![]() |
||||||||||||||||||||||
| mij mezelf en ik | ||||||||||||||||||||||
| gedichten | ||||||||||||||||||||||
| Jac. van Hattum / Eenzaamheid |
||||||||||||||||||||||
| De zwarte panter van de eenzaamheid houdt, op mijn komst, zich tot de sprong bereid: het vlees, dat lokt, is weer mijn eigen vlees, de vrees, die moordt, is weer mijn eigen vrees. Wat heb ik nog aan argeloosheid bewaard? Ik hoor het zwiepen der onzichtbre staart; twee gele lampen en rondom de nacht; ik lig, ontbloot en weerloos, en ik wacht. 'Alleen - zijn' drukt zijn stempel op mijn tijd, onmerkbre overgang tot eeuwigheid en eeuwigheid is het onzegbre niets, oneindigheid, na een betwijfeld iets. Nooit vond ik tranen; ook niet, toen de dood het trouwste hart in eigen rijk besloot en nooit de glimlach bij genoten lust; afwerender, dan ik, heeft geen gekust. Afwerender, dan ik, nam niemand aan, zinlozer heeft zijn jeugdkracht geen verdaan; en schrieler deelde geen, door heel z'n tijd, schoon banger geen was voor de eenzaamheid. Nooit groot-genieter, dan in het vreemd genot van redekaveling met een stugge God, de kille exponent van het eigen zijn, de pijn-inkerver van de eigen pijn. En dan de avond en de avond weer, en weer de avond, onafwijsbre keer, altijd de avond, en dat donker beest, niet te vermijden en als niets gevreesd. En dan de nacht, die altijd wederkomt, dat pik-zwart dier, dat in dit uur zich kromt, de zwarte panter van de eenzaamheid, die, op mijn komst, zich tot de sprong bereidt. |
||||||||||||||||||||||
| top | ||||||||||||||||||||||