden aanbracht op zijn hersenen. Dat was op de planeet Sirius, waar hij een prinses redde. Prinses Regenboog, ook wel Prinses Aurora genoemd. Hij nam haar mee naar zijn wereld, de aarde. Ze was een vrouw van rond de vierenveertig. Ze had zijn moeder kunnen wezen. Ze was een koppige vrouw, en dat had haar in de problemen gebracht. Om in zijn wereld te komen moest ze door een lange tunnel om haar geheugen en identiteit te verliezen, waardoor ook de draak de macht over haar zou verliezen, en ze zou opnieuw geboren moeten worden door een vrouw. Hevig had ze met hem gebekvecht, maar uiteindelijk zag ze in dat er geen andere weg was. Toen ze geboren werd in zijn wereld wilde ze hem en de vrouw die haar gebaard had niet aankijken. Telkens draaide ze haar gezichtje weg. Zou de draak nog steeds een zekere macht over haar hebben gehad ? Hij herinnerde het dubbele in haar. Hij zag ook haar kwaliteiten. Wie wilde er nu met een draakse vrouw in één huis leven ? Maar hij had geen andere keus, en hij hield ook van haar. Als baby was ze nog steeds koppig, maar verder wel rustig. Ze kon zo ineens toeslaan, en dan liet ze al haar registers los, en sloeg over een geheel andere boeg. Eens nam de draak haar mee, door haar wispelturigheid. Eens sprak de draak haar toe, vastberaden om haar tot één van zijn pionnen te maken. Maar de prins gooide roet in het eten, door het eeuwige boek in zijn hoofd. Al eerder had de draak hem geslagen. Hij kwam te dichtbij de heilige relikwieen van Sirius, relikwieen die het universum zouden kunnen veranderen. Hij was dronken geraakt van een hemels sap, en kwam tot diep in de tempelen van Sirius, waar hij zijn weg vond tot aan de heilige ark. Toen hij de heilige ark aanraakte werd hij weggeslingerd, en de draak blies op hem, om zijn hoofd zwaar te verwonden.


'In Sirius zal je grafstede zijn, in Sirius zal je scepter begraven worden,' siste de draak, maar de verwondingen zorgden er juist voor dat het eeuwige boek tot geboorte kwam in het hoofd van de prins. Het eeuwige boek was als een brullend monster in zijn hoofd, totaal verwilderd. Met het monster kon hij het slot openmaken van de kerker van de prinses. Waarom koos hij deze koppige vrouw ? Vanwege haar sieraad. Zij kon de bloemen laten groeien, de mist laten optrekken als een weergodin.


'Ik denk dat je niet helemaal begrijpt waar het om gaat,' sprak Sopraan.


De prins keek op. Hij was te diep in gedachten gezonken geweest. 'Ik weet waarvoor je bent gekomen,' sprak Sopraan. 'Je hebt de helft van een sieraad, en nu wil je de andere helft, om de draken voorgoed te verslaan. Ze zijn naar je op jacht, met hun trollenlegers, en nu zoek je hulp.'


De prins knikte, weer tranen van bloed uit zijn gezicht wegvegende.

'Is ze veilig ?' vroeg Sopraan.

'Wie ?' sprak de prins.

'De vrouw van de eerste helft van het sieraad,' sprak Sopraan.

'Ja,' zei de prins. 'Ze is bij mij, maar een beetje koppig.'


'Het sieraad is los van de andere delen. Daarom volgt het haar eigen weg, en het brengt haar in de problemen,' sprak Sopraan.


'Zoon van Eldemor, je vader was een elvenkoning, en je moeder een feeenkoningin,' sprak Sopraan. 'Nu, de draken hebben jouw familie verscheurt, door het familie-sieraad te verscheuren, om de buit te verdelen onder elkaar, maar doordat het sieraad van Eldemor niet hun eigendom was, hebben de verschillende afgescheurde delen van het sieraad wraak gezworen. Zij kwamen toen in de handen van zeven prinsessen, waarvan vijf gestorven zijn. Het sieraad werd deels hersteld, maar bestaat nog steeds uit twee delen. Eén deel is met jou, en het andere deel is hier.”


'Hoe krijg ik het sieraad ?' vroeg de prins.

'Het is met prinses Mekka, mijn nichtje,' zei Sopraan. 'Ook zij wordt opgesloten gehouden door een draak.'


'Alweer een draak ?' bromde de prins. 'Alsof we het nog niet met genoeg draken aan de stok hebben.'


'Vele draken,' zei Sopraan. 'Onthoudt dat zij je familie verscheurden.' De prins knikte. Hij herinnerde zich als de dag van gisteren hoe Gesim, de draak van Sirius, zijn vader, de elvenkoning vermoordde. Dit was een zwarte dag in de geschiedenis. De prins werd weer duizelig toen hij eraan dacht. Hij was zo jong toen dat gebeurde. Vanaf toen moest hij zijn vader elke dag missen. 'Die vieze gele draak,' dacht de prins bij zichzelf.


'Alleen jij kunt haar bevrijden,' sprak Sopraan. 'Jij draagt immers het eeuwige boek in je hoofd.'

Sopraan wenkte hem, en leidde hem naar een lange ondergrondse tunnel. 'Vijf dagen lopen,' sprak Sopraan, 'en dan kom je aan bij haar kerker. Maar Oros, de draak, bewaakt haar.'


De prins hapt plotseling naar adem. Er klopte iets niet. Hij grijpt naar zijn keel, naar het amulet wat daar hangt, als een half sieraad, een halve amulet, vastgemaakt aan een kettinkje. Plotseling wordt het duizelig voor zijn ogen. Even later wordt hij wakker in de armen van Sopraan. 'De draak valt je nu al aan,' sprak Sopraan. 'Zoon van Eldemor, de poort is open.' Plotseling zag de prins een helder licht voor hem, als een geopende poort. Hij kon daar zo binnenstappen, samen met Michael. Ook Matthias was met hen. Woest sloeg de draak toe. 'Oros !' riep Michael. 'De ene helft van het sieraad zoekt de andere helft. Je kunt het niet tegenhouden !' Woedend sloeg de draak weer van zich af. Ze werden allen geraakt als door bliksem. De prins beet op zijn lip. Hij trok het zwaard wat hij eens van Matthias had gekregen. Maar de draak sloeg hen zo ver weg dat de prins wegzonk in de zee. Even voelde hij zich alsof hij zou verdrinken, maar toen voelde hij Michael en Matthias die hem weer optrokken. Het was geweldig zulke gevleugelde vrienden te hebben. 'Gebruik het boek,' sprak Matthias, 'het eeuwige boek.'


De prins greep naar zijn hoofd. Hij had allemaal steken. 'Ik bestrijd je door het eeuwige boek in mijn hoofd, Oros !' riep de prins. Overal verscheen vuur, alsof het vuur regende. Wild sloeg de draak met zijn staart. Ineens was alles stil. Er verscheen poezie in het hoofd van de prins. Hij kon het zo lezen. Weer lag hij in de zee, maar ditmaal had hij prinses Mekka in zijn armen.


'Het sieraad is herenigd,' sprak Sopraan.




Hoofdstuk 3. De Zwarte Wachter


Ook prinses Mekka bracht hij tot zijn wereld, de aarde. Ook zij werd opnieuw geboren, in de schoot van dezelfde vrouw die de eerste prinses had gebaart. Zij kwamen door op grote hoogtes, waar de draken hen niet konden vinden. Verborgen moesten zij worden, en verborgen moesten zij opgroeien, achter donkere gordijnen, en zij mochten niet veel aan hun prinsessen-levens herinnert worden in het begin, opdat de draken hen niet zouden grijpen. Ze moesten hun herinneringen verliezen. Dat gebeurde door de geboorte. Zij gingen door de grote tunnel van Tsaar. Zo werden zij schoongewassen, en zo verloren de draken elk spoor. Maar beiden hadden deels een draakse natuur. Op zich was dit geen probleem. Er waren ook goede draken. Maar zij hadden teveel overgenomen van hun slechte draakse meesters. Die natuur zou moeten sterven. Dit zou gebeuren in de grote tunnel van Tsaar.


De prins wist dat hij een hoge prijs moest betalen. Hij droeg het volledige sieraad nu, het sieraad wat het eeuwige boek geheel zou opwekken. In de grote tunnel van Tsaar voelde hij zich wegglijden. Hij gleed tot de grote feeen rivier, de Sep, terwijl de draken achter hem joegen. Alles glipte uit zijn vingers en hij moest alles loslaten. Een groot kwaad was opgestaan. Hij droeg het geheim diep van binnen. De drakenstaart had hem zwaar verwond. Hij kon niets meer vasthouden.


Ze joegen op hem, zes draken, om het eeuwige boek in hem te doven. Grote trollenlegers kwamen tot de feeen rivier, de Sep, om grote slachtingen aan te richten. De prins was aangekomen in een feeen huis, waar ze hem verborgen hielden. De zes draken-koningen doorzochten het hele feeen land, maar konden hem niet vinden. In zijn dromen werd de prins meegetrokken met feeen. Hij moest een feeenridder worden om te kunnen overleven. Het eeuwige boek moest hij schrijven. Zijn pen was zijn zwaard.


Sopraan zocht hem vaak op, en hij maakte contact met de ouders van prinses Mekka. Zij waren hem erg dankbaar, want hij had hun dochter gered van de draak. Zij zonden hem vele gaven. Toen het eeuwige boek werd verspreid onder de feeen was dit een grote overwinning. De trollenlegers werden weggedreven van de feeen rivier, de Sep. De prins moest veel schrijven. Hij had niets meer van zijn verleden. Hij voelde zich arm, maar het eeuwige boek was een grote rijkdom voor hem. De prins leidde een sober leven, maar de feeen waren met hem. Als hij niet sober zou leven, dan zouden de draken teveel houvast hebben. Dagelijks baadde de prins in de feeen rivier, de Sep. Hij was een feeen ridder nu, met een grote opdracht.


Ondertussen kwamen de trollenlegers tot een grotere duisternis : een vals licht, het licht van Paam. Illusies bouwden ze op de aarde met dit licht, om te proberen de prinsessen te strikken. De prinsessen leefden in het diepe ijs van de tunnel van Tsaar, afgesloten van hun verleden. Zij droomden dromen uit een orakel, maar soms waren er nachtmerries. Nog steeds leefden ze onder de druk van de draken. De prins bewaakte hen zo goed als hij kon.


De lichten van Paam kwamen ook tot de feeen wereld, om vele feeen te misleiden, en hun ridders. De prins streed met het eeuwige boek, om diepere betekenis te vinden. Vaak leken de deuren gesloten te zijn.


In de woestijn van Dejam, ver weg van de feeen rivier, de Sep, in een afgelegen, verwilderde feeen tempel lag een gevaarlijke trollensteen, de Evit. De feeen wisten niet of het een goede of slechte steen was. Sommigen geloofden dat het een goede steen was, terwijl anderen geloofden dat het een slechte steen was, en weer anderen geloofden dat de steen niet goed en niet slecht was. De steen doodde vele feeenpriesters en priesteressen. Niet velen durfden bij de steen te komen. Vanwege het grote gevaar van de steen werd de steen achter een gordijn geplaatst. Dit gordijn was paars, en paarse wachters stonden ervoor. Alleen hogepriesters en hogepriesteressen mochten nog bij de steen komen, maar zelfs dat ging niet altijd goed, en jaarlijks kwamen er nog verschillende hogepriesters en hogepriesteressen om, vanwege de grilligheid van de steen. Niemand kon de steen eigenlijk vertrouwen. De steen was als een onvoorspelbaar roofdier. De steen werd gehoorzaamt uit pure angst.


Op een dag gebood de steen te worden geworpen in de feeen rivier, de Sep. De steen werd gedragen door zeven door de steen geselecteerde hogepriesters. Toen de steen in de feeen rivier, de Sep, werd geworpen, werden de zeven hogepriesters gedood door een straal komende vanuit de steen. De steen werd zacht en begon te veranderen in een zwarte wachter, die de rivier overzwom. De zwarte wachter was op weg naar de prins. Hij spande zijn zwarte boog, waar hij een zwarte pijl oplegde, en rende naar de schuilplaats van de prins, waar hij verborgen werd gehouden door feeen. De prins zat achter zijn schrijftafel. Plotseling was er een zwarte pijl op zijn neus gericht.


'Het sieraad, waar is het,' sprak de wachter met een trage en lage stem. Even werd de prins duizelig, en voelde alsof hij zou flauwvallen. 'Prins Jagerstouw, geef het sieraad direct hier,' sprak de wachter. De prins stond op, en liep naar een la waarin het sieraad was.


'Wat ga je ermee doen,' vroeg de prins. 'Gaat je niet veel aan, denk ik zo,' sprak de wachter. Aarzelend gaf de prins het sieraad aan de wachter. 'Draag je het veel ?' vroeg de wachter.


'Soms,' zei de prins, 'vooral bij speciale gelegenheden.'


De wachter greep het sieraad, en ging er snel vandoor. Hij dook in de rivier en werd weer een steen, die in de diepte van de rivier zonk. Er was veel donder en bliksem in feeen land. Veel feeen stierven. Ook waren er aardbevingen. De wachter had gesproken, en had genomen wat oorspronkelijk van hem was. Ook de familie Eldemor waren niet de rechtmatige eigenaren van het sieraad. Het sieraad lag op de steen, in de feeen rivier. De steen vergrootte het sieraad, en begon het om te smelten. Oorspronkelijk was het sieraad een orakel, een orakel waarin de steen woonde. Dit orakel was genaamd de Nahemsh, het grote orakel van trol.


'Neem mij weer op, en breng mij tot mijn tempel !' bulderde de steen vanuit de rivier. Een groep feeen priesters en priesteressen namen de steen op uit het water, en brachten de steen tot de woestijn van Dejam, tot achter het paarse gordijn van de tempel. Toen de steen op zijn plek was vielen de priesters en de priesteressen die de steen hadden gedragen of aangeraakt dood neer. Er was grote paniek in de tempel. Anderen keken geschokt toe, en sommigen verborgen hun gezicht. 'Versluier u nu met paarse sluiers, opdat u niet zult sterven,' sprak de steen. Nog steeds was de steen bezig het sieraad om te smelten tot het orakel wat het eerst was. Paars vuur kwam er van de steen af.


Vanaf toen droegen de priesters en priesteressen van de tempel paarse sluiers. Dit leek de steen wat te sussen. Maar nog steeds had de steen soms woede uitbarstingen, en dan kwam er rook, vuur en bliksem van de steen af. Soms vielen er doden. 'Hoe kunnen wij u het beste dienen ?' sprak Tedia, een lange feeen-priesteres.


'Luister Tedia,' sprak de steen. 'Ik ken jullie hart. Voor mij kun je niets verbergen.'


'Ik weet het, heilige trollensteen, heilige Evit,' sprak de fee. 'Maar onderwijs ons.'


'Buig voor mij,' sprak de steen, 'opdat u leeft.'


De fee boog, en ging op haar knieen. 'Maak paarse matjes,' bulderde de steen.


'Anders nog iets ?' vroeg de fee. 'Spaart u ook zegeltjes ?'


Ineens moest de steen lachen. 'Ik mag jou wel,' sprak de steen.

'Ik voel me vereerd,' sprak Tedia.


Het orakel begon steeds meer gestalte te krijgen, met de steen in het midden. Daar stond het als een groot relikwie, een groot mysterie en een groot raadsel. In vrees vielen de priesters en priesteressen voor het beeld neer. Met grote angst in hun ogen, maar ook met verbazing en verwondering keken ze naar Tedia, en ze vroegen zich af hoe ze zo durfde te spreken tegen de gevaarlijke steen. Ze waren in ieder geval blij dat ze nog steeds leefde. Zo'n grapje had natuurlijk heel verkeerd kunnen aflopen met zo'n heilig object in de buurt, en het grapje was zelfs gericht tot het object zelf. Waarschijnlijk had de steen ook wat humor, of werden ze voor de gek gehouden ? Nog steeds kenden ze niet de ware aard van de steen, en wisten zij niet waar de steen op uit was. Nog steeds vreesden ze voor hun leven. De steen had geen medelijden gehad met velen van hen.


'Tedia heeft voor het beste deel gekozen,' sprak de steen : 'Onderwijs.'


'Onderwijs ons !' riepen ineens wat priesters en priesteressen. 'Wij staan open voor u, wat u ons te zeggen heeft.'


'Goed dan,' sprak de steen.



Hoofdstuk 4. Het Dansende Jongetje


De steen droeg hen op kerken te bouwen en kloosters door het hele feeenland, en zij moesten optochten houden in paarse gewaden en paarse kappen. Zij moesten monniken worden van de steen. In de steen waren visioenen over barbaren in grote gevechten die veel bloed vergoten. 'Hier is jullie magie op gebouwd !' bulderde de steen. 'Jullie moeten al jullie kerken en kloosters verlaten, om zo dieper de natuur in te gaan !'


'Maar u heeft zelf gezegd dat wij die kerken en kloosters moesten bouwen,' sprak Tedia.

'Kan me niet schelen,' sprak de steen. 'Doe wat ik zeg.'


'Zoals u wilt,' sprak Tedia. De steen droeg hen op de rivier, de Sep, te volgen, dieper de natuur in. Het orakel waarin de steen zich bevond moest in een kist met lange draagstokken meegenomen worden. Niemand mocht omkijken. Zij die dat wel zouden doen zouden dood neervallen, of in de grond wegzakken. Ook smolten sommigen die omkeken gewoon weg. Iedereen was in grote angst. Ook de prins moest mee in de grote stoet.


'Ik kan u een geweldig sprookje vertellen,' sprak een gek tot de steen. Hij was de clown van de feeen. 'Als u het leuk vind, mogen we dan terug ?' Maar de clown begon weg te smelten in zijn schoenen, en er was luid gegil van andere feeen toen ze het zagen. Er viel niet te spotten met het gezag van de steen. De steen was hypergevoelig en levensgevaarlijk. Vele feeen huilden, en durfden niet eens meer te denken, bang om aan de steen ongehoorzaam te zijn. Ook de prins was op zijn hoede.


Ergens aan de rivier stopten ze. De steen wilde rusten. De feeen moesten een tent maken voor de steen, en weer moest de steen achter een paars gordijn geplaatst worden. De steen begon steeds meer paars te kleuren. 'Ik heb jullie verteld over de barbaren, waar jullie magie op gebaseerd is,' bulderde de steen, terwijl er een vreemd licht van de steen afkwam, een paarsachtig licht. De feeen begonnen moe te worden en duizelig van het licht. Ook hypnotiseerde het hen. 'De barbaren wonen in de woestijnen, maar ik wil dat jullie de natuur intrekken,' sprak de steen. 'Ik wil jullie een nieuwe magie geven.'


'Bent u een trol ?' vroeg een jongetje.

'Ik ben een trollensteen,' sprak de steen.

'Kunt u voor ons koken ?' vroeg het jongetje.

Direct gaf zijn moeder hem een draai om zijn oren.

'Vergeef hem,' sprak de feeenmoeder tot de steen. 'Hij is nog jong.'


'Maar hij is wijs,' sprak de steen. 'Ik zal voor jullie koken. Vanaf nu zal jullie voedsel uit mij komen.'

Ineens brak er een vloeistof los van de steen. Ook stroomde er een vastere stof uit de steen. Het deed allemaal een beetje paarsachtig aan. 'Hier zullen jullie voortaan van leven,' sprak de steen. 'Eet en drink nu.' De feeen kwamen dichterbij tot de steen achter het paarse gordijn, die nog steeds in de kist stond met de lange draagstokken. Met bekers en bakjes vingen ze het voedsel en het drinken van de steen op, en deden wat hen gezegd werd : Ze aten en dronken.


'Verrukkelijk !' riep iemand. Maar verder was het stil. De feeen waren nog steeds in grote angst, en velen durfden niet zomaar te spreken.


'Geniet,' sprak de steen. 'Het is feest. Het is ter herdenking van de grote uittocht.'


'Ja, Jopie allemachtig, steen ze, steen !' riep het jongetje.


De steen lachte. 'Ik mag hem wel,' zei de steen.


'Vergeef hem, hij is jong,' sprak de vrouw weer.


'Het is goed,' sprak de steen geruststellend. 'Hij is wijs.'


'Ku Jopie, Ku Jopie !' riep het jongetje, en begon te dansen voor de steen.


Sommigen hadden hun hand voor hun gezicht gedaan, omdat ze bang waren om te zien wat de steen met het jongetje zou doen, maar de steen bleef rustig, en scheen opgewekt.


'Gekke idioot !' riep het jongetje. Weer gaf zijn moeder hem een draai om z'n oren. 'Zeg zulke dingen nooit,' sprak ze met grote boosheid en angst in haar ogen. Ze wilde haar zoontje niet verliezen. 'Hij …. hij is niet in orde,' stamelde ze. 'Vergeef hem, hij bedoelt het niet zo.'


De steen was aan het schaterlachen. 'Hij heeft wel babbels.'


'Ik wil met je vechten, idiote steen !' riep het jongetje weer, met een ondeugende blik in zijn ogen. Iedereen was geschokt, en verbaast dat de steen het jongetje niets aandeed.


'Hij is een beetje speels,' zei de steen. Het jongetje begon te lachen. 'Kun je ook levend worden ?'

Plotseling stond de zwarte wachter voor hen. Sommige feeen gilden. Anderen begonnen te huilen. De prins was dichterbij gekomen. Dit was de persoon die zijn sieraad van hem had afgenomen. De wachter had zijn boog gespannen, met een zwarte pijl erop. Sommige feeen beefden van angst. 'Wie wil er het eerst aan ?' sprak de zwarte wachter.


'U houd ervan mensen aan het schrikken te maken, hè ? U houd ervan mensen bang te maken,' sprak de prins dapper. Hij was de schrijver van het eeuwige boek, dus daarom voelde hij zich opgewassen tegen de vreemde wachter.


'Ik wil je niet bangmaken,' zei de wachter, 'maar draken jagen op jou.'


'Ik weet het,' zei de prins.


'Ik ben hier om te helpen,' sprak de steen.


'Wie bent u ?' vroeg de prins. 'Zoveel feeen zijn er omgekomen door jouw toedoen.'


'Ik weet het,' zei de wachter. 'Zij waren allemaal …. SPIONNEN VAN DE DRAAK !' bulderde de wachter. De prins schrok, en ook de feeen. 'Ik ben jullie beschermer !' bulderde de wachter. 'En kijk hoe jullie mij behandelen. Ik heb geen kwaad in zin.'


'Dat zeggen ze allemaal,' krijste het jongetje.

De wachter liep naar het kleine jongetje toe, en nam de kleine jongen in zijn armen. 'Je weet het … dat ik geen kwaad in zin heb …,' sprak de wachter. Het jongetje knikte. 'Mag ik bij u wonen ?' vroeg het jongetje.


De wachter zette het jongetje weer neer, stapte in de kist en veranderde weer in de steen. Alle feeen bogen voor de steen, maar het jongetje danste. Het jongetje scheen het hart van de wachter gewonnen te hebben.



Hoofdstuk 5. Het Land van Trol


Na een paar dagen trokken ze weer verder. Het was een lange reis langs de rivier de Sep. Naarmate ze dieper in de wildernis kwamen werd de steen steeds groener. Ook begon alles steeds trager te gaan, het lopen, het spreken, het denken, alles. En de feeen vroegen zich af wat er aan de hand was. Nog nooit waren ze zo diep de wildernis ingegaan.


'Dit is het land van vertraging,' sprak de steen, 'het land van trol. Alles versteent hier, alles vertraagt hier, totdat alles teruggaat in het verleden. In dit land is er geen toekomst, alleen het verleden, wat een groot geheim in zich draagt.'


'En wat mag dat geheim dan wel wezen ?' vroeg het kleine jongetje brutaal.


'Ga ik jou nog niet aan je neus hangen,' sprak de steen.


'Ik zal een kikker aan je neus hangen,' sprak het kleine jongetje.


De steen veranderde weer in de wachter, en de wachter nam grote passen. 'Hier moet ergens de poort van trol zijn, die tot diep onder de grond leidt.'


'Je moet het verleden achter je laten,' sprak het jongetje.

'Nee,' zei de wachter, 'juist niet. In het verleden ligt de sleutel opgeborgen.'

'Nee,' zei het jongetje. 'Mijn moeder zegt altijd dat we het verleden moeten laten wat het is, en doorgaan.'


'Kun je je mond nu houden ?' vroeg de wachter.

'Onder de grond wacht het verleden op ons. Het verleden wil tot ons spreken.'


Even stampte hij op de grond, en begon er toen in weg te zinken. 'Volg mij !' riep de wachter. Zoveel feeen kwamen onder de grond die dag. Ze keken hun ogen uit in hun verleden. Overal waren er vlammen die verborgen geheimen in hun verleden lieten zien. Het leek alsof ze overal doorheen konden kijken. Het jongetje schreeuwde van opwinding. Een doorzichtige, groenachtige man verscheen voor hen, met een heel traag kloppend groen hart. Voor hem was een vliegend boek. 'Heb deel aan de heilige vertraging,' sprak de wachter. 'Het laat de verborgen dingen zien, dat wat ertussen zit. De snelheid kan het niet laten zien.'


'Ga verder,' sprak het jongetje, 'je begint het te leren.'


Ze kwamen tot een groot groen vuur, wat over hun gezichten begon te komen, en over hun handen. Het voelde aan als een medicijn. Het was het medicijn van de bomen, en het trollen-medicijn. Ze kwamen aan bij een gebied van uitgestrekte groene moerassen. Hier was waar de tijd stilstond. De tijd stopte hier, en ging niet meer verder. 'Het land van trol is omgeven door moerassen,' sprak de wachter. 'Hier stopt alle tijd. Alles gaat hier terug naar het verleden. Het geheim van de eeuwige jeugd is hier.'


'Ik ben al klein genoeg,' zei het jongetje. 'Ik moet nog groeien.'


'Oh, dat kan hier ook,' sprak de wachter. 'Je kunt opgroeien in het verleden.'


'Wat moeten we bij de trollen ?' vroeg het jongetje.


'Jij moet niet zoveel vragen stellen, kereltje,' sprak de wachter. 'In ieder geval : Hier ligt het geheim van de draken. Draken zijn een soort trollen. Zij konden de tijd vertragen, en konden zo de tijd stoppen om hun magie te bedrijven.'


'Hoe deden ze dat ?' vroeg het jongetje.


'Door mij,' sprak de wachter. 'Maar ik ontsnapte. Ze hebben nog steeds veel macht door deze moerassen.'


'Dus in deze moerassen ga je niet dood, maar gewoon terug in de tijd ?' vroeg het jongetje.


'Precies,' zei de wachter. 'Maar dan zul je eerst de trollen en hun drakenmeesters moeten overwinnen, want zij bewaken de poort van tijd.'


'En wat als je hen niet te slim afbent ?' vroeg het jongetje. 'Wat dan ?'


De wachter zweeg.


'Alsjeblieft, vertel het me ?' vroeg het jongetje.


'We zijn nog steeds in hun tijdgevangenis,' sprak de wachter. 'We zitten gevangen in een magische bal. Ze zijn nog niet overwonnen.'


'Hoe moeten we ze overwinnen ?' vroeg het jongetje.


De wachter keek naar prins Jagerstouw. Toen wees hij naar hem. 'Door hem,' sprak de wachter. 'Hij bezit het geheime wapen.' Prins Jagerstouw keek op. 'Wie, ik ?' vroeg de prins.


'Ja, jij,' sprak de wachter. 'Herinner je je derde kind ? Hij was een groot Tibetaans leider die na zijn dood vastraakte in de tunnels van de onderwereld. Jij verloste hem, ook van de verschrikkelijke beesten die hem wilden meenemen. Hij droeg de trollensleutel, die eens de draken totaal zou verslaan, door het orakel te openen. Nu draag jij die sleutel.'


'Welk orakel ?' vroeg de prins.


'Het orakel van de draken,' sprak de wachter. 'De trollensleutel die jij bewaakte was de oorzaak van veel pijn.' Allereerst had de trollensleutel het op hem gemunt, en scheurde hem los van zijn familie. Maar dit had de woede van de trollensleutel niet gestilt. Neen. De woede van de trollensleutel was alleen maar erger geworden. Nu had de trollensleutel het gemunt op de draken. Daarom kwam de trollensleutel goed van pas. De prins was duizelig. Hij voelde iets in hem branden. Het was de trollensleutel. Er was iets wat hem het moeras introk. Hij kon het niet tegenhouden, en de wachter kon hem ook niet helpen. 'De trollensleutel zoekt wraak !' riep de wachter, terwijl de prins in het moeras begon weg te zinken.


De prins voelde dat hij teruggleed in de tijd. Hij had zijn dochters in zijn armen, maar plotseling waren zij in vuur, en werden van hem losgetrokken. Draken kwamen tussen hen en de prins. De trollensleutel spuwde vuur, recht tegen het drakenvuur in. Er waren enorme explosies en zeeen van lava waarin de prins werd meegesleurd. De prins verloor zijn bewustzijn. Even kwam hij bij en het leek alsof hij de poppen van zijn kinderen naast hem zag drijven, maar toen gleed hij weer weg. De trollensleutel trok hem mee naar het land van trol. In de verte zag hij rode vurige stenen op elkaar gestapeld, als tabletten, als een orakel. Hij had nu de trollensleutel in zijn hand. 'Werp mij nu naar het rode orakel van de draken,' sprak de trollensleutel. De prins deed dit onmiddellijk. Er waren weer overal explosies. De prins werd opgeheven, en toen als door een onzichtbare hand richting het brandende orakel geworpen. 'Nee !' riep de prins. Met een klap kwam hij tegen het orakel aan. Het orakel begon te draaien als een vleesmolen. De prins gilde en krijste. Het leek wel alsof hij tot gehakt werd gemalen.


'Ik ben je beschermer,' sprak de trollensleutel. 'Ik scheurde jou van alles weg, opdat de draken jou niet konden grijpen.'


'Maar ze hebben me gegrepen !' brulde de prins.


'Welnee,' sprak de trollensleutel. 'Ik heb je altijd afgezonderd gehouden.'


'We zitten in hun tijdgevangenis, had de zwarte wachter gezegd,' sprak de prins. De prins keek naar de sleutel. Het leek op een kruis met een staart, en met allerlei bochten. 'Open het orakel,' sprak de trollensleutel. Maar weer werd de prins weggeslingerd. Opeens stond er iemand naast de prins. Het was de zwarte wachter. De zwarte wachter spande zijn boog, legde een zwarte pijl erop en schoot op het orakel. Weer was er veel vuur. Er kwam een soort glazen opening in het orakel. De zwarte wachter tilde de prins op, en rende naar de glazen opening. Toen de wachter daardoor binnenging explodeerde het glas. Een rood gloeiend stuk vlees krioelde voor hen. 'Stop de sleutel hierin,' sprak de wachter. Voorzichtig bracht de prins de trollensleutel tot vlakbij het rode stuk vlees. Toen stak hij de trollensleutel erin. 'Idioot !' schreeuwde het stuk vlees. Het orakel begon nog meer te exploderen. De prins en de wachter vielen naar beneden. De wachter trok zichzelf op aan een rode tentakel. Ook had hij de prins vast.


'De draken zijn woedend,' sprak de wachter. De wachter begon weer in een steen te veranderen, omhuld door zijn eigen orakel. Toen veranderde hij weer in de wachter, nam een sprong, en kwam daar waar eerst het draken orakel stond. Toen veranderde hij weer in een steen omhuld in het orakel. Maar de trollensleutel was nog steeds woest. Hij sprong uit de hand van de prins, en begon het orakel van de wachter in stukken te slaan. De steen had zijn macht verloren. De trollensleutel had de steen in kleine stukjes gehakt. 'De Evit is vernietigd !' gilde een stem. Toen was er een groot geklaag en gejammer.


'Wat doe je nou, stommeling !' riep de prins tegen de trollensleutel. 'De Evit beschermde ons tegen de draken !'


'De steen is gevaarlijk,' sprak de trollensleutel. De trollensleutel begon zichzelf op te sieren met de kleine stukjes van de steen. 'Nu is het weer op de juiste plaats,' sprak de trollensleutel. De trollensleutel begon een andere vorm te krijgen, en begon zichzelf totaal om te smelten. De prins greep de trollensleutel en hief het op in de lucht. Op dat moment sloeg een grote bliksem in de trollensleutel. Weer hoorden ze gekrijs in de verte, en het gehuil van wolven.


De trollensleutel was nu samengesmolten met de gevaarlijke steen.



Hoofdstuk 6. De Trollensleutel


De prins hield de trollensleutel stevig vast. Ja, de trollensleutel had hem veel pijn gebracht, maar hem ook gered. De roltrap van de tijd lag voor hem. Hij kon zo naar beneden kijken in de tijd. Er kwam mist van de trollensleutel. Opeens stond er een mistige gestalte voor hem. De trollensleutel was verdwenen.


'Ik ben de trollensleutel,' sprak de mistige gestalte. 'Door jouw moed ben ik vrijgezet. Als je daar naar beneden gaat, dan kom je weer in feeenland terecht.'


De prins keek de mistige gestalte aan. In de verte hoorde hij gehuil van wolven.


'Nu het orakel van de draken vernietigd is, zullen de moerassen op ons insluiten. De draken zijn woedend,' sprak de mistige gestalte. De prins keek naar de plaats waar eerst het orakel van de draken stond. Er kwam water naar boven uit een gat. 'Wat is dat daar ?' vroeg de prins.


'Dat is het Meer van Visioen wat verborgen zat onder het orakel,' sprak de mistige gestalte. In de verte bulderden de moerassen. De golven werden steeds hoger, klaar om hen te verslinden, terwijl het Meer van Visioen omhoog begon te spuiten. De prins wilde naar de roltrap van tijd rennen, maar de mistige gestalte hield hem tegen.


'Laat me erdoor !' riep de prins.


'Het moeras zal je vinden in de tijd,' sprak de mistige gestalte. 'Het zal je doen vastraken in de tijd. We kunnen beter hier blijven.' Het Meer van Visioen begon over hen heen te komen, en het water begon te stijgen, zich vermengende met het moeras. De prins schreeuwde. Plotseling had hij de trollensleutel weer in zijn hand. 'Laat het over je komen,' sprak de trollensleutel.


De prins voelde zich alsof hij verdronk. In een sterke stroom werd hij meegezogen in het Meer van Visioen, wat steeds meer moerassig werd. Ineens werd hij in de diepte gezogen. Onder het Meer van Visioen waren de ijskerkers. Nog steeds voelde de prins zich verdrinken, en begon duizelig te worden. Toen werd het zwart voor zijn ogen.


Na een lange tijd werd de prins wakker in een ijskerker. Nog steeds had hij de trollensleutel stevig vast. De prins voelde zich bevroren. 'Het lijkt erop dat we nu echt bevroren zijn in de tijd,' sprak de prins tot de trollensleutel. De prins was in grote wanhoop. De trollensleutel sprak niet meer. Tot zijn grote schrik zag de prins kleine draakjes en slangetjes uit de trollensleutel komen die daarvan begonnen te eten. 'Nee !' schreeuwde de prins.


Een vreemdsoortige priester gekleed in paars, groen en wit stond voor de deur van de ijskerker waarin de prins was opgesloten. 'De trollensleutel was een groot kwaad,' sprak de priester. 'De trollensleutel had al die realiteiten gemaakt waar je vandaan kwam, en kijk waar het je heeft gebracht.' Even leek het alsof de priester hem uitlachte.


'De trollensleutel was jouw reis tot de ijskerkers,' sprak de priester. 'Je bent onder een zware vervloeking. Daarom houden we je hier.'


'Een zware betovering ?' vroeg de prins. 'Van wie ? En waarom zou ik je geloven en vertrouwen ?'


'Wees maar blij dat de draken er zijn,' sprak de priester. 'Jij bent onder de zware betovering van het kwaad van de trollensleutel.'


'Waarom moet ik blij zijn ?' vroeg de prins. 'Ze hebben mij alleen maar ellende gebracht.'


'Nee,' zei de priester. 'De draken hielden de gevaarlijke voorwerpen verborgen, om jullie daar tegen te beschermen. Maar je was hebberig. Jij wilde die sieraden hebben ! Zie waar je hebberigheid je gebracht heeft. Je had er van af moeten blijven, om het aan de draken over te laten.'


De prins boog zijn hoofd. 'De draken hielden mijn dochters in gevangenschap, slavernij en grote kwelling. Noem je dat bescherming ? Alles waar de draken op uit waren was macht. Mijn hele familie hebben ze uit elkaar gescheurd, en mijn vader, de elvenkoning van Eldemor.'


De priester kreeg ineens een hele lage, trage stem, die op een bepaalde manier op de normale snelheid ging. 'Dat waren jouw dochters niet ! Jij roofde hen uit onze domeinen ! Zij droegen gevaarlijke, behekste sieraden, die beter af waren onder onze bescherming,' sprak de priester bijna brullend. 'Wij beschermden het universum tegen dit grote kwaad.'


'Niet waar,' sprak de prins. 'Familie van de prinsessen hadden onze hulp ingeroepen. En de sieraden die zij droegen waren oorspronkelijk van het familie sieraad van Eldemor.'


'Je stinkt, liegbeest !' bulderde de priester. 'Dat zogenaamde familie sieraad van Eldemor was oorspronkelijk het orakel van de Evit, de steen van trol. Hiermee voorspelden wij de toekomst, en zorgden dat alles onder onze liefdevolle bewaking en bescherming was. Het was ons eigendom, en jouw familie had dit geroofd.'


'Evit was jullie gevangene,' sprak de prins, 'maar hij ontsnapte. Hij is de zwarte wachter. Oorspronkelijk bleek hij één geheel te vormen met de trollensleutel, en zij waren niet aan jullie zijde. Zij bestreden het grote kwaad van de draken.'


'En elkaar, ja !' bulderde de priester. 'Die objecten waren levensgevaarlijk, en waren alleen veilig in onze handen. Wij zijn de meesters van de magie en de meesters van het universum en tijd. Aan ons dienden jullie je te onderwerpen voor jullie eigen bestwil. Maar jouw koppigheid en eigenwijsheid heeft jou in grote problemen gebracht.'


'Jullie hebben mijn dochters gekweld,' sprak de prins. 'Ik zal niet rusten totdat ….' De prins greep naar zijn buik.


'De tijd zal het leren,' sprak de priester, en vertrok.


De prins was duizelig en kon moeilijk praten. Hij voelde zich bevroren. De pijn in zijn buik leek hem in zijn gedachten te verscheuren. Het was alsof zijn hart op de grond lag, bloedend, en niemand deed iets. Hij was hier helemaal alleen, overgeleverd aan de beslissingen van de draken en hun priesters.


De prins spuwde bloed op de grond, en viel toen in een diepe slaap. In een droom verscheen een fee in het wit voor hem. De fee had een witte hoed op, die bedekt was met fijne stof. Ook haar jurk was van zeer fijne stof gemaakt. Haar witte mantel had ze als sneeuw van haar afgegooid. Sneeuw lag op de grond. Ook waren er witte duiven, en een waterput. 'Je kan niet terug naar het verleden,' sprak de vrouw. 'Je zou daar bevriezen. Alles loopt vast in het verleden door het grote kwaad van de draken. Zij van het verleden leven in bevroren dromen, in het groene komplot.'


De prins keek op. 'Wie bent u ?' vroeg de prins.


'Het is de sneeuwkoningin, de sneeuwkoningin der feeen,' sprak de vrouw. 'Ook ik heb verlossing nodig. Ik zit in de sneeuwkerkers onder de ijskerkers.' Plotseling was er allemaal bloed voor de ogen van de prins, en vaagde de droom weer weg. De prins schrok wakker, maar viel toen weer in slaap. Weer droomde hij over een andere vrouw. De vrouw was gehuld in lompen, en was besmeurd met vuil. 'Laat al die gevaarlijke objecten los,' sprak de vrouw snibbig. 'Ze zijn van de stad. Je hebt niet veel nodig. De natuur geeft je alles wat je nodig hebt.' De vrouw begon aan hem te trekken, en nu was ook de sneeuwfee daar, die ook aan hem begon te trekken, en toen meerdere vrouwen. Ze begonnen hem de diepte in te trekken. De prins schreeuwde. Hij probeerde wakker te worden, maar het lukte hem niet.


'Je bent in het Meer van Visioen,' sprak een stem. 'Dat is een meer van illusies, zodat je het geheim niet zult zien. Zij die in het Meer van Visioen zijn worden bedrogen, en elke schijnbare ontsnapping zal hen in werkelijkheid alleen maar dieper meetrekken in de dieptes van het Meer van Visioen. Je bent in een draaikolk. De draken hebben dit beslist.'


'Wie bent u !' schreeuwde de prins. Weer was alles alleen maar bloed voor zijn ogen. Hij zag alleen maar rood. Plotseling zag hij een barbaarse strijder voor hem staan, met een gebogen zwaard. 'Wij barbaren beslissen de magie van de draken. Zij kunnen niets doen zonder ons,' sprak de man.


'Ik kan hier niemand vertrouwen,' sprak de prins, 'en ik weet dat ik droom.'


De barbaar lachte bijna spottend. 'Het Meer van Visioen is een droom, een gevangenis van dromen. Zelfs als je denkt dat je ontwaakt, droom je nog steeds. Onze gevechten en oorlogen maken uit hoe de draken magie werkt, en ook de feeen magie en de magie van trol. Hierbij staat of valt alles. Al hun wonderen, betoveringen, vervloekingen, nachtmerries, tragedies, depressies en trauma's komen voort vanuit veel barbaars bloedvergiet,' sprak de barbaar.


'Dat was de reden dat de steen van trol wilde dat we dieper de wildernis in zouden gaan, langs de rivier de Sep, om zo het feeenland achter ons te laten,' sprak de prins. 'En zie waar het ons heeft gebracht.'


'Dieper in de wildernis ? Laat me niet lachen,' bulderde de barbaar. 'De steen heeft jullie bedrogen. Ergens halverwege de rivier de Sep liet hij jullie onder de grond gaan richting het land van trol. Jullie hadden verder moeten gaan langs de rivier. Doordat je onder de grond ging werd je de gevangene van het Meer van Visioen, het grote web van leugens. De steen van trol heeft jullie in de val gelokt. Allen zijn jullie gevangenen van het Meer.'


'Leugens,' sprak de prins. 'Alles werd trager en trager toen we dieper de wildernis ingingen langs de rivier de Sep. Onze gedachtes werden trager, totdat we niet meer verder konden. Toen bracht de steen van trol ons onder de grond. Er was geen andere optie. De tijd stopte ergens langs de rivier de Sep. We hadden geen andere keus.'


'Leugens ?' sprak de barbaar sarcastisch lachend. 'Jullie zijn bedrogen. De steen van trol kan de tijd stoppen zoals niemand anders, en komt dan met allerlei smoesjes, zodat jullie gehoorzamen, en de steen zijn doelen met jullie kan bereiken. Jullie zijn erin geluisd. Een rad heeft hij jullie voor de ogen gedraaid. Dat is alles wat ik ervan kan zeggen. En wij werken voor deze leugenachtige magie. Wij zijn slaven van het geweld. Alleen door groot geweld wordt zulke magie opgewekt.'


Hoofdstuk 7. Het Overbruggen van de Eindeloosheid


'En hoe kan ik jou vertrouwen, sinds jij zelf een onderdeel bent van het Meer van Visioen ?' vroeg de prins.


'Omdat ik een slaaf ben,' sprak de barbaar, 'een medegevangene die naar ontsnapping zoekt. We zouden elkaar kunnen helpen. Luister : Als je verder was gegaan langs de rivier de Sep, helemaal tot aan de Grote Woestijn, en dan er doorheen tot het land van de indianen, dan was je hier niet geweest.'


'Is daar vrijheid ?' sprak de prins. 'Hebben de draken daar geen macht ?'


'Grote vrijheid is daar,' sprak de barbaar. 'En wanneer een draak door de Grote Woestijn nadert tot het land van indianen, dan veranderen ze daar in grote buffels. Het enige gevaar is wanneer de buffels helemaal door het land van de indianen kunnen komen tot de Grote Afgrond, daar waar alle ruimte stopt. Ruimte gaat daar niet verder, en de buffels die daar weten te komen zullen daar worden tot onsterfelijke draken. Wel is het zo dat de Grote Afgrond alles weer terugdrijft in de ruimte. Onsterfelijke draken kunnen niet in het land der indianen leven, maar kunnen wel het gebied tot aan de Grote Woestijn teisteren. Dit is ook de reden dat de indianen op zulke buffels jagen. Niemand van hen wil dat zij zich tot onsterfelijke draken ontwikkelen.'


'Hoeveel onsterfelijke draken bestaan er al ?' vroeg de prins.


'Velen,' sprak de barbaar. 'De indianen hebben onze hulp nodig, en alleen in het land van de indianen zijn wij veilig tegen de draken, maar wij moeten wel deelnemen aan de buffeljacht dan.'


'Ik begrijp het,' zei de prins. 'Dus nu zijn wij nog in de klauwen van de onsterfelijke draken ?'


'Precies,' sprak de barbaar. 'Nu snap je het.'


'Zijn die draken echt onsterfelijk, of kan die onsterfelijkheid ook weer ongedaan gemaakt worden ?' vroeg de prins.


'Men heeft mij verteld dat het geheim hiertoe ligt in het land van de indianen,' sprak de barbaar.


'Hoe komen we daar ?' vroeg de prins. 'Gezien we in het Meer van Visioen opgesloten zijn, en elke ontsnapping een groter bedrog is, zoals je zei.'


'Ik weet wel een manier,' sprak de barbaar.


De prins wist nog steeds niet of hij de barbaar wel kon vertrouwen, maar hij waagde het erop. De gevangenen en slaven van het Meer schenen te kunnen communiceren met elkaar door dromen. Maar in hoeverre zouden de draken dat kunnen beinvloeden ? En wat als het ontdekt werd ? De prins werd geplaagd door angsten. De droom was weer weggevaagd, en hij werd wakker in zijn kerker. Hij had honger, maar er scheen niets te eten te zijn.


Ook de prins werd tot een slaaf gemaakt, en hij moest jagen aan de rivier de Sep. De draken hadden het hele feeenland ingenomen. De prins had een keten om zijn nek die verbonden was met zijn hart. De draken hadden hem gezegd dat als hij zou proberen te ontsnappen, dan zou de keten zich om zijn hart wikkelen om het te verstikken. De prins was daarom goed op zijn hoede, en nam geen risico's. Hij probeerde de barbaar en zijn verhaal te vergeten, maar op een dag ontmoette hij de barbaar. De prins moest een gevecht bekijken in de arena. De barbaar had een groot mes, en moest een grote groene slang verslaan. Op de tribunes zaten de drakenmeesters met hun trollen en hun slaven. Zij joelden daar en applaudiseerden. De prins was ongerust over de barbaar, maar na een lang en slopend gevecht had de barbaar toch de kop van het beest weten af te hakken. De barbaar was inmiddels zwaar gewond. De prins werd opgeroepen om de wonden van de barbaar te verzorgen. Ze moesten daarvoor naar een speciale hut buiten de arena. De prins begon de wonden schoon te maken van de barbaar met een doek. Toen verbond de prins de wonden.


'Psst, ik heb dit zo geregeld,' fluisterde de barbaar. 'Van mijn meester heb ik soms wat boeken van drakenmagie geleerd terwijl hij sliep. Luister : We zijn hier dichtbij de rivier de Sep. Ik heb een bootje kunnen regelen door twee dwergen die ik ken. Als het nacht is moeten we het erop wagen.'


'Ja maar je vergeet de keten die ik om mijn nek en hart draag,' sprak de prins. 'Het zal mijn dood worden als ik zal proberen te ontsnappen.'


'Nee,' sprak de barbaar. 'Ik heb daar wel aan gedacht. Luister : De magie van draak : Strooi wat elvenzout op de keten van de gevangene of slaaf, en de keten zal in slaap vallen. Elvenzout heb ik ook geregeld door de twee dwergen.'


De barbaar haalde een zakje van zijn riem af. 'Hier, smeer dit op de keten als het nacht wordt,' sprak de barbaar. 'Smeer het geregeld erop, zodat de keten niet wakker wordt.'


'Dit is eng,' sprak de prins. 'Als de keten wakker wordt ben ik er geweest.'


'Je bent al dood,' sprak de barbaar. 'Grijp je kans om te kunnen leven.'


'Ja, maar mij is eens verteld dat zij die schijnbaar ontsnappen uit het Meer alleen maar in diepere ellende terecht komen,' sprak de prins.


'Vertrouw erop dat ik een beetje draken magie ken,' sprak de barbaar hem geruststellend toe.


'Dat is makkelijker gezegd dan gedaan,' zei de prins.


De twee wachtten totdat het nacht was geworden. De prins strooide wat van het elvenzout op de keten, en waagde het erop. De barbaar had hem gezegd dat er niet veel elvenzout nodig was om de keten te doen slapen. De prins moest erg zuinig zijn op het elvenzout, want verder moest het wel geregeld gestrooid worden, anders zou de keten ontwaken. Snel vertrokken ze naar het bootje aan de kant van de rivier de Sep. Alles was gelukkig rustig. Beiden stapten ze in de boot, en namen een peddel, en begonnen over de grote rivier de Sep weg te peddelen. Steeds dieper en dieper kwamen ze in de wildernis. Er was steeds meer en meer begroeiing, en ze kwamen ook langs de plek waar de steen van trol alles had vertraagd, maar dit keer vertraagde er niets. 'Zie,' sprak de barbaar, 'we kunnen rustig door peddelen, zonder vertraging of stilstand van de tijd.' De prins begon steken in zijn hart te krijgen. Snel strooide hij weer wat elvenzout op de keten.


Vreemde geluiden kwamen uit de wildernis. Ook angstaanjagende geluiden van vreemde dieren. 'Zijn we in gevaar ?' vroeg de prins.


'Altijd,' sprak de barbaar. Na een tijdje begon het elvenzout op te raken. De prins begon in paniek te raken. 'Wat moeten we nu doen ?' vroeg de prins, die al weer steken in zijn hart begon te krijgen. Zijn hart klopte ook veel sneller dan normaal.


'Luister,' sprak de barbaar. 'Hier dichtbij woont een dwergensmid. Hij moet de keten veilig kunnen verwijderen, tenminste dat hoop ik.' De prins slikte. Hij begon nu echt bang te worden. 'Wat als het niet gaat lukken ? Dan ga ik eraan,' beefde de prins.


'We wagen het erop,' sprak de barbaar. De prins werd al geplaagd door allerlei gedachten wat voor verschrikkelijke dingen er met hem zouden kunnen gebeuren als de keten wakker zou worden. De prins durfde bijna niet meer te ademen. Ook durfde hij zich nog nauwelijks te bewegen, en zat hij stokstijf in het bootje. 'Doorpeddelen,' sprak de barbaar. Maar de prins durfde niet meer. Hij voelde zich al helemaal wegglijden in zichzelf van de angst. Zijn hart ging als een razende te keer. Hij kon nog één keer wat elvenzout strooien, en dan moesten ze snel zijn. Maar het scheen al niet meer te werken. Het hart van de prins sloeg totaal op hol, en hij kon niet meer goed ademen, alsof hij gewurgd werd.


'Doorpeddelen !' riep de barbaar, terwijl hij de prins in het gezicht sloeg. 'Wakker worden, als je wil blijven leven.' Maar de prins begon weg te zakken in grote duizeligheid. Toen werd alles zwart voor de ogen van de prins.


De barbaar zette het bootje aan de kant van de rivier, en bond het goed vast aan een boompje. Toen nam hij de prins op zijn schouder, en liep in snelle pas naar een huisje vlakbij, waar de dwergensmid woonde.


De barbaar vertelde snel het verhaal, toen hij de prins op een tafel had neergelegd. 'Wakker worden !' riep de barbaar, terwijl hij de prins in het gezicht sloeg. Even kwam de prins bij. 'Ik kan niets voor hem doen,' sprak de dwergensmid. 'Ik heb hier het gereedschap niet voor. Ik kan niet tegen zulke ketenen op. Als ik iets ga proberen, dan zal de keten wakker worden, en ons alle drie doden.' De prins zakte weg in een nog grotere wanhoop.


'Heb je dan misschien nog elvenzout ?' vroeg de barbaar. 'Anders gaat hij het waarschijnlijk niet overleven.'


'Elvenzout heb ik volop,' sprak de dwergensmid. Hij liep naar een kastje toe en haalde een grote pot elvenzout tevoorschijn. Snel griste de barbaar de pot uit zijn handen, opende het en strooide een flinke hoeveelheid op de keten. 'Niet zoveel, dwaas !' riep de dwerg. 'Teveel van het elvenzout kan de keten ook wakker maken. Dan werkt het niet meer, en dan heb je er helemaal niks aan.' Snel veegde de barbaar weer wat van het elvenzout weg. 'Ik schoot wat uit,' sprak de barbaar. De prins leek weer bij zijn positieven te komen. De prins was dolgelukkig toen hij de grote pot elvenzout zag. 'Ik zal het in een zak doen voor je. Dan kun je er wel even mee vooruit, maar eh … niet teveel erop strooien, hè ?'


'Begrepen,' zei de prins.


'Waar kunnen we hem verlossen ?' vroeg de barbaar.


'In het eeuwige land van de indianen,' sprak de dwerg. 'Die hebben wel wat voor hem.'


'Goed,' sprak de barbaar. Hij schudde de hand van de dwerg, en liep toen het huisje uit. Ook de prins schudde de hand van de dwerg en bedankte hem. Met de zak elvenzout liep hij naar buiten, de barbaar achterna.


Weer stapten ze in het bootje en gingen de rivier de Sep op, op weg naar de Grote Woestijn, waarachter het eeuwige land van de indianen lag.


De prins had het nog steeds moeilijk. Weer werd hij duizelig. Het was alsof er iets in zijn hoofd knapte, en het werd hem weer zwart voor zijn ogen. 'Ik weet wat je aan het doen bent,' sprak een stem. 'En het is heel dom van je. Het elvenzout heeft mij tijdelijk verlamd, maar als ik ontwaak zal ik je doden.' Het was de keten. 'Ugh,' sprak de prins, en vertelde de barbaar wat de keten zojuist tot hem had gesproken.'


'De keten probeert je te intimideren, maar we moeten vol houden,' sprak de barbaar, terwijl ze verder peddelden.


'Ik hoop niet dat het elvenzout zijn kracht verliest,' zei de prins.


'Welnee,' zei de barbaar geruststellend. 'De keten kan niks beginnen.'


'Dat hoop ik maar,' zei de prins. Hij voelde zich nog steeds erg benauwd. 'Het lijkt wel alsof het elvenzout kracht aan het verliezen is. De keten lijkt wakker te zijn, maar is nog steeds te verlamd om me wat aan te doen,' sprak de prins ongerust.


'Welnee,' zei de barbaar. 'Het elvenzout is juist krachtiger geworden. Verlamming is zelfs beter dan slaap.'


'Ja, maar de keten botviert grote woede op mij,' sprak de prins. 'Is er geen beter middel ?'


'Niet dat ik weet,' sprak de barbaar. De prins was in grote angst. Hij vond dat de barbaar maar makkelijk praten had. Rustig peddelde de barbaar door, terwijl de prins vaak stokstijf in het bootje zat.


De keten om de nek van de prins begon steeds strakker te zitten. 'Daar, ik zal je,' sprak de keten venijnig.


'Het wurgt me,' zei de prins, terwijl hij naar adem snakte. De barbaar deed weer wat elvenzout op de keten, maar het leek alleen maar erger te worden. 'Zie, het werkt niet,' zei de prins in paniek. Hij greep naar zijn keel, en probeerde wat ruimte te maken tussen hem en de keten. De keten was meedogenloos. De keten kwam strakker en strakker te zitten. Weer werd het zwart voor de ogen van de prins. Hij voelde zich alsof hij zou stikken. Na een tijdje kwam de prins weer bij. Hij kon wat rustiger ademhalen. 'Misschien slaapt de keten weer,' sprak de prins.


'Het went wel,' sprak de barbaar.


'Nee,' zei de prins. 'Het went niet, en ik wil er vanaf.'


'Wees blij dat je nog leeft,' sprak de wachter.


'Ja, maar voor hoe lang ?' zei de prins.


Aan de rivier de Sep leek geen einde te komen. 'Hoe lang gaat dit nog door ?' jammerde de prins.


'De rivier de Sep is eindeloos,' sprak de barbaar. 'Ik zei je toch dat je de vorige keer veel te vroeg stopte ?'


'Dat kwam door de steen,' zei de prins. 'We hadden geen andere keus.'


'Ja, hij heeft jullie zwaar bedrogen,' sprak de barbaar.


'Stopt deze rivier nooit ?' vroeg de prins.


'Nee,' zei de barbaar. 'De rivier de Sep is een eindeloze rivier.'


'Ja maar je zei dat de rivier zou uitlopen in de Grote Woestijn,' zei de prins.


'Jawel,' zei de barbaar, 'maar de Grote Woestijn is in wezen onbereikbaar, omdat de rivier de Sep eindeloos is.'


'Ja, maar hoe komen we daar dan ?' vroeg de prins een beetje ongeduldig en geirriteerd.


'We kunnen daar niet komen,' zei de barbaar.


'Zeg, zit je me nu voor de gek te houden, of niet ?' vroeg de prins een beetje boos. 'Wat doen we hier dan als we er toch niet kunnen komen ?'


'Proberen,' zei de barbaar. 'Er moet een manier zijn. Onthoud dat ik een beetje draken magie ken. Als de draken in de Grote Woestijn kunnen komen, dan kunnen wij het misschien ook.'


'Ja, maar de manier waarop je praat is irritant, alsof je jezelf tegenspreekt,' sprak de prins.


'Alles heeft twee kanten,' sprak de barbaar.



'Hoe kunnen we eindeloosheid overbruggen ?' vroeg de prins.


'Door draken magie,' sprak de barbaar.


'En hoe gaat dat ?' vroeg de prins.


'We moeten naar de pekkabouter,' zei de barbaar. 'Die maakt speciaal pek hiervoor, waarmee we het bootje kunnen insmeren om zo de Grote Woestijn te bereiken.'


'Toverpek ofzo ? Pek voor draken magie ?' vroeg de prins. 'Klinkt interessant.'


'Ja, maar die pekkabouter is niet zo'n brave broeder, prins Jagerstouw,' sprak de barbaar. 'We moeten net geluk hebben. Als hij ons niet mag, dan zou hij ons kunnen aanvallen met de toverpek, waardoor we vastgeplakt worden, en nooit meer weg kunnen komen. De pekkabouter staat erom bekend dat hij als hij in een slechte bui is je in een standbeeld kan veranderen.'


'Zouden we het dan wel doen ?' vroeg de prins.


'We hebben geen andere keus,' sprak de barbaar. 'We kunnen hem gewoon op de normale manier benaderen, of wachten totdat hij slaapt, en dan de toverpek roven.'


De prins dacht even na. 'Laten we het maar op de normale manier doen, want op dieventocht gaan heb ik even geen zin in.'


'We lopen dan wel groot risico,' sprak de barbaar.


'Ja, maar als we op dievenpad gaan lopen we ook een groot risico,' zei de prins.


'Het is nogal eenvoudig,' zei de barbaar. 'Als de kabouter slaapt kunnen we gewoon de schuur in waar het toverpek is.'


Bij een vernauwing van de rivier de Sep, waar een klein bruggetje was, moesten ze het bootje uitstappen. De barbaar maakte het bootje goed vast aan een struik met een touw. Even moesten ze een zandweggetje op, wat uitliep op een graspad wat naar het huisje van de pekkabouter leidde. Maar al snel werden ze begroet door luid geblaf. De honden lagen dan wel aan een ketting, maar ze wisten nu allebei dat diefstal geen optie was. Bij het huisje aangekomen klopte de barbaar aan, waarna even later een klein mannetje met een lange wit-grijze puntbaard opendeed. Hij had een rood pakje aan, met rode, zachte laarzen. 'Kijk eens aan, bezoek !' snauwde het mannetje. 'Kom verder, alhoewel ik niet bepaald in een goede bui ben.'


'We kunnen ook een andere keer terugkomen,' sprak de barbaar, die al in gedachten had hoe hij eventueel de honden zou kunnen rustig maken.'


'Welnee, kom verder,' sprak de kabouter, die de barbaar en de prins al had vastgegrepen om ze naar binnen te trekken.


'Het is hier eenzaam wonen,' sprak de kabouter. Toen was het even een lange tijd stil.


'Ik begrijp het,' sprak de barbaar ineens. 'Ik hoop dat we niet ongelegen komen. U heeft een mooi onderkomen hier. Het moet vast heel duur zijn geweest, of in ieder geval zwaar werk. Zeg, beste man, moet u eens luisteren. Wij komen voor een beetje toverpek, en we vroegen ons af …' Maar afmaken kon hij zijn zin niet, want de kabouter begon hevig te foeteren. 'Toverpek ! Zeg, wie denken jullie wel niet dat ik ben. De eerste de beste … ? Wel alle drommels, wie denken jullie wel niet wie jullie voor je hebben ? Dat zijn me nogal wat kwajongens streken, zomaar een arme oude kabouter om toverpek vragen. Weten jullie wel niet hoe duur dat spul is, en hoe lang ik moet werken voor maar één druppel toverpek ? En dan komen jullie hier op z'n Jan Boerenfluitjes om toverpek zaniken. Zijn jullie lui ? Zijn jullie op jullie achterhoofd gevallen ? Nou, dat moet ik nog meemaken, dat jullie nog een keer om toverpek komen vragen. Ik moet het nog meemaken. Nee, ik zal dat niet meer meemaken, daarin kan ik jullie geruststellen. Er komt heus geen tweede keer.'


De kabouter foeterde verschrikkelijk, en er leek geen einde aan te komen. Geen woord konden ze er tussen krijgen. Ze wisten dat ze al goed te ver waren gegaan, en waren hard aan het denken hoe ze de kabouter weer rustig konden maken, of hoe ze aan de woedende kabouter, die steeds woester en gevaarlijker werd, te ontkomen.


'Nog even, en ik trek potverdorie mijn mes !' riep de kabouter hevig snauwend. 'Wie denken jullie wel niet dat jullie zijn om voor zoiets een arme, oude kabouter lastig te vallen ?'


Inmiddels had de barbaar een zak met geld van zijn riem losgetrokken, en drukte het onder de neus van de razende kabouter. De kabouter keek erna, en schreeuwde : 'Hoe durf je mij daar zo weinig geld voor aan te bieden. Als ik het niet dacht. Wat klunzige armoedzaaiers proberen mij voor geen geld, voor een appel en een ei, mijn kostbare, dierbare toverpek af te troggelen, waar ik zo hard voor gewerkt heb met bloed, zweet en tranen ? Elke druppel koste mij bijna mijn leven. Elke druppel heeft mij groot lijden gebracht, en jullie denken dat even doodleuk van mij te krijgen alsof ik potverdorie de grote geef-kabouter ben ? Oh ja, vadertje zal het jullie weleens even schenken wou je zeggen. Nou, ik weet al precies wat ik met jullie ga doen.'


'Alstublieft,' smeekte de prins. 'We zullen alles voor u doen voor maar één druppel toverpek. U mag alles van ons hebben. Wij zijn uw dienstknechten zo lang als u wilt, en als dat nog niet genoeg is, dan smeek ik u om ons te vergeven voor onze klunzerigheid, voor deze ene keer. Misschien waren we gewoon aan het verkeerde adres. We waren op zoek naar de heer Jules Suikerbiet, en dat was geen kabouter. Vergeef ons. We hebben aangeklopt aan de verkeerde deur.'


'Jullie hebben niets,' raaste de kabouter. 'Jullie hebben niets te bieden voor alle eeuwen van pijn en tragedie die ik heb moeten doorstaan voor een paar rot-druppels toverpek. Ik zal jullie leren, snot apen die jullie er zijn. Niets kunnen jullie doen om ook maar een halve druppel toverpek te betalen, stelletje lamlendelingen. Het geblaf van mijn honden was er al om jullie te waarschuwen, maar nee hoor. Toch nog komen klagen, huilen en smeken bij een oude kabouter voor wat toverpek. Het is onbetaalbaar, vergeet het maar. En wat jullie gedaan hebben, wat jullie nu op jullie geweten hebben door een oude, hardwerkende kabouter lastig te vallen op deze manier is ook onbetaalbaar. Kom op, jongens. Dat kunnen jullie niet meer goedmaken. Jullie hebben mij groot leed gebracht.'


De razende, woeste kabouter greep naar het mes wat aan zijn riem zat. 'En nu meekomen naar de schuur !' snauwde hij hysterisch. De barbaar verroerde zich niet, en de prins wist ook niet wat hij moest doen. Maar de kabouter trok hen het huisje uit naar de schuur, terwijl de honden hevig aan het blaffen waren. In de schuur was een bad met toverpek.


'Alstublieft,' smeekte de prins. 'We hadden echt geen kwaad in zin.' De kabouter zei niets meer, en begon met touw de barbaar en de prins vast te binden. 'Ik ga eraan,' dacht de prins bij zichzelf. 'En ik heb ook nog een keten die achter mij jaagt.' De prins wilde zich niet zomaar overgeven, en rukte zich los toen de kabouter een knoop in het touw wilde maken. 'Sufferd, blijf stil !' snauwde de kabouter. Ook de barbaar rukte zich los van de kabouter, maar de kabouter had al snel een beker toverpek in zijn handen. 'Dit willen jullie echt niet over jullie heenkrijgen, want dan kun je je nooit meer bewegen. Vastgeplakt voor eeuwig, dus denk maar goed na voordat je iets stoms doet.' De kabouter hief de beker op, klaar om het pek te gooien. 'Het elvenzout !' riep de barbaar. De prins greep naar zijn zak met elvenzout die hij aan zijn riem had zitten, en nam er wat van in zijn hand. Snel gooide hij het in het gezicht van de kabouter.


'Dat hadden we eerder moeten doen,' sprak de barbaar. De kabouter lag doodstil op de grond. Hij sliep. Vanuit zijn beker droop het toverpek op zijn rode pakje, en hij begon langzaam te verstenen, terwijl hij lag vastgeplakt aan de grond. De barbaar en de prins namen toen zoveel mogelijk toverpek mee als ze konden, en nadat ze wat toverpek naar de woeste honden van de kabouter hadden gegooid om deze ook te zien verstenen en vastplakken aan de grond, gingen ze terug naar het bootje. Ze mochten het toverpek niet aanraken, maar goten het uit aan de zijkanten van de boot, en smeerden de zijkanten van het bootje in met het toverpek. Voorzichtig stapten ze toen in het bootje, en gingen de rivier de Sep weer op. Ditmaal merkten ze dat het sneller ging, en al gauw kwamen ze aan bij de reusachtige woestijn, de Grote Woestijn. Het bootje lieten ze aan het einde van de rivier achter, en gingen toen door de Grote Woestijn op weg naar het eeuwige land van de indianen.



Hoofdstuk 8. De Tweede Rivier


Het was warm in de woestijn. De prins keek zijn ogen uit. Er leek geen einde te komen aan de uitgestrekte vlaktes. 'Hoe komen we hier doorheen ?' vroeg de prins. 'Ook deze woestijn lijkt wel eindeloos.'

'Precies,' zei de barbaar. 'Deze woestijn is eindeloos, zoals de rivier de Sep, en we kunnen alleen de overkant bereiken door draken magie.'


'Ook weer door toverpek ?' vroeg de prins.


'Nee,' sprak de barbaar. 'Alleen het ei van de gele vogel kan de Grote Woestijn overbruggen.'


'Wat is de gele vogel, en waar kunnen we zo'n ei vinden ?' vroeg de prins.


'De gele vogel is een drakenvogel. Ze kunnen reusachtig groot worden. Het ei geeft de bezitter magische krachten,' sprak de barbaar. 'De vogel komt hier eens in de tien jaar, en een ei zal hij ons echt niet geven.'


'Maar hoe komen we dan de Grote Woestijn over ?' vroeg de prins.


'Madammeke Zig Zag kan de vogel oproepen, en ze verkoopt volgens mij ook zulke eieren,' sprak de barbaar.


'Wie is Madammeke Zig Zag, en waar kunnen we haar vinden ?' vroeg de prins.


'Het probleem is dat ze aan de andere kant van de Grote Woestijn woont,' sprak de barbaar.


'Daar hebben we dan niks aan,' sprak de prins een beetje teleurgesteld.


'Zij komt hier eens in de honderd jaar,' sprak de barbaar bijna deftig.


'Zeg luister eens,' zei de prins. 'Waarom praat je ineens zo deftig. Is ze in de buurt ofzo ?'


'Nee,' zei de barbaar. 'Ze is geen velden of wegen te bekennen, maar ik weet dat zij wil dat wanneer men over haar spreekt, dan moet men deftig spreken, heel deftig.'


'Oh, luistert ze ons af ofzo ?' vroeg de prins.


'Wie weet,' sprak de barbaar met deftige gebaren. 'Madammeke Zig Zag kan immers alles.'


'Kan ze niet even voor ons komen ?' vroeg de prins.


'Nee, dat kan ze niet. Zet dat maar snel uit je hoofd,' sprak de barbaar.


'En waarom dan niet ?' vroeg de prins.


'Omdat zij gebonden is aan de wetten van de draken magie. Zo niet, dan zou het hele universum ontploffen,' sprak de barbaar.


'Ligt het zo gevoelig ?' vroeg de prins. 'Zij woont dus tussen de Grote Woestijn en het land van de indianen in ?'


'Ja, in het overgangs-gebied,' sprak de barbaar, 'daar waar alle draken veranderen in buffels.'


'Ik zie hier geen draken,' sprak de prins.


'Nee,' zei de barbaar, 'inderdaad. Die komen hier niet vaak. Het is een groot risico.'


'Dus voor hetzelfde geld wachten we hier nog honderd jaar totdat die Madammeke Zig Zag eens komt opdagen ?' vroeg de prins.


'Ja, en dan heb je kans dat ze nog even terug moet voor haar eieren,' sprak de barbaar, 'dus dan zijn we zo nog honderd jaar verder voordat ze weer terug is.'


'Gezellig,' zei de prins. 'Is er geen andere manier om over de Grote woestijn te komen ? Ik bedoel iets sneller.'


'Niet dat ik weet,' sprak de barbaar.


'Kunnen we misschien op de rug van zo'n draak ?' vroeg de prins.


'Ben je gek,' sprak de barbaar. 'Dat gaat echt niet gebeuren.'


De prins voelde zich moedeloos worden. Hij begon van pure paniek de woestijn in te rennen, en begon toen als een wildeman te schreeuwen. 'Het is niet eerlijk, het is niet eerlijk !' schreeuwde hij. Plotseling zagen ze in de verte wat indianen op paarden aankomen. 'Hey !' riep de prins, en begon te springen en te zwaaien. 'Hey, hier moeten jullie zijn !'


De prins rende terug naar de barbaar. 'Daar komen wat indianen aan. Hoe komen die hier nu ?' vroeg de prins.


'Zij gebruiken de magie van de Grote Afgrond,' sprak de barbaar.


'Kunnen zij ons niet meenemen ?' vroeg de prins met enige hoop.


'Misschien,' zei de barbaar. 'We kunnen het proberen.'


De indianen ter paard kwamen steeds dichterbij. Na een tijdje stonden ze vlak voor de prins en de barbaar. De prins begon direct het hele verhaal te vertellen, in de hoop dat de indianen hen zouden meenemen.


Maar ook de indianen schenen aan ijzeren wetten te zijn onderworpen. Wel wilden ze aan Madammeke Zig Zag om twee eieren van de gele drakenvogel vragen. De barbaar gaf hen daarvoor wat geld mee. De indianen waren maar wat blij, sinds de barbaar en de prins hen wilden helpen in de buffeljacht, om zo te voorkomen dat er niet nog meer draken de Grote Afgrond zouden bereiken om zo onsterfelijk te worden. Ze gingen direct terug over de woestijn.


Zelfs voor de indianen was het nog een reis van drie dagen door de Grote Woestijn, maar dat hadden ze er wel voor over. Ongeveer na een week waren ze weer terug met de eieren. In de diepte van de woestijn zouden de eieren zo warm worden dat ze spontaan uitgebroed zouden worden. De jonge gele drakenvogels zouden direct al sterk en magisch genoeg zijn om hen over de eindeloze woestijn te brengen.


De prins en de barbaar begonnen hun tocht over de Grote Woestijn, met de eieren in hun handen. De eieren waren best wel groot en zwaar, maar het was nog wel te doen. Soms namen ze even een rustpauze. Na een paar uur te hebben gelopen begonnen de eieren steeds heter te worden. Op een gegeven moment waren de eieren zo heet, dat ze niet meer te dragen waren. De prins en de barbaar legden hun eieren in het zand, waar ze al snel kapot begonnen te springen. Twee jonge gele drakenvogels kwamen eruit. Ze strekten zich helemaal uit, en waren veel groter dan hun eieren zelf. Met gemak konden de prins en de barbaar op hun ruggen zitten. Ze waren blij dat het allemaal goed verliep zonder problemen. De twee gele drakenvogels stegen al snel op, en begonnen met een loeivaart richting het eeuwige land van de indianen te vliegen. De prins en de barbaar hielden de nekken van de goede drakenvogels goed vast. Het was alsof ze een magische barriere doorbraken. Dit konden de vogels doen, vanwege de draken magie die zij overvloedig van nature bezaten.


In de verte zagen ze het eeuwige land van de indianen. De prins slaakte een kreet van opwinding. Het was hier een erg tropisch klimaat. Vanuit de hete lucht vlogen ze in de wat vochtigere lucht vlak boven het begindeel van het eeuwige land van de indianen. Hier daalden de vogels neer, alsof ze wisten wat ze moesten doen. Het leek wel alsof de vogels niet meer verder konden. Tot hun grote schrik merkten ze dat de vogels in buffels begonnen te veranderen. Met een plof stortten ze op de grond. De buffels renden weer terug richting de woestijn door het overgangs-gebied.


De barbaar en de prins keken elkaar aan. Toen keken ze naar het eeuwige land van de indianen, en gingen tot het eerste de beste kamp. Een indiaan zat daar op de grond, voor zijn wigwam. Hij rookte een soort pijp, een lange pijp met veren. De prins wees op zijn keten, en begon al snel zijn verhaal te vertellen. Hij hoopte dat de indiaan hem kon helpen van de keten af te komen. De indiaan begon te spreken over de Grote Afgrond, waar alle ruimte ophoudt te bestaan, en waar men de ruimte weer wordt ingedreven. Alle ruimte stopt op dat punt. Door de magie van de Grote Afgrond zouden de indianen alles kunnen bereiken wat ze wilden, en alles kunnen krijgen wat ze wilden. Ook zouden ze hier kunnen afkomen van alles wat ze wilden. Wel was het zo dat de magische bron van de Grote Afgrond in de loop van tijden zo vervuild was geraakt vanwege de draken die als buffels tot de Grote Afgrond konden komen.


'Ik kan u helpen, als drakenjager,' sprak de prins, 'maar doet u alstublieft wat aan de keten om mij nek, die zich ook in mijn huid heeft gedrongen om mijn hart te ketenen. Hierom is mijn leven nog steeds in groot gevaar.'


De indiaan keek naar de keten en knikte. De draken die als buffels tot de Grote Afgrond konden komen werden daar onsterfelijke draken, en alhoewel ze weer teruggedreven werden tot ver buiten het eeuwige land van de indianen en de Grote Woestijn, hadden ze de bron van de Grote Afgrond ernstig vervuild, en zou dat een ernstige bedreiging kunnen vormen voor het voortbestaan van de bron en van het eeuwige land van de indianen. De draken zouden maar wat graag de bron en het eeuwige land van de indianen willen vernietigen of innemen. De indiaan raakte de keten aan. 'Elvenzout ?' vroeg hij. 'Ja,' zei de prins. 'Dat gebruik ik om de keten in slaap en verlamming te houden, zodat het mij niet kan doden vanwege mijn ontsnapping.' De indiaan knikte.


De indiaan begon aan de keten te trekken, maar kon het niet loskrijgen. 'Het zit goed vast,' zei de indiaan.


'Maakt u alstublieft de keten niet wakker, want dan ben ik er geweest,' sprak de prins die zich weer een beetje benauwd voelde. 'Maak je geen zorgen,' zei de indiaan. 'Als mijn vader terugkomt, het grote opperhoofd van deze stam, en medicijnman, dan zal hij je wel kunnen helpen.'


Na een tijdje kwam er een man met een grote verentooi op een paard tot het kamp. Hij stapte van zijn paard af. Ook hij rookte een pijp. Het bleek het opperhoofd te zijn. Hij wees direct op zijn keel, terwijl hij naar de prins keek. 'Laat me je helpen,' zei het opperhoofd. Het opperhoofd kwam naar de prins toe en legde zijn hoofd tegen de borst van de prins aan, alsof hij wilde luisteren. Toen nam het opperhoofd voorzichtig de keten in zijn hand. De keten zat nog steeds erg strak. 'Een lastig ding,' zei het opperhoofd. De prins knikte.


Heel langzaam begon het opperhoofd de keten te vieren, heel voorzichtig, heen en weer. 'Dit heb ik van Madammeke Zig Zag geleerd,' sprak het opperhoofd. 'Wij sussen de keten, maken het kalm en rustig, door het te brengen in natuurlijke golfbewegingen. Dan zal de keten minder gespannen zijn.' Het opperhoofd had zijn hand tussen de nekketen en de nek van de prins gelegd, en deed hier hetzelfde. Ineens met een zwaai brak hij de keten los. De prins zuchtte van opluchting. 'Nu zal de keten om je hart ook breken,' sprak het opperhoofd. Hij begon aan de keten te trekken, en trok de keten helemaal uit de borst van de prins, door de opening die daar altijd zat. Even bloedde de prins, maar het opperhoofd verbond het. Het opperhoofd slingerde de keten in het vuur.


'Bedankt,' zei de prins, die zich al een stuk beter voelde.


'Eindelijk,' sprak de barbaar.


'Laten we tot de Grote Afgrond gaan,' sprak het opperhoofd. De prins en de barbaar kregen een paard, en volgden het opperhoofd en zijn zoon.


Vele dagen moesten ze reizen voordat ze een glimp opvingen van de Grote Afgrond. Het leek wel alsof de Grote Afgrond hen tegemoet kwam. Er waren in de verte vele stormen, als tornado's. Ze droegen een vreemd licht in allerlei kleuren, zoals paars, geel en oranje. De tornado's waren als pilaren met hun eigen kleur, en bovenop hen was er een dak van een vreemd rood licht, bijna verzilverd. Het was een groot natuurverschijnsel. Het opperhoofd sprak dat de Grote Afgrond bewoog. Het kon dichtbij komen en ver weg. Ineens keken ze in een immens diepe afgrond. De paarden steigerden. Ergens stopte hier alle ruimte. Het leek wel alsof hier hun gedachten stopten, alsof al hun gedachten hier afbrokkelden. Het was even voor een lange tijd stil.


Toen probeerde het opperhoofd te praten, maar hij kon het niet. Hij maakte alleen wat gebaren met zijn handen, maar kon verder geen woord eruit krijgen. Na een tijdje stuntelen kon hij een beetje stotteren, maar niemand kon het verstaan. Na een tijdje begon hij duidelijker te spreken : 'Dat wat men tijd noemt is in wezen gewoon ook ruimte. Tijd bestaat niet. Zie tijd als ruimte, om zo niet opgesloten te raken in de betovering van tijd. Hier stopt alle ruimte. Hier kunnen we niet verder, maar hier worden we weer teruggedreven de ruimte in. De Grote Afgrond beweegt en kan ons overal brengen.'


'Dat lijkt op één grote trukendoos,' sprak de prins. 'Zou ruimte misschien ook een truuk zijn ?'


'Jazeker,' sprak het opperhoofd. 'Alles bestaat alleen maar op kaarten. Die kaarten geven de illusie van ruimte, en zo ook van tijd. Dit zijn de kaarten van de Rode Zee.'


'De Rode Zee ?' sprak de prins. 'Waar is die zee eigenlijk ?'


'Oh, die zee is wonderbaar,' sprak het opperhoofd. Zijn zoon knikte. 'Die zee is paradijselijk, en bevat alle geheimen van het leven.'


'Maar waar is die zee ?' vroeg de prins.


'Niemand weet dat,' zei het opperhoofd. 'Er bestaat immers geen ruimte. Dat is allemaal illusie. Ook nummers zijn illusie. Alles is één en hetzelfde.'


'Wauw,' zei de prins. 'Maar waar manifesteert de Rode Zee zich in de ruimte ?'


'Die zee is inderdaad nergens,' zei het opperhoofd, 'maar soms manifesteert de Rode Zee zich aan de andere kant van de rivier de Sep.'


'Dat is een eind lopen,' sprak de barbaar.


'Haha,' sprak het opperhoofd, 'inderdaad, want de rivier de Sep is eindeloos.' De zoon van het opperhoofd knikte. 'Je kunt er niet zomaar komen,' sprak het opperhoofd. 'Alleen zij die de magie van de Grote Afgrond kennen maken kans.'


'Is dat nodig ?' vroeg de prins. 'Ik bedoel is het nodig om tot de Rode Zee te gaan ?'


'Jazeker,' sprak het opperhoofd. 'Je moet de geheimen van het leven leren kennen, de kaarten van de Rode Zee, om zo tot de spiegelwereld van het eeuwige land van de indianen te komen, die achter de Rode Zee ligt, dus dat is helemaal aan de andere kant van de feeen rivier de Sep. Daar is afgerekend met het draken probleem.'


'Waarom bent u hier dan nog ?' vroeg de prins. 'Omdat ik de geheimen van de spiegel nog niet goed ken,' sprak het opperhoofd. 'Dus ik heb de spiegelwereld nog nooit kunnen binnengaan.' De zoon van het opperhoofd knikte.


'Het gebied van de Rode Zee aan de andere kant van de feeen rivier de Sep is een mysterieus gebied. Soms is de Rode Zee er wel, en soms is het er niet, omdat het eigenlijk nergens is, omdat ruimte een grote illusie is,' sprak het opperhoofd. Zijn zoon knikte. 'Velen kunnen nooit tot dit gebied komen,' ging het opperhoofd verder, 'want de feeen rivier de Sep is een eindeloze rivier. Aan de andere kant van de feeen rivier de Sep, oftewel het andere uiteinde, terwijl dat een eindeloos uiteinde is, ligt de bron van de feeen rivier de Sep, een groot geheim, bewaakt door een onsterfelijke draak. Dit is de draak Temin. Deze bron ligt dus in het gebied van de Rode Zee. De onsterfelijke draken zijn naar ons op jacht. Er is dus een hoger doel dan de buffeljacht, en dat is te komen tot de spiegelwereld van het eeuwige land van de indianen aan het andere eindeloze uiteinde van de rivier de Sep.' De zoon van het opperhoofd knikte.


'Dat is in godsnaam een lange reis,' sprak de barbaar. De zoon van het opperhoofd knikte. 'Dat is het zeker,' sprak het opperhoofd. 'En terug te gaan langs de feeen rivier is niet zonder gevaren. De draken jagen volop daar, en maken veel gevangenen en slaven zoals jullie wel weten. En zij die voor een tweede keer door de draken beetgenomen worden, die zijn er veel erger aan toe.'



'Dus die indianen die we aan het begin van de Grote Woestijn tegenkwamen waren ook op weg naar het andere eindeloze uiteinde van de rivier de Sep ?' vroeg de prins.


'Waarschijnlijk wel,' sprak het opperhoofd. 'Zij waren waarschijnlijk, hoogst waarschijnlijk, op weg naar de Rode Zee daar.' De zoon van het opperhoofd knikte.


'Wij hebben in ieder geval een voordeel,' sprak het opperhoofd. Even was het stil. Toen vervolgde het opperhoofd : 'Wij hebben de magie van de Grote Afgrond, een heilige magie. Wij kunnen bereiken wat wij willen, en afscheiden wat wij willen. Wij bemachtigen het grote geheim van ruimte, van verplaatsing, van samenkomen en weer weggaan. Maar het is bekend dat die magie van ons wegvlucht naarmate wij het Grote Midden van de rivier de Sep bereiken. Daar heersen de draken en de trollen volop. Het is het brandpunt van het grote kwaad en het grote bedrog, het middelpunt en de bron van alle ellende. Eens werd daar een draak geboren, en sindsdien waren ze niet meer te stoppen.' De zoon van het opperhoofd knikte weer.


'Hoe gebeurde dat ?' vroeg de prins.


'Salmar was een onsterfelijke draak, een onsterfelijk ei. Hij is de heerser over alle onsterfelijke draken. Nog steeds woont hij in het onsterfelijke ei. Dat is zijn schuilplaats. Hij is een meester van vermommingen. Sommigen zeggen dat hij al deze werelden heeft gemaakt. Sommigen denken dat hij goed is, en anderen denken dat hij slecht is, terwijl weer anderen denken dat hij niet goed en niet slecht is,' antwoordde het opperhoofd. Even was het een tijdje stil. Toen vervolgde het opperhoofd weer : 'In feite begon zo al het kwaad, en men zegt dat zelfs Salmar het kwaad niet meer kon stoppen.'


'Maar hoe werd hij geboren ?' vroeg de prins.


'Dat is een duister geheim van de rivier de Sep,' sprak het opperhoofd. 'Zo duister dat wij daar niet over mogen praten.'


'Ik begrijp het,' sprak de prins.


'Nee, je begrijpt het niet,' sprak het opperhoofd. 'Als wij daar over zouden spreken, dan zouden al deze werelden kunnen ontploffen, en daarmee het hele universum, en alles zou ophouden te bestaan.'


'Maar dat begrijp ik,' sprak de prins. 'Geheimen zijn niet voor niets geheimen. Dat kan vele redenen hebben die wij niet weten.'


'Nu begrijp je het,' sprak het opperhoofd. 'Het komt erop neer dat de wetten van magie onderhevig zijn aan veel geheimhouding. De magie gaat verloren als al die kaarten zomaar op tafel worden gelegd. Maar die kaarten kun je verdienen. Geheimen kun je verdienen, en dat is een grote uitdaging. Het maakt het leven waard te leven.' De zoon van het opperhoofd knikte instemmend.


'Dit is groots,' sprak de prins. 'Het lijkt wel alsof ik niet kan denken, maar alleen maar ervaren. Alles draait en tolt in mijn hoofd.'


'Dat is de magie van de Grote Afgrond,' lachte het opperhoofd. 'En nu op naar de magie van de Rode Zee. Het is als een kaartspel.'


'Maar de magie van de Grote Afgrond zal afnemen als we de rivier de Sep weer opgaan ?' vroeg de prins.


'Uiteindelijk wel,' zei het opperhoofd, 'maar de magie van de Rode Zee zal ons tegemoet treden. Althans dat mogen we hopen. Het is niet voor iedereen. Er zal over onze hoofden worden beslist.'


'Waar gaat het van afhangen ?' vroeg de prins.


'Doorzettingsvermogen, goede wil, dapperheid, moed, volhoudingsvermogen, vastberadenheid, regelmaat, houvast, vertrouwen, wilskracht, trouw, plichtsgevoel en waardigheid, om maar wat dingen op te noemen. In andere woorden : Je moet een grote leergierigheid hebben,' sprak het opperhoofd.


'Dat is een geruststelling,' sprak de prins. 'Ik ben namelijk erg leergierig. Ik wil altijd alles weten. Sommigen noemen mij de ondervrager van Eldemor.'


'Aha,' sprak het opperhoofd. 'Nou, dat kan misschien nog goed van pas komen.'


Vlakbij de Grote Afgrond was een hal. Het was de Hal van Verplaatsing. Hier werd de magie van de Grote Afgrond onderwezen. Met z'n vieren gingen ze de grote hal binnen. Hier stond ergens een grote tafel met daarop een map met gebieden. Ook stonden er pionnen op, en lagen er kaarten. Het geheel deed een beetje Middeleeuws aan. Toch brandden er ook lampjes, die waren als kleine kaarsjes. De vlammetjes hadden verschillende kleuren.


'Ik kan het niet goed zien,' sprak de prins. 'Het is wazig voor mijn ogen.'


'Je moet nog wennen aan de magie van de Grote Afgrond,' glimlachte het opperhoofd.


'Ja, nu kan ik het zien,' sprak de prins. 'Heel duidelijk.'


Het opperhoofd begon de pionnen te bewegen, en de lampjes begonnen te knipperen. 'Binnen dit gebied is de magie van de Grote Afgrond makkelijk uit te oefenen. Daarbuiten wordt het moeilijker,' sprak het opperhoofd. Zijn zoon knikte weer als altijd.


Het opperhoofd wees het gebied van Madammeke Zig Zag aan. Hij bewoog een pion daar naartoe, en de lampjes in het gebied begonnen overal paars te worden. 'We moeten haar om raad vragen hoe we naar de Rode Zee kunnen gaan,' sprak het opperhoofd. De prins knikte. Ook de barbaar knikte.


'Hoe komen we daar bij Madammeke Zig Zag, want het is me nogal een rot eind,' vroeg de prins.


'Moet je opletten,' sprak het opperhoofd. 'Ik zal je wat laten zien. We gaan tijd en ruimte overbruggen door de magie van de Grote Afgrond. Het opperhoofd drukte een aantal knopjes in. Toen begonnen de lampjes langzaam roze te worden in het gebied van Madammeke Zig Zag. 'Dit is haar huis,' sprak het opperhoofd, terwijl hij er even naar wees. Hij wees naar één van de pionnen, en begon de pion te bewegen tot de grote hal op de map. De grote hal was ook een pion. Toen bewoog hij de pion van het huis van Madammeke Zig Zag weer terug, en begon toen de pion van de grote hal te schuiven naar het huis van Madammeke Zig Zag. 'Zie je ?' vroeg hij.


'Ik begrijp er niet veel van,' sprak de prins. 'Gaat dat altijd zo moeilijk ?'


'Ik probeer je iets te laten zien,' zei het opperhoofd. 'Er moet eerst een verbinding gemaakt worden.'


'Ik begrijp het,' sprak de prins.


Het opperhoofd pakte een kaart, en begon het voor te lezen :

'Madammeke Zig Zag verwacht jullie al.'


Het opperhoofd glimlachte. 'Zie ? Er is contact gemaakt. De kaarten reageren op de pionnen, en geven dan een boodschap door.'


'Geweldig,' sprak de prins. 'Heel mooi,' zei de barbaar.


'Dat wil niet zeggen dat het altijd zo moet,' zei het opperhoofd. 'Dit is maar een hulpmiddel voor beginners. De pionnen van waar je bent en waar je naartoe moet, moeten contact met elkaar maken, en dan reageren de kaarten daarop.'


'Maar hoe komen we daar dan ?' vroeg de prins.


'Let goed op,' sprak het opperhoofd. Weer pakte hij een kaart. 'Lees het voor,' zei hij tegen de prins met een glimlach. De prins pakte de kaart en begon te lezen : 'Overbrug iedere ruimte snel en makkelijk door een feeenwortel.'


'Hoe doe ik dat ?' vroeg de prins.


'Door het te eten,' sprak het opperhoofd.


'Waar kan ik feeenwortels vinden ?' vroeg de prins.


'De Hal van Verplaatsing heeft ze volop in de keuken en de kelders,' glimlachte het opperhoofd. Zijn zoon knikte. Een glimlach verscheen op zijn gezicht. 'Arend Pot, mijn zoon, leidt onze gasten naar de keuken en de kelders, en laat ze die overheerlijke, magische, wonderlijke feeenwortels voor verplaatsing maar eens zien.'


'Dank u vader,' zei de indiaan. 'Volg mij,' zei hij tegen de prins en de barbaar. Aan de andere kant van de hal moesten ze even een trap af, en liepen zo regelrecht de keuken in. De indiaan trok wat lades open waar al veel feeenwortels te zien waren. Toen trok hij de koelkast open waar nog wel meer wortels lagen, en toen nog wat kastjes. Hij gaf een wortel aan de prins en één aan de barbaar. 'Nog niet opeten,' zei hij. Toen leidde hij ze naar de kelders, waar dozen vol met wortels lagen. Het opperhoofd glimlachte. 'Daar kun je veel mee reizen,' sprak het opperhoofd, 'maar ik zal jullie een geheim vertellen. De wortels raken nooit op. Je hebt maar één wortel nodig, die gewoon weer aangroeit als je ervan hebt gegeten.'


'Dat is handig,' zei de prins.


'Handig en gezellig,' sprak het opperhoofd. 'Je wortel wordt je beste vriend.' De zoon van het opperhoofd glimlachte breed, en begon hevig te knikken.


'Het is maar voor even,' zei de zoon van het opperhoofd. 'Het is maar voor beginners. In de hogere magie van de Grote Afgrond heb je die wortels niet meer nodig.'


Weer liepen ze terug naar de tafel met de map. 'Ik zal jullie nog even wat laten zien,' sprak het opperhoofd. Weer drukte hij een heleboel knopjes in, en de lampjes begonnen rood te kleuren. Weer nam hij een kaart, en las het voor : 'De verbinding is gemaakt, en de verbinding is open. Jullie zijn alle vier waardig bevonden voor de grote verplaatsing.'


'Eet nu je wortel,' sprak het opperhoofd. De prins en de barbaar begonnen gulzig te eten van hun wortel. Het leek wel alsof alles roze werd voor de ogen van de prins, en langzaam begon alles oranje te worden. Langzaam deed hij zijn ogen open. Een grote vrouw stond voor hem met een hoed op en een pollepel in haar hand. Hij keek om zich heen en merkte dat hij in een huis was. Daar waren ook de anderen. Dit was het huis van Madammeke Zig Zag. Het opperhoofd boog beleefd voor de vrouw, en ook zijn zoon. Ze bogen wel twintig keer. Ook de prins begon maar te buigen.


'Zeg, buig jij ook eens even voor mij,' sprak Madammeke Zig Zag tot de barbaar. 'Zomaar plomp voor me staan is ook niet echt netjes.'


'Ja, mevrouw,' sprak de barbaar deftig, en boog diep voor haar. Toen knielde hij.


'Zo mag ik het zien,' zei Madammeke Zig Zag.


Het opperhoofd vertelde haar het verhaal, dat zijn gasten graag naar de Rode Zee zouden gaan. Madammeke Zig Zag liep naar haar bol van visioenen om erin te kijken wat het beste was.


'Aha, ik zie het,' zei Madammeke Zig Zag, 'het is beter om niet terug te gaan langs de rivier de Sep. Veel te gevaarlijk. Er is een betere weg. De Regenboog Rivier, dat is de grote elven rivier, is een andere rivier die met een grote boog weg van de feeen rivier de Grote Afgrond verbindt met de Rode Zee. Die rivier ligt er dus tussen, maar is ver verwijderd van de feeen rivier. Om die rivier te bereiken moet je langs de Grote Afgrond gaan.'


Het opperhoofd glimlachte : 'Hartelijk dank voor deze wijze raad, Madammeke Zig Zag.'


'Kan daar ook magie van de Grote Afgrond gebruikt worden ?' vroeg de prins.


'Helemaal niet,' sprak Madammeke Zig Zag. 'Je kunt daar zelfs niet komen door Grote Afgrond magie. De elven hebben hun eigen magie.'


Madammeke Zig Zag legde hen even uit hoe ze moesten komen bij de Regenboog Rivier van de elven, en toen gingen ze op pad.


Het was een lange reis langs de Grote Afgrond. Eerst was de Grote Afgrond hen gelukkig tegemoetgekomen, maar toen moesten ze nog een hele lange reis er langsheen. Op een gegeven moment kwam het stoom van de wateren van de Regenboog Rivier hen tegemoet. De rivier stoomde altijd erg. Niet dat het er altijd heet was. Het kon soms heet zijn, maar het klimaat was gewoon ook erg vochtig. Het leek hen van ver al te besproeien. Het was een aangenaam gevoel, als stuivend water, wat tegelijkertijd heet en fris was. De prins kreeg het er warm van, maar niet onaangenaam. Het leek hem te omhullen als een warme deken. Het maakte hem blij en gelukkig. Het was alsof zijn herinneringen gespoeld werden, en zijn wonden verdwenen. Overal waren hier klotsende watervalletjes. Ze waren nu erg dichtbij de rivier. Ergens vonden zij een bootje waarin zij de rivier opgingen. Aan beide kanten van de rivier waren hoge vochtige heuvels met verschillende verhogingen en veel begroeiing. Alle vier namen zij een peddel, en begonnen te peddelen. Er was een bepaalde stroom in de rivier die hen meetrok verder de rivier op. Plotseling sprong er een lange elf in hun bootje. 'Hey, welkom in het gebied van de Regenboog Rivier,' sprak de elf hen toe. 'Hoe kan ik jullie helpen. Waar gaat de reis naartoe ?' Het opperhoofd begon het verhaal te vertellen.


'Ah,' zei de elf. Hij strekte zich even uit. Even was het stil. 'Ik ben Langelf,' sprak de elf plotseling. 'De Regenboog Rivier gaat helemaal terug in de tijd, totdat het aankomt bij de Rode Zee, waar alle tijd begint, als de bron van alle tijd.'


'Ik dacht dat tijd niet bestond, maar dat tijd niets anders is dan ruimte,' sprak de prins.


'Precies !' riep de elf enthousiast. 'Jij begrijpt het. Tijd is een illusie, een onderverdeling van overbruggelijke en onoverbruggelijke ruimte. Tijd is een bouwsteen. Je kunt ermee bouwen, wat je maar wilt. Dus eigenlijk is het gewoon ruimte en materie.' De elf keek heel filosofisch. 'We gaan hier door alle tijden heen, totdat we bij de bron van alles komen. Tijd is eindeloos, zonder begin en zonder einde, maar door de elven magie kun je dit uiteindelijk overbruggen, waar tijd gewoon ruimte is, de verschillende etappes van de Regenboog Rivier. Wij zijn erg trots op ons majestueuze werkstuk.


'Wie hebben de Regenboog Rivier gemaakt ?' vroeg de prins.


'Wij,' zei Langelf.


'Het is inderdaad iets heel lieflijks,' sprak de prins, 'en een adembenemende gewaarwording met zoveel gevoel en intensiteit.'


'Jullie zijn van harte welkom,' sprak Langelf.


'Ik voel een warmte in me dalen, en dan stijgt het weer op,' sprak de prins.


'Je herinneringen worden gezuiverd,' zei Langelf. 'Al je gebieden van tijd, tussen de twee eindeloze uiteindes van tijd in.'


'Geweldig,' sprak de prins.


'Wij waren allemaal gevangenen van de tijd,' sprak de elf. 'Maar de Rode Zee heeft ons vrijgezet. De Rode Zee is de bron van de Regenboog Rivier.'


'Fantastisch,' zei de prins. 'Is de Rode Zee een kaartspel ?'


'Zo zou ik het niet noemen,' sprak de elf. 'Het is veel meer dan dat. Ruimte bestaat niet. Alles is inderdaad onderverdeeld op kaarten die de illusie van ruimte geven, en zo de illusie van tijd. Alles wordt dus geregeerd door kaarten, en je mag in je leven stap voor stap de meest magische kaarten ontdekken. Die kaarten maken je gelukkig, doordat ze je hogere informatie geven, en dus hogere magie om je leven te begrijpen. Dit zal veel pijn weghalen, de pijn van verwarring en onbegrip. Er is veel misverstand in het universum omdat velen de kaarten niet kennen. Het is dus niet zomaar een spel, maar ook een verhaal over je eigen leven. Je moet ontdekken wie je bent, en waar je naartoe mag gaan. Is dat niet wonderlijk ?'


De prins knikte. Ook de zoon van het opperhoofd knikte instemmend. Allen waren ze aandachtig aan het luisteren naar de elf.


'Dus het is een spel en een verhaal met kaarten ?' vroeg de prins.


'Je moet het zo zien,' sprak de elf. 'De kaarten staan voor bepaalde stralen, bepaalde karakters en eigenschappen, elementen in het leven, die leiding kunnen geven en deuren kunnen openen. Die kaarten kun je verdienen, en worden aan je gegeven op de juiste tijd. Zo mag je komen tot de Rode Zee, waar de kaarten arsenalen zich bevinden, de kaart-archieven van het leven.'


'Wij moeten dus oorlog voeren door de kaarten ?' vroeg de prins.


'Oh ja,' sprak de elf. 'Wij moeten de draken verslaan. Alleen de kaarten kunnen dit. De kaarten hebben alle informatie die je nodig hebt.'


'Magisch,' sprak de prins. 'Hoe gaat dat in z'n werk ? De draken verslaan door de kaarten ?'


'Dat zul je wel zien,' glimlachte de elf. 'Het grote spel of verhaal is nog maar net begonnen. Het is een grote oorlog. Een oorlog van kaarten. Informatie tegen informatie. Degene met de beste informatie wint.'


'Dus als ik het goed begrijp is de Rode Zee er niet altijd ?' vroeg de prins.


'Eigenlijk nooit,' sprak de elf. 'En eigenlijk is de Rode Zee nergens, omdat tijd en ruimte niet echt bestaan. Je moet daar doorheen prikken. De Rode Zee is een kaart. Dat is alles wat het is, als de heerser van alle kaarten, die de poort tot de spiegelwereld van het eeuwige land van de indianen bewaakt. Die poort is een magische spiegel. Alleen door de juiste kaarten kan die poort geopend worden.'


'Wauw,' zei de prins. 'Dus de Regenboog Rivier eindigt in een kaart ?'


'Nee,' zei de elf. 'Het loopt uit in een groot bos tot een feeen terras, waar feeen komen voor een potje kaart.'


'Aha !' lachte de zoon van het opperhoofd.


'De feeen spelen daar kaart, en een ieder die daar komt kan daar aan deelnemen, maar er zijn wat risico's aan verbonden, hele grote risico's zelfs,' sprak de elf. 'De kaart van de Rode Zee moet je winnen, maar als je verliest, dan zak je of door de grond tot het land van trol, of je gaat terug naar de feeen rivier de Sep. Het hangt er maar net vanaf welke kaarten je krijgt.'


'Dat klinkt gevaarlijk,' sprak de prins. 'Moet ik daar echt mijn leven voor wagen ?'


'Beste broeder,' sprak de elf, 'jij bent degene die de kaart van het eeuwige boek draagt, een zeer mysterieuze kaart. Die kaart kun je voor alles inzetten. Het is de joker van het spel.'


'Dus in wezen draag ik de kaart van de Rode Zee al bij me, als ik de kaart van het eeuwige boek voor alles kan gebruiken ?' vroeg de prins.


'Jazeker,' sprak de elf. 'Je kan gewoon daar die kaart laten zien, en vragen om de kaart van de Rode Zee.'


'Maar waar heb ik die kaart ?' vroeg de prins.


'Het litteken in je hoofd zal het je laten zien,' sprak de elf. 'Heb jij niet ooit het eeuwige boek geschreven aan de feeen rivier de Sep ?'


'Deels,' sprak de prins.


'Fraai,' sprak de elf. 'Heb je daar nog iets van bij je ?'


'Nee,' sprak de prins.


'De feeen zullen het vast aan je kunnen zien dat jij de schrijver van het eeuwige boek bent. Misschien hebben zij die kaart wel voor je,' sprak de elf.


'Ik hoop het,' sprak de prins.


'Iedereen draagt al kaarten met zich mee van nature,' sprak de elf. 'Ik zie ook bij jou de kaart van de Dinosaurus Rijder, en de kaart van de Krokodillen Rijder.'


'Waar ?' vroeg de prins.


'Ik heb daar ogen voor,' zei de elf. 'Ik kan het onzichtbare zien.'


'Waarom spelen die feeen zo'n gevaarlijk spel eigenlijk,' vroeg de prins.


'Om de spionnen van de draak uit te ziften,' sprak de elf. 'Het kaartspel kan hen namelijk ontmaskeren.'


'Ik begrijp het,' sprak de prins. 'Voor bescherming en veiligheid dus.'


'Jazeker,' sprak de elf.


Op een verhoging in het bos lag het feeen terras. Er was een grote cirkel van vele feeen, allemaal rondom een grote tafel. Het bootje stopte vlakbij het terras, waar de rivier ten einde liep. Iedereen stapte uit. 'Ik moet weer gaan,' sprak de elf, en verdween weer snel het bos in. De feeen waren druk bezig met kaarten. Er zaten veel wezens tussen hen in, en zelfs draken. 'Ik denk dat je het aan het verliezen bent, Almond,' sprak een fee. 'Het Meer van Visioen is geen leuke plaats om te zijn.'


'Oh, jawel,' zei één van de draken. 'Wij hebben het zelf gemaakt.'


'Welnee joh,' zei de fee. 'Het is een gevangenis die wij hebben gemaakt, voor losbollige betweters zoals jij.'


De draak begon een beetje geirriteerd te raken, en boos, en begon vuur te spugen.


'Oh, Almond,' zei de fee. 'Leer eens te communiceren in plaats van al dat nutteloze geweld. Dat vuur is alleen maar kook-vuur. Dat kunnen we goed gebruiken, en het deert ons niet. We kunnen ons eten ermee opwarmen, maar voor jou is het echt tijd om naar school te gaan, misschien een iets leuker en beleefder woord voor gevangenis.'


'Jullie feeen brouwen er weer niets van,' brulde de draak. 'Morgen zal ik terug zijn om jullie eens een lesje te leren !'


'Volgende week, Almond,' sprak de fee. 'Een weekje school zal je goeddoen. Het Meer van Visioen is altijd blij met terugkerende leerlingen. Volgende week zullen we zien of je er echt iets van heb opgestoken, Almond.'


'Haa,' brulde de draak, 'dat lieve Meer van Visioen is van ons, en het is een meer vol leugens. Ik ben er niet bang voor. Wij houden van liegen en bedriegen. Het is ons dagelijks brood. Je doet me daar een groot genoegen mee om me daar naartoe te zenden, als een reisje naar een pretpark. Het zal een dolleuk feestje zijn.'


'Nee, Almond,' sprak de fee. 'Het Meer van Visioen is geen domein van leugens en bedotterij. Het zijn raadsels die je moet oplossen. Doe je het niet, dan blijf je zitten in de klas.'


'Totdat ik het door ga krijgen, juf ?' brulde de draak.


'Precies, Almond,' sprak de fee.


'Wat een ellende, wat een dikke ellende,' brulde de draak. 'Het is altijd hetzelfde liedje hier. Almond, doe dit. Almond, doe dat. Nooit een keertje tijd voor plezier.'


'We hebben genoeg plezier vandaag gehad, Almond,' sprak de fee, 'maar helaas heb je het spel weer verloren, dus moet je terug naar school. Volgende keer beter.'


'Waarom ga je zelf niet naar school, juf ?' brulde de draak.


'Het hele leven is een school,' sprak de fee. 'Soms is het tijd om te spelen, soms is het tijd te leren, en dat geldt voor ons allemaal.'


'Ik zie u gauw dan in het Meer van Visioen, juf,' brulde de draak.


'Ik moet nog afwassen, en daarna is het alweer tijd voor een spelletje kaart,' sprak de fee. 'Ik moet nog meer leerlingen testen.'


De fee drukte een knopje in, en de draak gleed weg door de grond. 'Ziezo, die is weg,' zei de fee.


Het scheen dat de feeen hier een heel ander idee en beeld hadden van het Meer van Visioen. Wat minder dramatisch, meer als een leerschool en een puzzel.


'En wie hebben we daar ?' sprak de fee die de leiding van het spel scheen te hebben. Het opperhoofd begon het verhaal te vertellen.


'Aha, ik zie het,' sprak de fee. 'En hebben jullie ook zin in een potje kaart ?'


'Ik wil niet eindigen in het Meer van Visioen,' sprak de prins.


'Maak je geen zorgen,' sprak de fee. 'Ik zie dat je de kaart van het eeuwige boek draagt. Die kun je voor alles inzetten.'


'Ik zou graag de kaart van de Rode Zee willen hebben,' sprak de prins.


'Nou, dan krijg je er eentje bij,' glimlachte de fee. Uit haar binnenste jaszak haalde ze een kaart, en gaf het aan de prins. 'Alsjeblieft,' zei ze.


De prins keek op de kaart, en zag een rood glimmende zee. 'Kunnen mijn vrienden ook mee ?' vroeg de prins.


'Je kunt er precies drie meenemen, maar het hadden er ook echt niet meer moeten zijn,' glimlachte de fee.


'Waar moeten we nu naartoe ?' vroeg de prins.


'Achter het terras staat een kaartlees-machine, een standbeeld van een eekhoorn. Je kunt de kaart daar in de gleuf drukken, ten hoogte van zijn borst,' glimlachte de fee.


Ze liepen naar de andere kant van het terras, en achter een bruin muurtje stond inderdaad de eekhoorn. De prins stopte het kaartje in de gleuf. Na een tijdje begon de eekhoorn te spreken. 'Eh, nee hoor, komt niks van in. Nee hoor, ik kan je echt niet doorlaten. Nee hoor, ik kan niets voor je doen. Sorry hoor, maar daar komt echt niets van in.' Ook de fee kwam achter het bruine muurtje en begon te lachen. 'Dat doet hij wel vaker hoor,' lachte de fee. 'Hij is even het kaartje aan het verwerken.'


'Ik kan dit niet doen,' zei de eekhoorn. 'Ik ga hier echt niet voor zitten. Ik heb het wel weer gezien, en hier komt niks van in. Er komt niks van in, hoor. Echt niet.'


De fee lachte erom. 'Hij is bijna klaar, denk ik,' lachte de fee.


'Oh ja,' zei de eekhoorn, 'nou zie ik het hoor. Nou, vooruit dan maar, voor deze ene keer. Maar laat het niet meer gebeuren. Ik heb hier al genoeg van gehad, en je bent de laatste voor vandaag. Vooruit maar dan, maar wel doorlopen, en niet treuzelen, anders roep ik je weer terug. Dit is echt de laatste keer dat ik je doorlaat. Waag het niet nog een keer bij me te komen met je smoesjes.'


De fee lachte. 'Zie je nu wel, niets aan de hand. Hij laat je gewoon door.'


'En waar moeten we nu naartoe ?' vroeg de prins.


'Volg mij maar,' zei de fee. Na een tijdje wees ze een richting in. 'Als je die kant op loopt,' zei ze, 'dan kom je vanzelf bij de Rode Zee. Alleen zij die de kaart hebben kunnen de Rode Zee zien. Voor alle anderen is de Rode Zee er niet.'


De prins hield het kaartje goed vast, en liep in de richting die de fee had aangewezen, terwijl de anderen hem volgden. Het was hier nogal dichtbegroeid. Na een tijdje lopen zagen ze in de verte wat roods glinsteren. 'Dat moet de Rode Zee zijn,' sprak de prins.




Hoofdstuk 9. De Rode Zee


Plotseling werden ze tegengehouden door elven die pijl en boog op hen gericht hadden. 'Wat komen jullie hier doen ?' snauwde één van de elven.


'Wij hebben toegang gekregen van de feeen van het feeen terras,' sprak de prins.


'Niks mee te maken,' snauwde de elf, die zijn pijl al bijna in het gezicht van de prins had gedrukt. 'Maak dat je wegkomt,' sprak de elf geirriteerd.


'We hebben ook een kaartje,' zei de prins, en liet de kaart van de Rode Zee zien.


De elven begonnen te lachen. 'Wat hebben wij daar nou mee te maken, jongen,' zei de elf op een bijna spottende toon. Hij had zijn hand tegen de schouder van de prins gezet, en duwde hem weg. 'Dit is ons gebied, belachelijk figuur. Val ons niet lastig met je stomme kaartjes.'


'Wij komen voor de Rode Zee,' sprak de barbaar.


'Rode Zee ?' lachte de elf. 'Er zijn hier geen zeeen. Nou maak dat je wegkomt, en snel een beetje. We hebben geen uren de tijd.'


Het opperhoofd sprak toen wat dingen in een speciale elventaal, maar toen begon de elf nog kwaaier te worden. Met zijn boog sloeg hij het opperhoofd, en ook de andere elven begonnen te slaan. 'Laat je niet misleiden om tegen hen te vechten,' sprak het opperhoofd. 'Ze bezitten hoge magie, en de magie van de Grote Afgrond werkt hier niet. Zij zijn zo'n beetje de politie hier, dus we kunnen beter meewerken.'


Eén van de elven schoot giftige pijltjes met zijn blaaspijp. Alle vier werden ze geraakt, en vielen in een diepe slaap. De elven bonden hen vast, en namen hen mee naar een dichtbijzijnd dorp. Hier werden ze in een boerderij in een kooi gezet. Na een tijdje werden ze wakker in de kooi. Een wat oudere elf kwam om hen te ondervragen. Het bleek de hoofdman van het dorp te zijn.


'En jullie zijn op zoek naar de Rode Zee hier ?' bulderde de hoofdman van het lachen. 'Luister nou eens even. Laat me nou even niet lachen. Er zijn hier geen zeeen. Men heeft jullie maar wat wijsgemaakt. De Rode Zee ? Laat me toch niet lachen. Jullie hebben zeker domme spelletjes gedaan met die feeen. Die deugen niet. Die fantaseren er maar op los. Grote bedriegers zijn het. Al tijden zijn wij in grote oorlog met hen.'


De hoofdman ging op een stoel zitten en staarde naar hen. 'Denken jullie echt dat ik die onzin ga geloven ? Wij geloven in de elven kerk en het eeuwige boek, en daar blijft het bij.'


'Ik ben de schrijver van het eeuwige boek,' sprak de prins.


'Leugenaar !' bulderde de hoofdman. Toen begon hij te lachen. 'Het eeuwige boek is geschreven door een oude elf die allang is overleden. Probeer me nu niet nog meer onzin aan m'n neus te smeren.'


'Laat me dat eeuwige boek dan eens zien,' sprak de prins.


De hoofdman liep naar een boekenkast en griste een heel dik boek eruit. Toen liep hij naar de kooi toe, en stak het boek door de tralies. De prins pakte het boek, en begon te lezen. 'Dat heb ik geschreven,' zei de prins. 'Dat heb ik geschreven aan de feeen rivier de Sep. Het boek is nog niet af.'


'Heiligschennis !' bulderde de hoofdman. 'Hoe durf je te zeggen dat ons heilige boek nog niet af is. En hoe durf je te zeggen dat jij de schrijver van het eeuwige boek bent ?'


'Omdat het zo is. De oude elf moet het gestolen hebben, en gezegd hebben dat hij het eeuwige boek zelf had geschreven,'sprak de prins.


'Dikke onzin, dikke onzin,' sprak de hoofdman. 'Dit is heiligschennis naar onze profeet. Of je bent gewoon gek, krankzinnig, en denkt echt dat jij het eeuwige boek hebt geschreven, ons heilig boek waarin wij geloven. Ik ben veel malloten in mijn leven tegengekomen, maar jij bent wel echt de zotste van allemaal. En dan nog al die praatjes over de Rode Zee. Er is hier geen Rode Zee.'


'Je kunt alleen de Rode Zee zien als je de kaart van de Rode Zee hebt,' sprak de prins.


'Wat ?' lachte de hoofdman. 'Wat is dat voor grote onzin. Geef hier die kaart dan.'


'Ik kon het alleen maar voor mijn drie vrienden en mezelf gebruiken,' sprak de prins. 'Het moest eerst getest worden door een standbeeld van een eekhoorn.'


'Zeg, laat me nou toch echt niet lachen, vriend,' bulderde de hoofdman. 'Een standbeeld van een eekhoorn ? Wat zullen we nou krijgen ? Wat zijn dit voor smoesjes. Geef hier die kaart.'


De prins schoof de kaart van de Rode Zee door de tralies, die direct door de hoofdman uit zijn hand werd gegrist. 'Kijk dit nou eens,' bulderde de hoofdman. 'Dat zijn nou typisch van die belachelijke onzin kaarten van de Regenboog Rivier elven, waar wij ook in oorlog mee leven. Dat is allemaal bijgeloof, jongen. Ze filosoferen maar, maar het slaat allemaal nergens op. Het is allemaal mooidoenerij, maar je bereikt daar nooit wat. Houd die kaart van je maar, jongen. Ik ga er niet eens mijn tijd aan verspillen.' De hoofdman schoof de kaart weer terug door de tralies, en de prins nam de kaart opgelucht terug.


'Luister,' zei de hoofdman. 'Wij geloven in de elven kerk en het heilige eeuwige boek, geschreven door onze grote profeet, waarin wij ook geloven. Wat wij ook geloven en zeker weten is dat de feeen waar je het over had vermomde dinosaurussen zijn om ons geloof aan te vallen. Ze komen als lieftallige wezens tot ons om ons van ons geloof af te helpen. Het zijn grote bedriegers. Ze hebben jullie ook bedrogen. Morgen moeten jullie voorkomen bij de nieuwe profeet die onze kerk leidt. Die zal over jullie verdere lot beslissen.'


Boos liep de hoofdman de boerderij uit. Op het hooi in de kooi konden ze slapen, en dat deden ze ook, want ze waren flink moe.


De volgende dag werden ze uit hun kooi gehaald, en naar de kerk gebracht. Op een hoge troon zat een elf met lange uitstekende puntoren. Ze stonden een beetje scheef de lucht in. Hij had een groen pakje aan. 'Kom verder, vrienden, en welkom,' sprak de elf, die heel vriendelijk leek.


'Het spijt ons dat we zomaar in uw gebied kwamen,' sprak het opperhoofd. Zijn zoon knikte.


'Ach,' sprak de elf, 'helemaal geen probleem. Helemaal geen probleem. Ziet u, ik wil u mijn diepste excuses aanbieden. De dorpelingen hier zijn nogal ruw en onhandig. Ze schrikken snel van dingen, en komen dan in onnodig verweer. Ik denk dat ze zich zo veiliger voelen. Het is hun manier van bescherming, maar het klopt niet echt.'


'We waren op weg naar de Rode Zee,' sprak de prins.


'Daar heb ik over gehoord,' glimlachte de elf vriendelijk. 'Maar ik weet er niet veel vanaf. En ik hoorde dat u beweerde de schrijver te zijn van het eeuwige boek ?'


De prins knikte.


'Dat zou best kunnen. Ik twijfel daar niet aan. De vorige profeet lichtte de mensen namelijk graag op,' sprak de elf. 'Ik heb hier veel werk te doen om dat weer te herstellen. Nogmaals mijn excuses voor de manier waarop zij u behandelden.'


'U kon er niets aan doen,' sprak de prins. 'Ik hoorde dat u hier nieuw was.'


'Ja,' sprak de elf, 'ik ben hier van pas geleden. Maar ik ben nu al heilig verklaard.'


Handig,' sprak de prins.


'Jazeker,' lachte de elf. 'Dat kan goed van pas komen.'


'Klopt het dat uw volk in oorlog is met de Regenboog Rivier elven ?' vroeg de prins.


'Ja, dat klopt, dat is nog iets van vroeger,' sprak de elf. 'Daar wil ik ook snel een einde aan maken, en ook aan die bizarre oorlog met de feeen. Het is nergens voor nodig, maar heeft met vroeger te maken.'


'Goed werk,' sprak de prins. 'En hoe noemen jullie jezelf ?'


'Bosbes elven,' sprak de elf. 'Dit is het Bosbes bos. En ik wil jullie niet verder ophouden. Ik zie geen reden om jullie hier nog vast te houden. Jullie kunnen jullie reis voortzetten,' glimlachte de elf. 'En ik wens jullie een goede reis.'


'Bedankt,' zei het opperhoofd. Even later liepen ze het dorp uit, en zochten naar de plek waar ze werden aangehouden. Daar moesten ze verder richting de Rode Zee. Maar alles was veranderd. Ze herkenden niets. 'Dat moet de Bosbes magie zijn,' sprak het opperhoofd. 'Ik ken deze elven. Alles verandert hier de hele tijd, zodat niemand hier weg kan, en indringers hun weg niet kunnen vinden. We zitten hier vast. Alles zal in hun voordeel werken. Alleen door hun Bosbes magie kun je de weg vinden. Dat is een hopeloze zaak, want ik ken het niet.'


Ze probeerden het dorp weer te vinden, maar ook het dorp was in geen velden of wegen te bekennen. Het was spoorloos verdwenen.


'Wat gek,' sprak de prins. 'Het was hier net nog.'


'Dat zei ik,' zei het opperhoofd. 'Het is Bosbes magie.'


Uren zochten ze in het bos naar aanknopingspunten, maar alles leek op elkaar. Ze hadden het gevoel in cirkeltjes te lopen. Ze werden er doodmoe van, en na een tijdje stortten ze alle vier neer op het mos om te slapen.


Het opperhoofd en zijn zoon werden als eerste weer wakker. 'Dit vreesde ik al,' sprak het opperhoofd. 'We komen hier nooit meer uit.' Toen de prins en de barbaar wakker werden gingen ze weer uren lang zoeken, maar tevergeefs. Alles bleef op elkaar lijken. 'Dit lijkt wel op een eeuwig bos,' sprak het opperhoofd.


'Dat is het ook,' zei de barbaar. 'Ze hebben ons goed te pakken.'


'Wat een doolhof,' sprak de prins.


'Was het maar een doolhof,' sprak het opperhoofd. 'Maar dit is allemaal hetzelfde. Het stopt nooit.'


'Wat nu ?' vroeg de prins.


'We zijn goed de gebakken peer,' sprak het opperhoofd.


Plotseling zagen ze wat roods glinsteren in de verte. 'Dat moet de Rode Zee zijn !' riep de prins. 'Rennen, jongens, anders is het weer weg.' De prins zette het op een rennen, en ook de anderen renden achter hem aan. Ze renden zo hard als ze konden, en kwamen aan bij de Rode Zee. 'Wat een glorieus moment,' sprak het opperhoofd. 'En dat net toen we het nodig hadden.'


'Het lijkt meer op een meer,' zei de barbaar. 'En het ziet eruit als bessensap.' De prins proefte er wat van. 'Inderdaad, bessensap, meer wel heerlijk.'


'Pure Bosbes magie,' sprak het opperhoofd. 'Het heeft ons niet in de steek gelaten.'


'Wat wonderlijk,' sprak de prins. 'Maar zou dit nou dan toch de Rode Zee zijn ?'


'Ik weet het niet,' sprak het opperhoofd. Ineens verscheen de nieuwe elven profeet voor hen. 'Ik heb door een wonder de Rode Zee voor jullie gemaakt,' glimlachte de elf. 'Mijn toverstaf liet mij zien dat jullie in de problemen waren geraakt.'


'Dat waren we zeker,' sprak het opperhoofd. 'Onze dank is groot.'


'De elven oorlogen hebben het land zo gemaakt. Uit angst verandert het de hele tijd,' sprak de elf. 'Misschien dat de Rode Zee daar verandering in kan brengen.' Een kaart kwam naar boven drijven uit het meer van bessensap. De prins greep de kaart, en las hardop : 'Welkom tot de Rode Zee. De kaarten zullen uw pad leiden.'


Een pad van kaarten begon zich over het meer van bessensap te vormen. Aan het einde van het pad stond een spiegel. 'Dat moet de spiegelpoort zijn tot de spiegelwereld van het eeuwige land van indianen,' sprak de prins.


Hengsten renden langs de Rode Zee langs het strand. Ze gingen zo snel dat ze bijna niet te zien waren. De Rode Zee leek ineens vele malen groter, en werd steeds groter. De Rode Zee lag tussen het land van oneindige grootte, te groot om te kunnen opmerken, en het land van oneindige kleinte, te klein om te kunnen opmerken. Je zou daar alleen kunnen komen en het opmerken door de hengsten te berijden, maar die gingen te snel. Hiervoor hadden ze de vertragende steen nodig die was samengesmolten met de trollensleutel, maar die was verslonden door de draken. Ze zouden dus terugmoeten naar een dieper verleden, maar tijd was dus in wezen niets dan ruimte, en ruimte was in wezen niets anders dan een kaart.


De kaartenbrug lag nog steeds voor hen, gaande over de enorme Rode Zee. In de verte zagen ze wat glinsteren, wat de magische spiegelpoort tot de spiegelwereld van het eeuwige land van de indianen moest zijn. Plotseling rende de barbaar op de brug af. Hij begon als een zot te rennen over de kaarten richting de magische spiegel in de verte. Ze probeerden hem nog terug te roepen, maar hij bleef maar doorrennen. Toen zagen ze hem door de kaarten heen wegzakken in de Rode Zee.


Hij had de kaarten moeten lezen. Niemand wist waar hij nu naartoe zou gaan. Ze leken hem kwijt te zijn. De prins boog zijn hoofd. Voorzichtig liepen ze naar de kaartenbrug, vol verdriet over hun verloren vriend. 'Komt hij nog terug ?' vroeg de prins. Niemand antwoordde. 'Hij had de kaarten moeten lezen,' sprak de elf. 'Ik kan je niks zeggen.'


Ze keken naar de kaarten die in een bepaalde volgorde lagen. De eerste kaart sprak dat ze een kristal van het land van oneindige grootte moesten meenemen, en een kristal van het land van oneindige kleinte. Alleen zo zouden ze veilig op de eerste kaart van de kaartenbrug kunnen staan. Maar om in die landen te kunnen komen hadden ze de hengsten nodig, en om de hengsten te kunnen berijden hadden ze de trollensleutel nodig die ooit door de draken was verslonden. Ze zouden dus hiervoor naar een dieper verleden moeten waar de trollensleutel nog steeds bestond. Tijd was dus eigenlijk ruimte, en ruimte was dus eigenlijk een kaart. Ze hadden dus de kaart van de trollensleutel nodig voordat ze die hengsten zouden kunnen berijden. De kaart van de trollensleutel was de derde kaart van de kaartenbrug, waar ze dus nog niet konden komen. Bosbes magie kon de tijdsvolgorde, de chronologie van dingen, en de ruimtelijke volgorde van dingen veranderen. Maar de kaart van Bosbes magie lag nog wel verder weg op de brug. Dat was de vierde kaart. Die konden ze dus niet bereiken. Gelukkig was de elf er nog. Hij kon wel Bosbes magie, en veranderde de volgorde van de kaarten voor hen. De prins was dolgelukkig. Nu was de kaart van Bosbes magie de eerste kaart, waar ze gewoon op konden staan. De tweede kaart was nu de kaart van de trollensleutel. De derde kaart was de kaart van de twee kristallen van het land van oneindige grootte en het land van oneindige kleinte, dus eigenlijk was het niet nodig de hengsten te berijden. Zo konden ze dus ook heel makkelijk nu op de vierde kaart staan waar die kristallen gevraagd werden.


De vijfde kaart was de kaart van de verloren vriend. Toen ze daar op gingen staan was ineens de barbaar weer terug. Ze waren allemaal dolgelukkig. 'Waar was je geweest ?' vroeg de prins die direct de barbaar omhelsde. 'Oh, bij een dwerg hier onder de Rode Zee, waar ik in slaap viel. Ik kan me er niet veel van herinneren,' zei de barbaar.


'Onder de Rode Zee is het rijk van slaap,' sprak de elf.


'Blij dat je weer terugbent,' sprak het opperhoofd. Zijn zoon knikte glimlachend en instemmend.


De zesde kaart was een hele lange kaart die helemaal tot de spiegelpoort tot de spiegelwereld van het eeuwige land van de indianen reikte. Deze kaart was genoemd de langste kaart. Maar verderop de kaartenbrug begon het steeds meer te waaien en zelfs te stormen. Ook leek de langste kaart verderop steeds dunner te worden. 'Floep,' daar ging de zoon van het opperhoofd. En floep, daar gingen de anderen. Ze werden meegesleurd door een grote golf. Ze gingen richting de magische spiegel. De kaartenbrug leek geheel te zijn verdwenen. Alle vijf werden ze na een tijdje opgehesen door een vreemd schip. Ze waren half in slaap.


Het bleek een schip van koopmannen te zijn, met zwarte pakken die Middeleeuws leken. Ze hadden veel sieraden en aan tafeltjes werd er gedobbeld. 'Wie zijn jullie ?' bulderde een man met een zwarte, vreemdsoortige platte muts.


De elf nam het woord, en vertelde het verhaal. 'Zo zo,' bulderde de man. 'En wie heeft jullie toestemming gegeven hier zomaar te komen ?'


'Dit is mijn land,' sprak de elf. 'Dit is Bosbes gebied.'


'Mispoes,' bulderde de man. 'Dit is het gebied van de Rode Zee. Niemand komt hier zomaar langs of door.'


'Ik heb de Rode Zee zelf gemaakt,' sprak de elf, 'omdat mijn vrienden ernaar op zoek waren.'


'Heiligschennis !' bulderde de koopman. 'Niemand heeft de Rode Zee gemaakt. De Rode Zee heeft altijd al bestaan, zonder begin en zonder einde.'


'Wie bent u dan ?' vroeg de elf.


'Wij zijn koopmannen van het eeuwige boek,' sprak de man.


'Dat boek heb ik geschreven,' zei de prins.


'Ach onzin,' sprak de koopman. 'Dat boek heeft niemand geschreven. Dat boek heeft altijd bestaan, zonder begin en zonder einde.'


'U drijft handel met mijn boek ?' vroeg de prins. 'Dat boek is gratis.'


'Nu moet je ophouden,' sprak de koopman. 'Ten eerste is het jouw boek niet, en ten tweede is niets gratis.'


De prins keek uit het schip de zee in. Ergens zag hij de kaartenbrug verder gaan. 'Kunt u ons afzetten daar op die kaartenbrug ?' vroeg de prins terwijl hij op de brug wees.


De koopman keek de zee in naar de brug. 'Wel heb ik ooit,' sprak de koopman. 'Dat heb ik nou nog nooit gezien.' Het schip kwam steeds dichterbij de brug. De prins kon zien dat de eerste kaart de kaart van de koopvaarders van het eeuwige boek was. Het hele schip begon in een kaart te veranderen, en ze rolden helemaal naar de eerste kaart van de brug. De koopmannen waren weer in de kaart verdwenen.


De tweede kaart was de kaart van de Rode Zee, die de prins zelf ook al had. Toen ze erop gingen staan stonden ze ineens voor de magische spiegel. 'Welkom,' sprak de spiegel. 'U hebt de juiste kaarten bereikt om de poort tot de spiegelwereld van het eeuwige land van de indianen te openen. Komt u verder.'


Alle vijf konden ze zo door de magische poort lopen, als door een waterval, om zo in de spiegelwereld te komen. De prins keek zijn ogen uit. Er waren overal bessenstruiken in het warme, zelfs hete, zand. Weer zagen ze in de verte een zee, die zwart was. 'Dit moet de zwarte zee zijn die de spiegelwereld omgeeft,' sprak het opperhoofd. Zijn zoon knikte.


Ze liepen langs de bessenstruiken, en al snel kwamen ze op een zandpad door een klein bos terecht, wat benedenwaarts afliep naar de zwarte zee. 'Wat is dat voor een zee ?' vroeg de prins.


'Ik weet het niet,' sprak het opperhoofd. 'Ik heb alleen Madammeke Zig Zag er weleens over horen praten.'


'Wat zei ze erover ?' vroeg de prins.


'Ze noemde het alleen op, maar zei er verder niets over,' sprak het opperhoofd.


Vanuit de verte konden ze alweer een nieuwe kaartenbrug zien. Na een tijdje renden ze naar beneden naar de eerste kaart. De prins begon hardop te lezen :


Oh, elven kerk, ontwaak,

Van kaarten zult gij gebouwd worden,

Een kaarten kerk zult gij zijn,

Waarin allen zullen slapen,

Nooit meer ontwaken zullen zij,

Totdat zij het gouden draad zien.


Oh, gouden draad,

Lang bent gij en vol geheimen,

Waar zij u niet zien, slapen zij,

Sommigen een eeuwigheid,

Anderen een lange tijd,

U laat u niet gauw zien.


Hoog in de elvenkerk tikt gij,

In een verborgen toren, zeer hoog,

Ja, in de hoogste toren die nooit stopt met groeien bent gij,

In eindeloze hoogtes waar zij allen duizelen,

Wanneer zij u grijpen, vallen zij.


In een eindeloze put, zo diep,

Waar alleen u redden zal,

Oh gouden draad van eeuwigheden,

Bouw uw elven kerk snel,

Een standbeeld zullen zij van uw profeet maken,

Hij weet de weg wel.


Waarom zou iemand weten, anders dan uw profeet ?

Alleen hij weet,

En zijn standbeeld die eeuwig leeft.'


Langzaam begon de kaart om te draaien, waarop een gouden standbeeld was te zien van een elf. Dit was de kaart van de elvenprofeet van de gouden draad. 'Welkom in de spiegelwereld,' sprak de kaart. 'U bent aangekomen bij de zwarte zee, de eindeloze put.'


'Kunnen wij op u staan ?' vroeg de prins.


'Kun je niet lezen ?' snauwde de kaart. 'Je hebt de gouden draad nodig, anders zul je wegzakken in de eindeloze put, in de golven van de zwarte zee. En zij die naar het gouden draad grijpen zullen ook in de zwarte zee verdwijnen.'


'Hoe komen we bij de gouden draad ?' vroeg de prins.


'Door de elvenprofeet van de gouden draad,' sprak de kaart.


'Maar bent u dat niet ?' vroeg de prins.


'Nee,' snauwde de kaart. 'Ik ben slechts zijn kaart.'


'Ik dacht dat het juist om de kaarten ging,' sprak de prins.


'Helemaal niet,' sprak de kaart. 'Wie heeft je die onzin verteld ?'


'Laat maar zitten,' zei de prins.


'Zeg, wij laten hier helemaal niets zitten,' sprak de kaart. 'Zeg op. Wie heeft jou die onzin verteld ?'


'Het was aan de andere kant van de spiegel,' sprak de prins.


'Oh ja, dan begrijp ik het,' sprak de kaart. 'Dat is de spiegelkant, die draaien alles om. Grote leugenaars zijn het. Daar kun je beter niet meer komen. Je kunt hier beter blijven in de kerk.'


'Wat voor kerk ?' vroeg de prins.


'De elvenkerk, domoor !' snauwde de kaart.


'Ik zie geen elvenkerk,' sprak de prins.


'De zwarte zee is de elvenkerk. Het is gebouwd van kaarten,' sprak de kaart. 'Torens komen uit de zee bij nacht. Daar waar het gouden draad wacht.'


'Hoe komen we bij die torens ?' vroeg de prins.


'Je begrijpt het niet,' foeterde de kaart. 'Ik zei het je toch dat de elvenprofeet van de gouden draad de enige is die de weg weet ? Zonder hem ben je nergens.'


'Waar kunnen we de elvenprofeet van de gouden draad vinden ?' vroeg de prins.


'Dat weet alleen de elvenprofeet van de gouden draad waar hij is,' sprak de kaart.


De prins probeerde de tweede kaart te zien, maar het was nogal donker. Het begon al nacht te worden. Plotseling begonnen er torens uit de zee te komen. Het leek wel alsof ze een elvenkasteel of elvenkerk uit het water zagen oprijzen. De muren waren huizenhoog, en de torens groeiden maar door. 'De kerkdienst gaat beginnen,' sprak de kaart.


Over de brug kwam een elf aanlopen vanuit de elvenkerk op het water. De elf keek even opzij, en keek toen weer naar hen. Het was de elvenprofeet van de gouden draad.


'Goed dat jullie gekomen zijn,' sprak de elf. Hij had een goudkleurig pakje aan. Ook hij had lange puntige oren die scheef in de lucht stonden. Even sprak hij in een speciale elventaal tot de andere elf. Ook het opperhoofd kon de taal verstaan, en zei wat tegen hem in de speciale elventaal. Zijn zoon knikte, dus waarschijnlijk verstond hij het ook.


'Vrienden,' sprak de elvenprofeet van de gouden draad. 'Mag ik u welkom heten in de elvenkerk ? Deze kerk is gebaseerd op het eeuwige boek.'


'Dat heb ik geschreven,' sprak de prins.


'Dan ben jij dus wel een hele bijzondere gast,' glimlachte de elf. 'Het gouden draad wacht al op jullie.'


'Wie of wat is het gouden draad ?' vroeg de prins.


'Het gouden draad is de enige weg over de zwarte zee tot de spiegelwereld van het eeuwige land van de indianen,' sprak de elf.


'Wat is de boodschap van de elvenkerk ?' vroeg de prins.


'Dat alles een elvenkerk is, een school,' sprak de elf, 'waarin je alles mag terugvinden wat je verloren bent. In andere vormen zul je het terugvinden, vormen beter voor je.'


'Dus wij waren altijd al in de zwarte zee ?' vroeg de prins.


'Jullie komen van heel diep,' sprak de elf. 'Jullie zijn dichtbij de gouden draad gekomen.'


'Wat is er zo wonderlijk in die spiegelwereld van het eeuwige land van de indianen ?' vroeg de prins.


'Het is een spiegelwereld,' sprak de elf, 'dat wil zeggen dat de leugens weer omgedraaid zullen worden tot de waarheid. Je gaat daar zien hoe dingen echt zijn.'


'Waar is de gouden draad ?' vroeg de prins. Loop maar met mij mee,' sprak de elvenprofeet van de gouden draad. Met hem konden ze gewoon over de kaartenbrug lopen, recht de elvenkerk in. De elvenkerk was binnenin goed verlicht. Aan beide zijden was een brede trap die naarboven ging, naar een balkon. Boven het balkon zweefde een gouden draad.


'Wonderlijk,' sprak de prins. De gouden draad snelde op hen af, en begon hen te omhelzen. 'Welkom,' sprak de gouden draad. 'Ik zal jullie leiden over de zwarte zee tot de spiegelwereld van het eeuwige land van de indianen, waar alles is zoals het is. Jullie komen uit het rijk der leugens, uit de spiegelkant, waar alles omgedraaid is. Ik ben blij dat jullie eindelijk gekomen zijn. Ik heb zo lang op jullie gewacht.'


Het opperhoofd maakte een buiging, en toen ook zijn zoon. 'Wij voelen ons vereerd,' sprak het opperhoofd. Zijn zoon knikte hevig.


'Welkom, gasten,' sprak het gouden draad. 'Wij voelen ons ook vereerd. Jullie hebben een lange reis gemaakt om hier te komen. Goede keuze, goede keuze.'


'Zal ik jullie een verhaal vertellen ?' vroeg de gouden draad. Ze knikten.


'Er waren eens een prins en een prinses in het land van Eldemor. De prinses was van een andere familie, maar woonde bij de prins in. Haar ouders waren omgekomen. Het was een indiaanse prinses met een indiaanse vader en een moeder die half elf en half fee was. Zij was een halfling. Op een dag werd zij meegenomen door de draken. Een grote ontvoering. De halfling is innerlijk verdeeld. Ze heeft teveel rassen in haar. Ook had zij het bloed van trol en het bloed van de draak. Ze werd meegenomen tot duistere spiegelwerelden van draken en trollen. De rokende drakenspiegel werd haar heerser, haar meester. De rook van deze spiegel had haar bedwelmt, met zijn gif, en nam haar mee, door zijn spiegelrijk. Zij is de slavin van de drakenspiegel. Zij moest kinderen lokken tot deze spiegel, om zo nog meer slaven te maken : kinderslaven.'


'Maar dat is verschrikkelijk,' sprak de prins. 'Wat kunnen wij er aan doen ?'


'Vernietig de drakenspiegel,' sprak de gouden draad. 'Het is de heilige opdracht van alle elven van de elvenkerk en hun bondgenoten.'


De elvenprofeet van de gouden draad had een harpje in zijn hand genomen, en begon te spelen en te zingen :


'Oh drakenspiegel,

Jij venijnig kwaad,

Zoveel kinderen heb je gestolen,

En hen tot slaven gekroont,

Met veel liefde en gulle gaven,

Misleidde jij hun hart,

En maakte hen tot slaven


Jij ontnam hen de kennis zichzelf te vinden,

Jouw giftige rook had hen bedwelmt,

In jouw spiegelrijk raakten ze verstrikt,

Zoveel kinderslaven marcheren daar,

Hun lied zal hen nooit tot de morgen doen komen,

Overal waar het nacht is jagen de draken,

Opdat zij nooit meer zullen ontwaken


Oh elvenhart, aanschouw dit grote kwaad,

Twee sleutels zijn u gegeven,

Om de drakenspiegel te verbreken.'


'Wat zijn de twee sleutels om de drakenspiegel te verbreken, en waar bevindt zich de drakenspiegel ?' vroeg de prins.


'Overal in de lucht,' sprak de gouden draad. 'Als een draak is geworden tot drakenmeester, dan kan hij de gedaante van een ruiter aannemen, die dan de draken van de lagere rangen kunnen berijden. Het gaat altijd door. Altijd zijn ze op jacht. Het zit in de lucht als een gif, maar allen worden beheerst door de drakenspiegel. Je vraagt om de twee sleutels ? Voor nu moet dat geheim blijven, anders zou het universum ontploffen. De drakenspiegel houdt de kinderslaven opgesloten in zijn spiegelrijk, waar hij hen opgesloten houdt in boeken, in vreemde verhalen en gedichten.'


'Waar is de halfling prinses nu ?' vroeg de prins.


'Zij is nog steeds met de drakenspiegel,' sprak de gouden draad.


'Waar ?' vroeg de prins.


'In de lucht,' sprak de gouden draad. 'In feite in een kaart, in de kaart van de drakenspiegel.'


'Waar kunnen we die kaart vinden ?' vroeg de prins.


'Niemand weet het, onbekend,' sprak de gouden draad.


'Dus zij zit ook opgesloten in een vreemd verhaal of vreemd gedicht ?' vroeg de prins.


'Vraag niet door,' sprak de gouden draad. 'We moeten voorzichtig zijn. De drakenspiegel is erg gevoelig en weet wanneer men over hem praat.'


'Wij zouden graag naar de spiegelwereld van het eeuwige land van indianen gaan. Kunt u ons daar brengen ? Misschien dat we daar meer te weten komen.'


'Volg mij,' sprak de gouden draad. Ze liepen de elvenkerk uit, en de gouden draad begon zich heel lang uit te strekken, en maakte zich een beetje wijder, totdat er een pad ging over de zwarte zee. Direct begonnen ze aan hun reis over de zwarte zee, over het pad van de gouden draad. Urenlang moesten ze lopen, totdat ze eindelijk land zagen. Dat moest de spiegelwereld van het eeuwige land van de indianen zijn.


'Droom ik nu ?' vroeg de prins. Aan de kust stonden lange rijen met feeen. Ze hadden lichte jurken aan van allerlei kleuren : blauw, roze, geel, oranje. En de kleuren waren van prachtig lichte tinten, bijna doorzichtig. Sommige feeen hadden parasolletjes. De prins zette het op een rennen, en de anderen renden achter hem aan. 'Wat geweldig !' riep de prins. Ze moesten nog wel even een tijdje rennen voordat ze eindelijk de kust hadden bereikt. Toen de prins een voet op het land zette voelde hij zich ineens heel vreemd. Even werd het roze voor zijn ogen. Een fee in een licht roze jurk van bijna doorzichtige tint kwam naar hen toe. 'Welkom in de spiegelwereld van het eeuwige land van de indianen,' sprak ze.


'Waar zijn de indianen ?' vroeg de prins.


'U bent prins Jagerstouw, de schrijver van het eeuwige boek ?' vroeg de fee.


De prins knikte. 'Komt u maar mee,' sprak de fee.


Ze werden geleid tot een klein stadje. Ergens was er een klein cafeetje waar de fee binnenging. 'Dat is Edward, de barkeeper,' zei ze terwijl ze wees op een man met een schort die stond af te wassen. De man wuifde even. Toen liep ze op een trap naar boven, terwijl de anderen haar volgden. Boven het cafe was een kamer waar een grote klok hing. Ze ging op een stoel zitten. 'Gaat u zitten,' sprak ze, terwijl ook de anderen een stoel namen.


'Onze magie komt voort uit de gevechten tussen dinosaurussen,' sprak ze. 'Verderop in het land wonen de elven waarvan hun magie voortkomt uit de oorlogen van de indianen. De indianen wonen nog veel dieper in het land. Zij leven in grote oorlog.'


'Met wie zijn ze in oorlog ?' vroeg de barbaar.


'Met andere stammen, met feeen en met elven,' sprak de fee. 'Vanuit die oorlogen winnen de elven hun magie. De indianen bewaken een groot geheim : de rokende drakenspiegel. De drakenspiegel doet hen tegen elkaar strijden. De drakenspiegel heeft hen behekst, zeg maar bedraakt. Zij zijn slaven van geweld. Wij hebben ze geprobeerd te helpen, maar tevergeefs. Ik ben blij dat jullie zijn gekomen.' Toen richtte ze zich tot de prins. 'Eens zonden we jou de trollensleutel, Vika, en het trollenorakel, Nahemsh. Heb je die bij je ?'


'Nee,' zei de prins. 'De trollensleutel had het trollenorakel vernietigd, omdat het trollenorakel te gevaarlijk zou zijn. Toen werd de trollensleutel vernietigd door de draken.'


'Oh, dus ze raakten met elkaar in gevecht ?' sprak de fee. 'De drakenspiegel moet hen tegen elkaar opgestookt hebben, zoals hij altijd doet. Maar ze zijn niet verdwenen, prins Jagerstouw. De kaarten van de trollensleutel en het trollenorakel zitten nog steeds in je geheugen. Het zijn geheugenkaarten, en die zijn magisch. Ook het trollenorakel is een sleutel, de tweede sleutel. Dit was de sleutel van de indianen, die door de trollen werd gestolen en werd omgesmolten tot het orakel van trol, om de toekomst mee te voorspellen. De kaart van de sleutel van de indianen bestaat nog steeds in het verleden, maar niet in jouw geheugen, prins Jagerstouw, maar in mijn geheugen. Ik kan me de verschrikkelijke dag dat die sleutel gestolen werd nog goed herinneren, als de dag van gisteren. Het is nog steeds diep in mijn geheugen gegrift. Sindsdien werden de indianen slaven van de drakenspiegel, de slaven van geweld, door de stokerijen van de spiegel. Geef mij de kaart van het trollen orakel, zodat mijn kaart van de sleutel van de indianen geactiveerd kan worden.'


'Hoe kan ik de kaart geven ?' vroeg de prins.


'Het zit in je geheugen,' sprak de fee. 'Haal het uit je geheugen en geef het aan mij ?'


'Ja, maar hoe ?' vroeg de prins.


'Laat maar, ik doe het zelf wel,' sprak de fee. 'Denk nu heel sterk aan de herinneringen die je hebt van het trollen orakel.'


De prins begon diep te denken, en terug te gaan in zijn geheugen naar de momenten van het trollen orakel.


'Goedzo,' zei de fee. Even legde ze haar hand op zijn hart. 'De kaart is nu met mij,' zei de fee. 'De kaart van de sleutel van de indianen wordt nu geactiveerd. In combinatie met de kaart van de trollensleutel die jij draagt is de indianen sleutel nu sterk genoeg, omdat de trollensleutel de kaart van de sleutel van de indianen zo kan vertragen dat de drakenspiegel het niet meer weg kan stelen.'


De prins voelde zichzelf steeds meer wegglijden in zichzelf, in een grote diepte. Hij bevond zich plotseling op de golven van de zwarte zee die traag bewogen. Steeds trager begonnen ze te bewegen, totdat hij er dwars doorheen kon kijken. Hij bevond zich in de drakenspiegel, en een tovenaar bezweerde de spiegel. Het was de grote tovenaar van de drakenspiegel. 'Ik bestrijd je door het eeuwige boek !' riep de prins tot de tovenaar. 'Laat me los uit deze spiegel !' Er stond een grote druk op de spiegel, en plotseling explodeerde het.' De prins stond nu oog in oog met de tovenaar die de drakenspiegel had gemaakt.


'Laat me je pakken, jongetje !' krijste de tovenaar. 'Niemand ontsnapt zomaar uit de drakenspiegel !' De prins zette het op een rennen. Snel rende hij door een paars gordijn een gang op. De gang eindigde bij een trap die hij toen oprende. 'Ik krijg je wel !' krijste de tovenaar.


Het werd zwart voor de ogen van de prins. Hij viel in een diepe, duistere put, en merkte toen dat hij zich weer bevond op de golven van de zwarte zee. Steeds trager gingen de golven. Dit was zware magie. Toen de golven bijna stilstonden zag hij de kerker waar de halfling prinses inzat, dwars door de golven heen. Hij merkte dat hij er dwars doorheen kon rennen. Hij rende door tot aan de tralies, waar het slot zat met twee gleuven. 'Vlug,' sprak de stem van de fee in zijn hoofd. 'Je hebt twee kaarten : de trollensleutel en de sleutel van de indianen. Steek ze in het slot.' De prins keek naar zijn hand waarin de twee kaarten lagen, en stopte ze in de twee gleuven van het slot. Plotseling ging het slot open. De prins greep de hand van de halfling prinses, en rende met haar de kerker uit. Maar daar was de tovenaar weer met twee wilde honden die hen aanvlogen. Weer werd de prins zwart voor zijn ogen. Hij voelde zich nog dieper wegglijden. Alle herinneringen vlogen langs hem heen als kaarten in een cirkel. Hij greep de kaart van het elvenzout, maar voelde zich alleen maar zieker worden. Al zijn vrienden waren ook kaarten. Hij greep de kaarten van zijn vrienden en werd warm van binnen. 'Zij helpen je,' sprak de fee. Zij was in het midden van de kaarten cirkel. Van haar toverstafje droop glimmend spul. 'Ik geef je twee nieuwe kaarten, prins,' sprak de fee. Hij kreeg de kaart van de halfling prinses en de kaart van de tovenaar van de drakenspiegel. Plotseling zag hij zijn verwonde hart, wat helemaal zwart was gekleurd. De twee wonden van zijn hart veranderden in gleuven. 'Vlug,' sprak de fee, 'steek de twee nieuwe kaarten in de gleuven van je hart.' De prins deed het meteen. De tovenaar lag op de grond. Rook kwam uit de spiegel, die als een glazen bol was op een standaard. Er zat groen sap in wat soms paars kleurde.


'Geef mij die kaarten,' kreunde de tovenaar. De prins liep naar de tovenaar toe, en keek in de zakken van de tovenaar, waar hij een stapeltje kaarten weggriste. 'Nee !' krijste de tovenaar. 'Geef mijn kaarten terug ! Dat zijn mijn kaarten !'


Ook de kaarten van prinses Mekka en prinses Regenboog waren in het stapeltje.


De prins zuchtte, en liep door een gordijn een grote gang op die naar een grote trap naar beneden leidde. Snel was de prins buiten het kasteel in de dooiende sneeuw. Nog één keer keek de prins om naar het kasteel, en liep toen in trage pas de kasteel tuin uit. Hij sloot het hek achter zich, en liep richting het dichtstbijzijnde dorp.


Hij kende hier niemand. Hij kende dit dorp niet. Hij klopte aan bij de eerste de beste deur. Een vrouw deed open, en hij begon direct zijn verhaal te vertellen. De vrouw sloeg een arm om hem heen, en gaf hem wat te drinken. Tot diep in de nacht waren ze in gesprek. Ze had wel een kamer voor de prins waar hij kon overnachten. Toen hij sliep ging ze naar het dorpsbestuur om mee te delen wat hij had gezegd. Ze wilden hem weer verkopen aan de tovenaar. Gewapend ging het dorpsbestuur naar het huisje van de prins, waar ze hem arresteerden. De tovenaar kon hem weer terugkopen.


Maar de drakenspiegel was niet meer wat het geweest was. En de tovenaar begon tekenen van veroudering te vertonen, van zware vergeetachtigheid en dementie. De tovenaar was niet meer wie hij geweest was, en wist op een gegeven moment niet meer wie hij was. Ook dacht hij dat het kasteel een herberg was waar hij verbleef, en dat de prins de herbergier was. Zo kwam het kasteel steeds meer in handen van de prins. Op een dag vertrok de zwaar demente tovenaar weer van het kasteel, omdat hij dacht dat hij slechts op doorreis was.


'Ik zag de Sep, en ik dacht aan jou. Zo'n magische rivier, waaraan mijn kasteel staat. Het rivier-gebied is weer vrij van draken, maar ja, het is wel in de spiegel wereld. Ik blijf aan twee kanten, zoals dromen en ontwaken. Het kwaad kunnen we niet helemaal wegdenken, want we moeten nog wel wat te puzzelen hebben, en het zet ons aan om creatief te zijn. Ik ben blij met mijn kasteel. Elke dag ontdek ik weer nieuwe dingen. Wat komen we van diep, hè ?


Liefs,

Prins Jagerstouw'




'Saturnus, met je paarse sneeuw,

Die diepe slaap brengt telkens weer,

Twee sterren in een steen,

Met Sirius vormde jij een grote zee,

De zee van Eldemor, waarop de aarde slaapt,

De sluier van paarse sneeuw die over haar waakt,

De ruiter van Eldemor rijdt over de golven,

Totdat het roze ons allemaal doet ontwaken,

In de droom van de rode zee,

Golf na golf komt het,

Slag na slag,

Omdat het rode op ons wacht.'




Einde