10. Kaneeltaling
10.1 Algemeen
Wat hem meteen doet opvallen in een collectie is zijn onderaan, egaal, kastanjebruin, bijna wel fluwelen vederpak. Bovendien is bij gespreide vleugels een bleekblauwe armvoorvleugel plek waarneembaar zoals bij de blauwvleugeltaling. Hij kan best niet gehouden worden op een vijver met een blauwvleugeltaling. De mannetjes zijn qua kleur zeer verschillend. De vrouwtjes van beide soorten zijn echter sterk op elkaar gelijkend. De bek van het vrouwtje van een kaneeltaling is iets langer.
De kaneeltaling is niet agressief tegenover andere eenden. Het mannetje verliest tijdens de zomermaanden zijn prachtige vederpak. Tijdens deze periode trekt hij op het vrouwtje, doch is iets donkerder gekleurd.
Kaneeltalingen kunnen soms ratelen. Het gebeurt dat het vrouwtje en het mannetje op land met hun hoofd pompende bewegingen maken en terwijl ze dat doen klapperen ze met hun bek. Het maakt een ratelend geluid.
De kaneeltaling komt zowel voor in Zuid- als in Noord-Amerika.
10.2 Beschrijving
Voor de beschrijving verwijs ik naar de foto's.
10.3 Mutaties
Er zijn van de kaneeltaling geen mutaties gekend.
Er worden wel een vijftal ondersoorten onderscheiden.
1. Kaneeltalingen die als trekvogel bekend staan:
a) Anas cyanoptera cyanoptera: dit is de meest zuidelijke soort (Argentini�)
b) Anas cyanoptera septemtrionalium: dit is de meest noordelijke soort
2. Kaneeltalingen die als plaatselijk rondzwerver bekend staan:
c) Anas cyanoptera orinomus (de Andes): dit is de grootste soort
d) Anas cyanoptera borreroi (de Borrero's): dit is de zeldzaamste soort
e) Anas cyanoptera tropica (de Tropische): dit is de kleinste soort
10.4 Voortplanting
10.4.1 Paring
De paring gebeurt zoals bij de meeste andere eenden. Na eventjes naast elkaar te hebben gezwomen met pompende hoofdjes, bestijgt het mannetje het vrouwtje langs opzij. Hij pakt haar met zijn bek bij haar nekveren vast en duwt haar bijna gans onder water. Na de paring reinigen de eenden zich.
10.4.2 Nest
Het nest bevindt zich meestal in dichte vegetatie, voorzien van een tunnelvormige ingang.
10.4.3 Eieren
Het legsel bestaat meestal uit een 9 � 10 licht gelig bruine eieren. De eieren zijn vrij klein.
10.4.4 Broeden
Het broeden duurt ongeveer 25 dagen.
10.4.5 Uitkomen van de jongen
De uitgekomen jongen worden direct naar het water begeleid. Ze lijken op het vrouwtje.
10.5 Ringmaat
Maat L1- 8
De jongen worden best geringd na een twaalftal dagen.