|
Trouw, 13 november 1996 |
|
|
|
|
|
Het prikkeldraad is er voor de hertjes |
|
|
|
|
|
LIEKE VAN DUIN |
|
|
|
|
|
Rita Törnqvist:
'Hoofdbagage', Van Goor, 135 p, fl. 24,50, vanaf 10 jaar; Anke de
Vries: 'Memo zwijgt', Lemniscaat, 139 p, fl. 24,50, vanaf 9 jaar. Dit is geen citaat uit
een jeugdboek, maar opgetekend uit de mond van de schilder die vorige week
mijn trappenhuis schilderde. Joviale man. Uiterst beleefd tegen de blanke
bewoners. Maar even vergeten dat trappenhuizen gehorig zijn. Ze zijn uit het leven gegrepen,
de vele jeugdboeken die de laatste jaren verschijnen over discriminatie,
racisme, migranten, vluchtelingen en het leven in een vreemde cultuur.
Cultuurverschillen begint een van de grote thema's
in de jeugdliteratuur van de jaren negentig te worden. Maar - een bekend
dilemma bij geëngageerde boeken - het blijkt niet mee te vallen om daar ook
literatuur van te maken. Sommigen lukte het, zoals Anne
Provoost met 'Vallen' (1994), Gaye Hicyilmaz met 'De bevroren waterval' (1993) en Rita Verschuur met 'Vreemd land' (1995), terwijl 'De weg
naar het Noorden' van Naïma El Bezaz
een veelbelovend debuut is. Ook op de Kinderboeken
Top Twaalf van deze maand prijken twee nieuwe titels: 'Hoofdbagage', van Rita Verschuur, en 'Memo zwijgt' van Anke
de Vries. De twee boeken zijn bijna uitersten binnen het genre. 'Hoofdbagage'
is het vervolg op 'Vreemd land', en laat zien dat cultuurverschillen zich
niet alleen voordoen tussen westerlingen en mensen uit arme landen, maar ook
tussen Europeanen onderling. Terwijl 'Memo zwijgt' over de klassieke
cultuurkloof van het gastarbeiderskind in Nederland gaat. 'Hoofdbagage' is het
vierde deel van de jeugdherinneringen van de schrijfster, die in en na de
Tweede Wereldoorlog spelen. Als Rita
Törqvist vertaalde ze Astrid
Lindgren en schreef ze al jaren kinderboeken, maar
pas onder haar meisjesnaam Verschuur lijkt ze haar literaire draai gevonden
te hebben. De vier boeken bestaan uit korte, trefzekere schetsen,
miniatuurstudies van beleven en voelen van een opgroeiend meisje. 'Vreemd land' en
'Hoofdbagage' spelen beide in de zomer van 1948. In het eerste mag de dan net
13-jarige Rita in Zweden logeren, en raakt bevriend
met Britt-Marie, terwijl in 'Hoofdbagage' Britt-Marie daarna voor veertien dagen mee mag naar
Nederland. Beide meisjes ervaren het andere land als vreemd, en de gewoonten
als raar of vies. Rita vindt het in 'Vreemd land'
vies dat de Zweden hun eten wegspoelen met drinken, terwijl Britt-Marie het op haar beurt vies vindt dat Nederlanders
zomaar met hun schoenen van de straat de kamer in lopen. In die zin passen 'Vreemd land' en 'Hoofdbagage' op elkaar als het
negatief en positief van eenzelfde foto. 'Hoofdbagage' mist het sprankelende
van 'Vreemd land', maar het voegt ook iets toe. Aanvankelijk krijgt Rita van haar ouders de opdracht om alleen het positieve
van Nederland te laten zien, en niet de gevolgen van de oorlog. Vooral omdat Britt-Marie als kind in Finland zelf een oorlog (tegen de
Russen) heeft meegemaakt. En dus verzint Rita
bijvoorbeeld dat al dat prikkeldraad in de duinen (waar nog mijnen liggen) er
is 'voor de hertjes. Dat die niet zomaar de weg op kunnen rennen en
doodgereden worden.' Op een gegeven moment kan de oorlog echter niet meer
ontkend worden. En dan, samen in de donkere kast waarin Rita's
vader zich voor de Duitsers verstopte, komen de verhalen. Niet alleen van Rita, maar ook van Britt-Marie.
Pas als ze die heeft kunnen vertellen, lijkt Britt-Marie
echt los te komen. Hoewel 'Hoofdbagage'
en 'Vreemd land' twee op zichzelf staande boeken zijn, vormen ze samen een
uitstekend geschreven, gedetailleerde studie van hoe twee kinderen elkaars cultuurverschillen ervaren. Anke de Vries is er niet
op uit om, zoals Rita Verschuur, literatuur te
schrijven, maar om kinderen sociaal gevoelig te maken met verhalen over
maatschappelijk onrecht. Die verhalen zijn integer geschreven, maar ook
schematisch: het is altijd overduidelijk wie 'de
goeden' en 'de slechten' zijn. 'Kladwerk' (1990), over racisme op school, en
'Blauwe plekken' (1992), over kindermishandeling, zijn daar voorbeelden van.
Razend populaire boeken zijn het, die beide de Prijs van de Nederlandse
Kinderjury kregen. Anke de Vries schreef 'Memo zwijgt' op basis van het filmscript van de
jeugdfilm 'De jongen die niet meer praatte' van Ben Sombogaart,
die vorige maand tijdens Cinekid in première ging.
Het gaat over de Koerdische jongen Memo, die met moeder en zusje door zijn
vader naar Rotterdam gehaald wordt, omdat die het in Oost-Turkije
te gevaarlijk vindt worden. Hier vormen de cultuurverschillen een ware
cultuurkloof. Terwijl Memo in zijn dorp een spraakwaterval
was, kan hij in Nederland geen woord meer uitbrengen, niet als hij gepest
wordt op school, niet tegen zijn vriendje Jeroen en
niet tegen de politie na een schietpartij. Hij wil maar één ding: terug
naar Turkije, en als hij samen met Jeroen naar de
haven gaat, ziet hij een Turks schip. Hij klimt erop... Er komt in kort bestek
onwaarschijnlijk veel aan de orde in 'Memo zwijgt': de Koerdische
burgeroorlog, legale en illegale gastarbeid in Nederland, schietpartijen,
heimwee, stress, ziekenhuis. Gelukkig worden er geen namen van strijdende
facties genoemd, maar blijft het een spannend en zeer toegankelijk
kinderverhaal vol actie waarin de vriendschap tussen een Koerdische en een
Nederlandse jongen voorop staat. Spanning en sentiment in overvloed: daar kun
je smalend over doen, maar kinderen die dit boek voor de Kinderjury kiezen
worden vast niet als de huisschilder waar dit stuk mee begon |
|