Duimeliesje


 

Zij kwam in een nacht vol trauma, op een rozenblad, zij daalde af, als de druppel van het natte gewas. Duimeliesje, jij kwam als een droom tot hen.

Duimeliesje, zij kwam in de nacht van ’t duistere ijs, kwam het trapje af, aan een rozenblad hing zij, blies het trauma weg, en zakte weg in ’t rode ijs.

Duimeliesje, als de brandende roos, op een lelieblad voer zij door de nacht, als in een boot.

Zij bracht mij, tot een vreemde wederkomst, tot al die vreemde namen die eens tot mij kwamen.

Zoveel herinneringen hier, iets om te vieren, op deze boot in de nacht. Mijn bed is een boot, en Duimeliesje houdt de wacht.

Eens zal zij komen door de ringen, door ringen der duisternissen, komende vanuit de draaiende lelie van het zilverstrand.

Eens zal zij komen als de wind, als het windekind, als het avondkind, die mij in stilte vindt.

Eens zal zij komen tot mijn nacht, komen tot de dieptes van deze pracht. Duimeliesje, windekind, voerende door de wind, door de avondkoelte riep zij mijn naam, kom in de boot met mij, en sluit deze rij. Door de nacht raakt zij de lelies aan, dan draaien zij ook, en verspreiden hun naam.

Door de avondstilte komt zij, als een roos die brandt vervult zij mij. Duimeliesje, onder het woord, hangt een trekkoord, open het, en verspreid je naam, als veldpoeder door de wind verdeelt. Duimeliesje, vervul mij steeds weer, kom telkens, keer op keer.

Diep in de nacht voelde ik haar hand heel zacht, en zachte fluisteringen, kolkende door het raam, oh Duimeliesje je hebt mij eindelijk gevonden na al die jaren. Laten wij de dieptes van het woord oprichten door het trekkoord.

Diep in de nacht voelde ik haar stem kolkend door de ruimte, als duizenden duizelingen, ze nam mij mee in een droom, ja, ik heb God gevonden, Hij stuurde jou.

Duimeliesje, jij gaf mij de roos met de snaren, je gaf mij de lelie met de vele namen, jij gaf mij een boek vol verhalen, een eeuwig evangelie, om te helen het trauma wat canon heeft geschapen. Duimeliesje, jij gaf mij een narcis vol van wond’ren, jij sloot het boek van schuld en erfzonde.

Ik hoorde haar roepen in haar kamer. Ik ging naar haar toe, en ik suste haar. Ze had een nare droom, over een boek dat haar wilde pakken, het was het eerste woord, dank God voor het tweede. Dank God voor het diepere woord, dank God wanneer de zegelen zich openen.

Ken je de schat van Duimeliesje, alleen de kinderen en kabouters kunnen binnengaan, alleen de zaadjes die hun mond kunnen houden, wij moeten sterven in stilte, tot Spricht zullen wij gaan.

In het bos tussen de bospoeders vond zij haar schat, in het duister nam zij een bad.

Door het sieraad spreekt ze tot mij, als door een droomtelefoon, als duizenden duizelingen tegelijk, ik val tegen de grond, en mijn ziel stijgt naar haar op, als een vogel kan ik vliegen, toe laten we gaan naar de bergtop. Door een duister gat komen wij altijd binnen, in een zaal vol gesteentes, waar sieraden van piraten liggen, engelen van verleden tijden, onder de deur door zullen ze glijden, zij zijn als de wind. Wind in alle kleuren, door Duimeliesje’s sieraad zal het allemaal gebeuren.

Duimeliesje’s parel, waar spinnensappen stromen, hier heeft de wesp gestoken. Haar vleugels groeien, oh zo fijn, haar veren zijn als melk, ik kan haar sporen volgen. Duimeliesje’s parel, ik kreeg haar in een nacht, ik zag haar gloeiende en bloeiende pracht. Duimeliesje’s parel, een parel van duizenden fuiken in de nacht, bruggen tot de eeuwigheid, parelvisioenen drijven door de ledigheid. Duimeliesje’s parel, een parel vol van teed’re kracht, een parel vol van fuiken, brengende ons in een diepere nacht, tot het kruis van onze Heer, tot het kruis van al die namen van vervlogen jaren. Zij wierp de parels in canon’s gezicht, als kogels waren zij, als een wapen van verleden tijd. Duimeliesje’s parel, vol van visioenen, vol van lang vergeten namen, ja de parel weerkaatsende het licht van een oud gedicht.

Duimeliesje’s parel, stromende door het water, glippende onder de deuren door, als de winden dragende al die vergeten namen.

Diep in het bos, onder bospoeder verscholen ligt Duimeliesje’s parel, de bron van onze dromen. Het rees op uit onze diepste nachten, als een geluid van fuiken, wegnemende onze laatste krachten. In zwakheid daalden wij, tot wij het zoete raakten, vol van poeder zijn onze monden.

Duimeliesje’s blad raakt ons aan, zoveel poeders, zoveel vleugels vallen aan, zoveel kracht om op te komen, vliegen en zweven wij naar onze dromen, naar de dromen in de lucht, als een blad over rivieren vinden wij alles terug. Duimeliesje’s blad raakt ons aan als een boot, als een waterval, een rivier door de dood, als een tuin van poeders, tuin van paddestoelen, ja, hier wil ik zijn.

Brandend blad, rakende ons aan, ik duik in een bad van het verleden, als de bosfontein, als de rode vlam, het volgt mij, laat mij nooit meer gaan, toe, zwem weg met mij, naar de overkant van dit verhaal.

Het hangt voor mijn gezicht, het geeft mij visioenen in poeders en licht, van een kasteel, in duisternis, het is Duimeliesje’s kasteel, daar waar de fuiken toe reiken. Duimeliesje’s kasteel, haar blad voor mijn ogen, haar visioenen hebben mij nog nooit bedrogen, vertellende verhalen, openende haar boeken en haar zalen. Duimeliesje’s blad, openende de dieptes, achter elk blad zien wij de dieptes van haar rinkelende schat.

Ik woon in een boshuisje, ik woon op een boerderij, maar het is een kasteel, zorg ervoor dat ik mij niet verveel. Er is zoveel te doen, zoveel te zien, zoveel om te kleuren, zoveel om te draaien, al mijn deuren hebben namen, al mijn muren dragen de winden van een vervlogen tijd. In de nacht komen zij tot leven. Wakker worden, in het kasteel ben je. Duimeliesje’s kasteel, voor de kinderen en kabouters, in Spricht zullen wij binnengaan.

Duimeliesje’s kasteel, zoveel schatkamers dat ik mij niet verveel, achter de muren wonen elven, achter de deuren staan de feeen, en op de zolders wonen de reuzen.

Duimeliesje’s kasteel, in de nacht komen zij allen tot leven, en als de morgen komt dan slapen zij weer, dromende, wachtende, uitstrekkende tot de avondveer.

In Duimeliesje’s kasteel zullen wij binnengaan, en dan zullen wij tot Spricht gaan. Vele elven kennen onze naam, ja, wij zullen tot Spricht gaan. Door de ramen komen wij binnen, door de struiken van vuur, door de plassen en de open haarden. In Duimeliesje’s kasteel zullen wij binnengaan, een klok staat op de tafel in de dinnerzaal, en wat oude gestaltes hebben daar maal, altijd spreken zij over Duimeliesje’s kasteel, ja, ook Spricht kennen zij. En Spricht staat op de tafel, naast de klok, zij hangen hem aan de muur, als een weerhuisje, als een schilderij, als een raampje. Hier praten de oude gestaltes, over het weer, over het blad, dat hen eens hierbracht, zij hebben allen hun kamers, in Duimeliesje’s kasteel, over Spricht praten zij veel.

In Duimeliesje’s kasteel, achter de brandende doornstruiken, daar wonen de oude gestaltes en de elven, ja, zij kennen onze namen, zij weten waar wij over praten. In Duimeliesje’s kasteel, achter de brandende hagen, achter doornstruiken, daar vochten eens soldaten, maar een blad bracht hen hier, waar ze veilig zijn in Duimeliesje’s kasteel. Achter de brandende struiken en hagen, waar de keukens als lichten stralen, eens vochten hier de draken, maar Duimeliesje heeft hen laten slapen. Hier praten nog steeds de oude gestaltes, zij hebben elk hun kamer.

Ik ben nog steeds bang voor het groene vuur. Hier in Rapunzel’s kasteel. Hier is alles zo duur, door de wespen en de steekstruiken gestoken, en brandende struiken dansen om het kasteel heen. Niemand kan hier komen, niemand kan hier binnendringen, dan hen met de diepe doornen.

Ik ben nog steeds bang voor het groene vuur, door spinnen ben ik gestoken. Ik ben tot deze dieptes gekomen, in dit uur.

Ik ben in Rapunzel’s kasteel, al het groene wordt hier geel, totdat het onder het gele daalt, en alles is in een vlam. Heb ik dit vuur nu zo gevreesd, in dit uur raakt alles lam. Ik ben in Rapunzel’s kasteel, en nu wordt alles duidelijk, jij gaf mij een steek maar het was een streling om mij te verbinden aan de diepe namen. Hier waait een vuur, een oud vuur komende over alles heen, bedekkende als de sneeuw der spinnen. Ik ben in Rapunzel’s kasteel, ik maak hier overuren. Elke steek is een streling, elke doorn brengt bloesem, bloedend als het rode sap, kom ik telkens dieper stap voor stap. Onder het groene wordt alles geel, als de kleuren van de herfst, in Rapunzel’s kasteel, als het gif van verleden tijden mijn hoofd binnenglijdt, brekende de zegels van een canoniek verstand, dan staat mijn geweten in brand. In Rapunzel’s kasteel ben ik aangekomen, ik kan nu alleen nog maar dromen. Kon ik jou nu maar zien, maar alles wat ik zie is vuur, het groene wordt hier geel, en grote spinnen kruipen over de muur. Kon ik jou hier nu maar voelen, maar je bent zo ver weg, of is dit jouw manier van laten weten dat je er nog bent. In Rapunzel’s kasteel, bedekt door sneeuw van spinnen, bedekt door al die herinneringen. Kon ik jou nu maar zien, kon ik jou nu maar geloven, dat je steeds dichterbij komt, in Rapunzel’s kasteel ben ik beland, in een bed met wespendekens, brekende de zegels van mijn canoniek verstand. Kon ik jou nu maar voelen, ‘k wilde dat je hier zou staan, maar ik kan alleen maar dromen, alles is maar een verhaal.

Ik ben in Rapunzel’s kasteel, het groene wordt hier geel, en dan wordt alles nieuw, door vele ovens worden wij nieuw, door vele ovens vinden wij een nieuw vuur, zoet maar ook zuur en bitter, het leven is hier duur. Ik ben in Rapunzel’s kasteel, en ik zie Grietje staan, zij die de heks heeft verslagen, van een ander verhaal. Alles is hier maar een verhaal, de canon is verbroken. Ik ben in Grietje’s kasteel, onder wespendekens, alles is teveel, niets is naar vermogen, wij moeten veel dragen zonder kracht, niemand heeft aan onze zwakheid gedacht. Ik ben in Grietje’s kasteel, en dan ontwaak ik. Alles was maar een droom, en dan sta ik op, en loop door de kamer. Grietje staat in de keuken, en wijst door het raam naar het kasteel van Hans. Hans, de heks wilde jou vetter maken, als maal voor de canon. In het kasteel van Hans aangekomen, dit oude sprookje, een griezelig verhaal, alles is hier van snoep gemaakt, en alles spreekt een andere taal. Ik voel mij zo verloren hier, niemand begrijpt me, oh was ik maar niet hier, maar toch wil ik dieper gaan, oh Hans, leidt me verder in dit dromenweb van verloren dagen. Hier spreken de oude engelen, en hier wonen de ouden van dagen, hier wonen de oude christussen van vervlogen dagen. Hans, weet je nog, jij in die kooi, waarom staan hier nu zoveel kooien, als in een boerderij, die heks versloeg jij, door jouw zoete dromen. En dan word ik wakker in Rapunzel’s kasteel, alles was teveel.

Alles staat hier in brand. Alles is hier duur. Alles zoet, zuur en bitter, Grietje rent door de gangen, door de gangen van dit avontuur. Het is een griezelig verhaal, alles is hier teveel, ‘k zie overal kooien staan, met vreemde dieren, en ’s avonds laat dan komen ze er allemaal aan. Er zijn spinnen op de muren, zij krijten de visioenen, en wespendekens vallen op mij als hete brij. Grietje, waar ben je, ik ben hier zo alleen in jouw kasteel, ik verdrink in de stilte, oh dit griezelig verhaal. Grietje rent door de gangen, ik hoor haar, ze komt laat thuis, met zoveel muizen en ratten achter haar aan. Ik moet me verstoppen, maar waarheen kan ik gaan. Zoveel kooien in dit kasteel, zoveel kooien in dit huis, zoveel vlammen om mij heen, sneeuw der spinnen, bedek mij. Ik klim over de oude webben, tot de zolders en de torens, maar alles wat ik vind zijn splinters, alles wat ik vind zijn diepe doornen. Alles staat hier in brand, goud met visioenen, leeft de heks nog, dat is mijn vraag, woont ze boven, of woont ze laag. Wat moet ik doen om van hier te vertrekken. Dan sta ik plotseling in Hans’ kasteel, en Rapunzel grijpt mij aan mijn haren. Kom mee, zegt ze, dit is je straf, een straf van genade. Alles is van snoep gemaakt, zoveel kooien staan daar.

Alles staat hier in brand en is duur. Hans’ kasteel staat open, alles van snoep gemaakt, als de straf van genade. Raak hier niets aan. De heks schreeuwt van de daken, het oude vuur bracht haar hier, we hebben nog steeds met haar te maken. Hans’ kasteel, alles staat in brand, als het vuur van oude dagen. Hans’ kasteel, en de heks woont op de daken, zij heeft alles gezien, zij heeft alles gehoord, en wij horen haar stem, nooit hebben wij rust. In Hans’ kasteel, zoveel kooien staan hier, zoveel fuiken lokken ons, fuiken van oude brandende struiken. Kan ik tot onder het zwarte dalen.

Alles is hier van snoep gemaakt, alles is hier om te verleiden, tot de oude paden zullen wij gaan.

Alles is hier van snoep gemaakt, alles brandt hier, waar spinnen wandelen, oh sneeuw der spinnen neem mij mee naar het einde van deze zee.

Zoveel stemmen zijn hier, stemmen van vervlogen dagen, vervlogen jaren, vervlogen eeuwen. Rapunzel’s schat, een stem diep in mijn hart, het canonieke geweten weggebeten.

Rapunzel’s Sieraad waardoor spinnen met elkaar spreken, zij bracht het mij, zodat ik haar altijd kon verstaan, zij leidde mij tot een plaats hier ver vandaan. Rapunzel’s Sieraad, vlammen waardoor de spinnen met elkaar spreken, zij hebben mij op de juiste plaatsen gestoken. Nu kan Rapunzel’s Sieraad tot mij komen. Een spinnendeken, in deze lompen kan ik mij bewegen. Als door groen sap bewegen wij, in Rapunzel’s kasteel zijn wij.

Grietje’s sieraad waardoor wespen met elkaar spreken, zij bracht het mij, zodat ik haar kon verstaan, zij leidde mij tot een plaats hier ver vandaan.

Hans’ sieraad waardoor brandende doornenstruiken met elkaar spreken. Hij bracht het mij, zodat ik hem kon verstaan, zoveel wespen volgden mij, naar een plaats hier ver vandaan. Hans’ sieraad, waar de wespen mij niet kunnen breken, waar zij mij niet meer kunnen spreken, ik ben tot Spricht gegaan. Hans’ sieraad, waar de wespen mij niet meer kunnen kwellen, ik ben tot Spricht gegaan, en ik ga Grietje en Rapunzel vrijbaan. Kom dan binnen over de ladder van Rapunzel, kom tot haar toren, grijp haar bij de haren, en klim op. Ga tot Grietje, en kom tot haar daken, en kom tot Hans’ kasteel, het brandt niet meer, verleden tijd zijn al die dagen, nu bedekt door spinnensneeuw.

In het fontein van Hans daar zwemmen de kikkers, daar zwemmen de zegels tussen jou en mij, vreemde vissen, als wespen komen zij. Zij kunnen ons niet meer steken, want het canonieke hart is opengegaan, een zwarte speer is er doorheen gegaan. Het hart nu zwart geworden, als een lever is het nu, sprekende zoveel woorden, brengende de dieptes tot het nu.

Nu komen de ketenen los, staan de ridders op, wanneer zij bewegen stort alles in. Maar in Hans’ Bosschat zijn we veilig, oude christussen wonen hier. Tot het huis van de Marion en haar moeder zullen wij gaan. In Spricht, een kabouter in een boerderij, versperrende de trap tot de kikkerkoning. Een huis staat op een heuvel, en jij bent bij mij. Buiten is alles donker, brandende struiken dansen om ons heen, nu is het kasteel open, en wij gaan daarheen.

Hans, wij staan op de bergen als spinnen, wij dalen neer, en stijgen dan weer op in dit pantarhei.

Alice, ik hoor jouw naam, onder een wespendeken ben jij. Laat mij dichterbij komen, ik heb de sleutel van het verhaal. Straks als ik de sleutel omdraai, dan komen er duizend duizelingen en miljoenen oude engelen om een nieuw verhaal en spel te beginnen.

Wit konijn, wit konijn, bij jou wil ik zijn, op jouw rug, gaande naar alles terug. Wit konijn, en alles zal anders zijn.

Sprookjes en spelen spreken door haar. Alice’s Sieraad in een winkel op een heuvel, ik kocht haar daar.

Verhalen en oude spelen en sporten spreken door hem. Wit Konijn Sieraad in een winkel onder de heuvel vond ik het.

Hoog in de bakkervelden, waar bakkerman’s gezichten staan, waar wilde wespen zingen, en wilde struiken de diepte ingaan.

De letters vagen hier weg, waar bakkerman’s gezichten staan, het hoge kruis toont de weg door de wespenlaan.

Wild dansende struiken, hoge tonen in mijn hoofd, om hen van de canon te verjagen, hen van de kattenboom.

Wild dansende struiken, wild dansende haren, hoge tonen in mijn hoofd, om terug te gaan naar al die jaren.

Ik heb het lang genoeg geprobeerd, maar dit ding brandde mijn vingers weg, ik zocht naar hoge dromen, maar alles spoelde weg. Nu is het bedekt met sneeuw der spinnen, en ik probeerde het weer, maar zoveel wespen begonnen mij binnen te dringen. Ik verbrandde van binnenuit, ik leef nog steeds in dit vreemde huis. Maar eens komt er dan wespensneeuw, als zomersneeuw, bedekkende alle vaten, en dan kan ik normaal met je praten.

Het heeft lang geduurd, maar het is er nu, zoveel dromen komen hier tezamen. Vroeger kon ik het nooit aanraken.

Bevroren zomer, bevroren wind, in dit kasteel waar Grietje’s toverfluit zich bevind. Bevroren vlammen, ik kan er langs gaan zonder te verbranden. In de verte stijgt de toverfluit op, ik grijp erna, ik duik ernaar, dan val ik en stijg weer op, ‘k heb nu vleugels, ik kan nu zonder jou verder leven.

Wij woonden allen in hetzelfde huis, maar nu zijn wij van elkaar verlost, door Grietje’s toverfluit. Bevroren zomer, bevroren wind, in dit kasteel waar Grietje’s toverfluit zich bevindt. Bevroren namen, zij die hier kwamen, hebben het nooit kunnen zien.

De rozen luisteren naar haar stem, de narcissen buigen als zij langskomt. Wanneer zij spreekt komt er goud uit haar mond, en zoveel diamanten, emerald, en rode robijn, Grietje’s toverfluit, het is goed om bij je te zijn.

Groot was de dag, daar verschenen zij, hand in hand, en toen vertelden ze mij, nu zijn ze groot en sterk genoeg om de poorten te openen, de poorten van de wonden, niets dan de gaten van fluiten.

Staf van Spricht, toverfluit, een zeer oud kruis, wonderbaarlijk verlicht, als een totempaal met zoveel gezichten, al die bakkerman’s gezichten, gezichten van het kruis, slechts gaten van een toverfluit.

Tovertrommelaars, twee stokjes in hun handen, twee staven van Spricht als het dubbele kruis, op weg naar het grootste kruis, over het eeuwige kruis. Tovertrommelaars, die wonden zijn trommels, meerdere malen gestoken openen zij de zegels.

Ik kan het niet verstaan, er staat een trommelaar voor mijn raam. Daar staat hij, ik kan het niet geloven, maar ongeloof is hier een zegen, langzaam trekt het je naar beneden.

Ik kan het niet verstaan, buiten is er toverregen, en Grietje trekt haar degen. Ze gaat de oorlog aan, en strijdt haar strijd, in opgetogen waan.

Hier eindigen alle wegen, hier stoppen alle fuiken, hier klinkt het eeuwig lied door, zelfs de doven horen het, het glipt door de ramen. Hier eindigen alle wegen. Hier stoppen alle fuiken, hier houdt alles op te bestaan, duizend duizelingen, tot het vrederijk zullen wij gaan.

Buiten is het koud, maar de struiken om het huis staan in brand, een kachel hebben we hier, leidende tot het toverstrand.

We hebben al een lange tocht gemaakt, we hebben alles achter ons gelaten. Nu zijn we op weg naar het toverstrand, maar het lijkt wel alsof we daar nooit aankomen, alsof het onbereikbaar is, als een vanille strand. De wespen nemen ons mee, tot een betoverd land, maar nooit komen we tot het toverstrand. We kunnen er alleen van dromen, we kunnen er alleen over praten, daar gaat een druppel, het valt in je hand.

Hier komt het stof tot leven. Hier laten de woorden hun dieptes zien, hier praat niemand meer over een zegel, maar er zijn hier zoveel gordijnen, zoveel dingen gesluierd. Kom dichterbij door de sluiers, tot de tovervlam, toe laten we weer rein zijn. Toe, eet van de vruchten, de harde schillen heb ik afgepeld, toe neem van de aarde, hier komt het stof tot leven.

Levende in een fata morgana, in een spiegelend kasteel, niets is wat het lijkt, en onder het groene wordt alles geel.

In de keuken van Duimeliesje’s kasteel daar wonen zoveel monsters en draken, en de oude gestaltes die daar praten. Een toverfluit, met bakkerman’s gezichten, een toverfluit als een brandende struik, verspreidende zoveel vuren, vormende de uren.

Zoveel meesters en juffrouwen wonen hier, met monden als toverfluiten. En zij wijzen naar de toverklokken, zoveel toverklokken hangen hier, zeggende de zomersneeuw was net hier.

Eens waren zij hier allen aangekomen, en verdeelden hun dromen, en gingen toen achter sluiers wonen. Kom met mij, door de toverklok, naar een nieuwe wereld, achter de sluiers van de nacht.

Eens waren wij hier allen aangekomen, achter de sluiers van de maan, waar wij tot de zonnen konden gaan. Eens kwamen wij achter de sluiers van de zon waar wij tot de toverklokken konden gaan. Eens kwamen wij achter de sluiers van de nachten, achter de sluiers van de tranen, tot de trap der toverklokken, zoveel spiegels waren hier, en wij gingen van trede naar trede, niemand kon ons hier nog bedriegen. Eens kwamen wij achter de sluiers van de toverspiegels, en toen begonnen we weer van voren af aan.

Eens waren wij allen hier aangekomen door Alice’s toverklok, en nu kan niemand er nog bij.

Ik had eens wat thee gedronken, van Alice’s toverklok, en nu ben ik hier, niemand kan me bereiken hier.

In een schuur vond ik gouden namen op een klok, het was een toverklok, en Alice was haar naam.

In een schuur vond ik kermisklokken, kerkklokken, toverklokken. In een zaal, zag ik haar toverklokken staan. Wie had hen gemaakt. In een zaal zag ik toverklokken staan, wie had hen gemaakt, of waren ze uit zichzelf ontstaan, al deze wonden waren slechts gouden namen op de toverklokken. En al deze tranen, slechts thee van toverklokken glijdende door de ramen.

Door de sluiers kwam ik tot deze plaats. Ik vergat wie ik was, en zelfs mijn naam. Door de toverspiegel zag ik de spinnensneeuw, en de wespensneeuw, als de zomersneeuw. Door vele spiegels kwam ik tot haar spiegelpaleis. Alles viel hier om, en niets is wat het lijkt. Door vele toverspiegels reizen wij, in Spricht staat haar standbeeld, maar wie zijn wij ?

Zij heeft haar tranen verzameld, als een piano van licht, waar de toversnaren schrijven een nieuw gedicht. De snaren uitgerekt, gevoelig staan zij daar door wespensneeuw bedekt. Toverpaarden, door de tijger verzameld, als een tijgerkoning is hij, zeg vaarwel, altijd vertrekt hij door de poorten van het spel. Toverpaarden door de tijger verzameld. Zij gaan snel op de ruggen van een toverspel.

Toverbokken in de nacht, fluitspelers tonen hun pracht. Het is een vreemd, vreemd toverspel. Waar zijn we aan begonnen. Is er een weg terug, of moeten we verder gaan. Wij weten niet wat wij moeten doen, maar wij vervelen ons niet, in dit toverspel. Alle wegen eindigen hier, alle fuiken stoppen hier, wie de weg kwijt is vind hem weer. Door de sluiers van een toverdobbelsteen. Hier wonen wij, hier leven wij, geen canon hangt er aan onze feeenslee. Door de sluiers van een toverdobbelsteen, geen canon volge ons, wij zitten op een arreslee, gaande over wespensneeuw.

Toverpionnen staan daar, zwaaiende naar haar. Ik kom steeds dichterbij, er is een plaats naast haar. Ik heb haar toverdobbelstenen in mijn handen gehad, en mijn handen zijn nu verbrand. En ze zeggen dit is waardoor de bomen spreken. Vier toverdobbelstenen vormen een toverpion, een tijgerkoning. Ik heb haar toverdobbelstenen in mijn handen gehad, en mijn handen zijn nu verbrand.

Drie toverdobbelstenen, en je hebt een tijger, en die de vierde heeft is de koning. Vijf toverdobbelstenen en je hebt een regenboogtijger. En die de zesde heeft is de regenboogtijgerkoning. Zeven toverdobbelstenen en je hebt een konijnentijger, en die de achtste heeft is een konijnentijgerkoning. Negen toverdobbelstenen en je hebt een tijgerbeer, en die de tiende heeft is een tijgerberenkoning. Vreemd spel, met toverpionnen. Waar zijn we aan begonnen.