2. Roodschoudertaling
2.1 Algemeen
Voor een beginnend eendenliefhebber is de roodschoudertaling, naast de mandarijneend, meestal ��n van de eerste soorten die men aanschaft. En met rede natuurlijk, want dit schattige eendje bekoort iedereen. De roodschoudertaling wordt, net zoals de mandarijneend tot de pronkeenden gerekend. Ze ruzi�n niet met andere eenden en ze planten zich gemakkelijk voort. Hoewel de jongen toch wel enige bescherming nodig hebben als het slecht weer is.
Het mannetje en het vrouwtje verschillen aanmerkelijk. Tijdens de ruiperiode behoudt het mannetje zijn prachtige vederkleed. Hij is dus het ganse jaar op kleur.
De roodschoudertaling noemt men ook wel eens de ringtaling, omdat op de gestrekte vleugels een zwart omrande rond witte vlek zichtbaar is.
Deze watervogel is oorspronkelijk afkomstig uit Zuid-Amerika. Reeds in het begin van de 20ste eeuw werd ermee gekweekt in West-Europa. Aanvankelijk was deze vogel door het verschil in klimaat niet winterhard. Doch doordat er reeds lange tijd mee gekweekt wordt, is hij winterhard geworden. Binnenzetten in de winter kan dan ook meer kwaad doen als goed.
2.2 Beschrijving
Zoals reeds aangehaald verschilt het mannetje aanmerkelijk van het vrouwtje. De jongen lijken aanvankelijk op het vrouwtje. Het verschil tussen een mannetje en een vrouwtje kan op jonge leeftijd gezien worden aan de witte vlek aan het oog.
2.3 Mutaties
Van de roodschouder zijn twee mutaties gekend:
1. De split
2. De blonde
Een bevriend eendenkweker kon in het jaar 1999 zijn ogen niet geloven toen uit het ei van een split roodschoudertaling een witte roodschoudertaling te voorschijn kwam. Het beestje was echter te zwak en is spijtig genoeg gestorven.
2.4 Voortplanting
2.4.1 Paring
De paring is net zoals bij andere eenden. Het mannetje bestijgt het vrouwtje langs opzij. Hij duwt haar bijna gans onder. Na de paring reinigen de beestjes zich.
2.4.2 Nest
De roodschoudertaling legt in gevangenschap haar eieren in een nestkastje dat goed voorzien is van hooi of stro. Ze gaan reeds vroeg in het seizoen op zoek naar een geschikte nestplaats.
2.4.3 Eieren
Er worden gewoonlijk tussen 8 en 12 eieren gelegd. Het leggen begint in de maand april of soms vroeger, afhankelijk van het weer. Tijdens zachte winters kan de leg reeds vroeg beginnen.
2.4.4 Broeden
Het broeden duurt ongeveer 28 dagen. Tijdens het verlaten van het nest zal het vrouwtje haar eieren toedekken met dons, die ze uit haar borstkas trekt. Zo blijven de eieren warm.
2.4.5 Uitkomen jongen
De jongen komen uit na ongeveer 28 dagen en verlaten vrijwel direct het nest in het zog van de moeder. De jongen zijn zeer klein en fragiel. Bij koud weer en zonder beschutting zullen veel jongen afsterven. Men kan dus best voor beschutting zorgen waaronder ze kunnen schuilen als het regent. Van nature uit zoeken de jongen beschutting onder de vleugels van de moeder. Dit kan echter soms (afhankelijk van het aantal) niet voldoende zijn.
2.5 Ringmaat
Maat L1 - 8
De jongen worden best geringd na een tweetal weken.