'Alles voor Vlaanderen, Vlaanderen voor Voskuil'. J.J. VOSKUIL, De moeder van Nicolien / Het Bureau, deel 5: En ook weemoedigheid
J.J. Voskuil over Het Bureau, het verslag van een afrekening Pascal Verbeken
Het Guiness Book of Records wenkt voor J.J. Voskuil. Als volgend jaar het zevende deel van zijn romancyclus Het Bureau verschijnt, is hij meteen schrijver van de omvangrijkste roman uit de wereldliteratuur. Inmiddels is deel vijf En ook weemoedigheid én de satelliet De moeder van Nicolien uit. Wat drommen lezers naar een kurkdroge kroniek van een leven tussen kantoormuren drijft, weet ook Voskuil zelf niet. Maar over de intentie van Het Bureau is hij stellig: de lezers hun illusies ontnemen.
In de Volkskrant (6.2.1999) constateerde Joost Zwagerman een curiosum: ,,Gewoonlijk zijn het jonge schrijvers om wier boeken zich een hype kan afspelen en wijzen oudere critici in een gezamenlijk tut-tut-tut hen op de plaats. Bij Voskuil is het andersom. Het is moeilijk een criticus te vinden van boven de vijftig die niét is gegrepen door Het Bureau.''
Maar Voskuil sticht ook buiten het recensentencircuit verwarring. Welke uitgever had een zevendelige monsterroman aangedurfd die aan de oppervlakte weinig meer lijkt dan een immense uitvergroting van ambtenarengeklets? Welke boekhandelaar had vermoed dat zo'n turf pas na een embargo mocht worden aangeboden? En waarom zijn een paar tienduizend lezers telkens weer bereid zich enkele weken te laten opsluiten in een claustrofobisch universum vol zinloze werkzaamheden, waarin de psychologie en binnenkant van de personages buiten beeld blijven?
Dat Voskuil gehypt wordt met een briljante uitgeversstrategie, staat buiten kijf - heeft u trouwens al zo'n linnen Bureau-tasje? Maar evenzeer klopt het dat hij de Nederlandse ziel midscheeps heeft geraakt.
Het Bureau is een snede van dertig jaar uit het leven van Maarten Koning. Precies zoals Voskuil in 1957 aan het Amsterdamse P.J. Meertens-Instituut voor Dialectologie, Volks- en Naamkunde begon te werken, begint alter ego Koning een carrière aan een wetenschappelijk bureau voor volkskunde. In de eerste drie delen van Het Bureau (Meneer Beerta, Vuile handen en Plankton) verzet Koning zich tegen de misplaatste pretenties van collega-wetenschappers. In deel vier (Het A.P. Beerta-Instituut) gaat hij zich ondanks alle cynisme meer en meer identificeren met zijn vak, om in het pas verschenen En ook weemoedigheid zelf een kordate directeur te worden.
Volgend jaar zullen Afgang en De dood van Maarten Koning het licht zien. De zeven delen beslaan meer dan 5.000 pagina's, een gargantueske oefening die haar tol eiste.
,,Vier en een half jaar heb ik me volledig van de buitenwereld afgesloten,'' vertelt J.J. Voskuil. ,,Het moeilijkste was 's avonds terugkeren in de werkelijkheid. Verbaasd keek ik dan om me heen: hé, het jaargetijde en het weer zijn anders! Na een kwartiertje was ik weer geacclimatiseerd, maar veel meer dan wat uitbollen kon ik niet meer doen. In die zin heeft het schrijven me totaal opgeëist, zelfs de telefoon opnemen kon en wilde ik niet.''
Aan het schrijven van Het Bureau ging een zwangerschap van gemiddelde duur vooraf. ,,Negen maanden heb ik in een eigen wereld rondgelopen, verschrikkelijk gespannen en geplaagd door hoofdpijn. Tot het boek helemaal klaarlag. Eenmaal aan de slag, was het nog tweehonderd bladzijden zoeken naar de juiste vorm. Maar dan ging het heel snel. Tijdens het schrijven zat ik als het ware te kijken naar een film en registreerde wat ik zag. Vandaar die uitgebeende stijl: er restte gewoon geen tijd voor mooie metaforen, ik moest vooral bijhouden wat ik zag.''
Als enige hulpstukken gebruikte Voskuil zijn herinnering, een onvolledig dagboek, brieven en notulen van vergaderingen. Verraderlijk alaam. ,,Vooral de dagboeken waren gevaarlijk. Drie keer heb ik passages letterlijk overgenomen, maar dat viel mijn redacteur onmiddellijk op. Uiteindelijk waren die fragmenten verwerkingen van tijdelijke probleempjes. Onbruikbaar om zomaar in te passen.''
Hoe dieper zijn geheugen in de tijd groef, des te preciezer werkte het.
,,Omdat de herinnering gericht is op wat onopgelost bleef,'' vermoedt hij. ,,En aan het begin van je leven heb je nu eenmaal veel meer problemen. Een verwerkt trauma vervaagt, waardoor het lijkt alsof jeugdherinneringen scherper zijn.
,,Het Bureau gaat eigenlijk over één onopgelost probleem dat dertig jaar aansleepte: hoe pas ik me in in een maatschappelijk bestel waarin ik me niet thuisvoel? Hoe leg ik toch sociale contacten? Neem een man als Beerta. In het begin is die voor Maarten een raadsel. In die mate dat Maarten zelfs de illusie koestert dat Beerta een hyperintelligente scepticus is die een draaglijke plaats in het leven heeft gevonden. Met andere woorden, Maarten ziet in Beerta een voorbeeld, iemand die hem toont hoe hij zijn/* eigen*/ twijfels kan aanpakken. Naarmate hij erachter komt dat Beerta niet is wie hij lijkt - en zelfs een charlatan blijkt - verliest Maarten echter zijn belangstelling voor én zijn herinnering aan Beerta. Het centrale probleem daarentegen blijft altijd even helder, dertig jaar lang.''
Een therapeutische zelfkwelling, zo zou je de eindeloos voortdreinende beschrijvingen van collega's, hun mechanische tics en onhebbelijkheden kunnen typeren. Toch kreeg Voskuil nooit de aandrift om ook maar één van de personages ontijdig aan zijn eind te laten komen.
,,Niet uit barmhartigheid, nee. Het gekke is: ik zie ze helemaal niet als irritant. Kijk, Maarten zoekt vriendschap, solidariteit, en heeft de illusie dat iedereen zijn opvattingen deelt. Bijgevolg móet iedereen hem wel tegenvallen, maar dat betekent niet dat het allemaal zo'n onaangename mensen zijn. Nee, het is gewoon hun lot op Maarten te botsen. Heel af en toe noteert hij wel eens iets aardigs, maar lezers pikken dat zelden op omdat ze zo'n radicaal boek niet gewend zijn.
,,In een intentionele roman krijg je kant en klare personages, maar ik lever alleen een bouwpakket. Alles blijft beperkt tot de zichtbare werkelijkheid omdat er nu eenmaal niets anders is. De rest is flauwekul. Ook bij Kafka zijn de personages zo plat als een dubbeltje. En denk ook aan De avonden van de jonge Gerard van het Reve of The Enigma of Arrival van V.S. Naipaul. Bij de meeste andere schrijvers krijgen de lezers een rustig gevoel omdat ze met afgeronde personages te maken hebben. Stomvervelend, vind ik dat.
,,In Het Bureau moet je de stukjes aan elkaar lijmen en interpreteren. Als je dat minutieus doet, krijg je wel eens een verrassing. Zo heeft Maarten veel respect voor Bart Asjes, een bijzonder moeilijk, maar integer man. Wanneer hij hem gaat opzoeken op zijn ziekbed, blijkt Asjes zelfs aardig te zijn. Een belangrijk detail, want het toont dat de personages het bureau*/ op kantoor vooral een rol spelen die ze zichzelf hebben op kantoor vooral een rol spelen die ze zichzelf hebben/* toebediend*/ toebedeeld. Ze laten steeds hetzelfde gezicht aan dezelfde mensen zien.''
De moeder van Nicolien telt maar 187 pagina's en wordt voorgesteld als een satellietboek van Het Bureau, door de uitgever als ,,een kleintje Voskuil'', in sommige recensies zelfs als ,,een tussendoortje''.
De titel slaat op de aftakelende schoonmoeder van Maarten Koning die in de romancyclus een vrij marginale rol speelt. Hier wordt ze naar het voorplan gepromoveerd, waarmee Voskuil aangeeft hoe belangrijk ze als metafoor is in de cyclus. Dementeren is het geheugen uitgommen - de moeder vergeet haar bril, vervolgens haar leeftijd, nog later zichzelf - tot alleen de harde kern overblijft: een ademende huls.
,,Het ging me om de rechte lijn van groeiende eenzaamheid naar het punt waarop je helemaal uitgekleed bent. Daarom heeft Maarten ook zoveel sympathie voor haar: ze staat voor de mens in zijn essentie. Vaak luidt de kritiek op het Het Bureau dat de personages stereotiep worden voorgesteld. Nu, dat was net de bedoeling, want de mensen zijn stereotiep achter wat aankleding die je makkelijk los kunt maken.
(Docerend:) ,,In Het Bureau vervult de moeder twee functies. Ze staat voor de oudere generatie die ooit, op haar manier een machtsstrijd heeft geleverd. Tot ze oud wordt en niets nog belangrijk is. Wanneer Maarten zich in het volgende deel tegen de opkomende jongeren op het bureau verzet, dan is dat omdat zij hem ook over die grens dreigen te duwen.
,,Ten tweede is de moeder van Nicolien een vrouw met een marginale intellectuele bagage, die onbevangen tegen Maartens carrière aankijkt en heel nuchter durft te zeggen dat hij met onzin bezig is. Dat vindt Maarten ook, wat hem nog een reden geeft om met haar te sympathiseren. Ze vervult dus de rol van de doodgravers in Hamlet: de laconieke commentator.
,,Zelf heb ik ook een zwak voor mensen die bijna met zichzelf samenvallen. Ik heb voor mijn werk veel landarbeiders gesproken en was vaak onder de indruk van hun eerlijkheid. Ze hadden geen schild van intellectuele hoogmoed om zich achter te verschuilen.''
Voskuils vader was de socialistische voorman Klaas Voskuil. Is zijn zwak voor arme-mensen-romantiek kenmerkend voor kinderen uit een rood nest die later goed zijn terechtgekomen?
,,U bedoelt dat ik met een zeker schuldgevoel zit? Dat klopt wel, ja. Het adagium van mijn vader was: voor de arbeider is niets goed genoeg. En die bekommernis om het welzijn van anderen heeft hij op mij overgedragen.
,,Ik kan ook slecht tegen opscheppers en blaaskaken. In mijn wetenschappelijke werk deed ik niets liever dan pretenties doorprikken. Maar dat is veeleer calvinistisch dan socialistisch. Of beter: daarin komen de twee samen. Jan van Nijlen heeft het mooi opgetekend: ,,Weten dat er niets is, niets dan gejuich en kreten tot de laatste snik.''
En ja, er zit best wat romantiek in mijn vertedering door het leven van gewone mensen. Maar zo voel ik het nu eenmaal. Soms was ik tijdens die bezoeken aan landarbeiders zelfs geëmotioneerd. Ken je de Japanse film Naakte eiland? Daarin wonen een boer en een boerin met hun twee kinderen op een veldje op een rots. De film laat alleen maar zien hoe die mensen heen en weer naar de bron gaan om hun veld te bewateren. Eindeloos wordt die handeling herhaald, twee uur lang. En aan het eind gaan ze naar een feestje op een ander eiland. Ongelooflijk mooi is dat. Want wat je ziet, is het leven zonder vlees, er is alleen maar graat. Het gaat dus ook om een verlangen naar doorzichtigheid, overzichtelijkheid. Zonder overbodige details.''
Bij de gladgestreken vaderlandse politiek voelt Voskuil zich nog nauwelijks betrokken.
,,Vandaag lijken de partijen zo op elkaar dat je nergens nog een ideologie kunt bespeuren. En net die ideologie sprak mij vroeger aan, maar ze is vervangen door een soort realisme dat erop uit is de eigen welvaart te behouden, te vergroten en uit te dragen over de mensen in ons land. Dat zegt me helemaal niets. Welvaart vertroebelt de blik en verhindert je helder na te denken. Politiek voel ik me alleen nog verwant met partijtjes tegen de aantasting van het milieu die zeggen dat het soberder moet. Zeg maar de Groenen.''
In En ook weemoedigheid blijft Maarten Koning op gevorderde leeftijd links, maar hij betrapt zichzelf steeds vaker op conservatieve trekjes.
,,In wezen is de versobering van de maatschappij een reactionaire gedachte. In de jaren vijftig en zestig profileerde links zich als een anti-kolonialistische stroming: tegen de oorlog in Vietnam bijvoorbeeld. Daar herkende Maarten zich in. Maar wanneer loonsverhogingen zowat het belangrijkste thema worden, haakt hij eigenlijk af.
,,Zijn functioneren op het bureau in het laatst verschenen deel zou je ook een vorm van politiek bedrijven kunnen noemen. Wat doet hij anders dan evenwichten zoeken om zijn afdeling te laten functioneren. Uit verschillende mensen probeert hij te halen wat erin zit. Maar hij heeft niet de neiging radicaal te werk te gaan.''
Merkwaardig, maar in Vlaanderen spreekt Het Bureau alleen een klein gezelschap die hards aan. Een zeer select publiek is Voskuils indruk.
,,Aan de KU Leuven is een groepje docenten dat samenkomt onder de leuze: Alles voor Vlaanderen, Vlaanderen voor Voskuil. (lacht) Aan de universiteit van Gent zit ook zo'n kern. Het geeft aan wie mijn Vlaamse publiek vormt: academici, niet zozeer 'gewone lezers'. In Nederland is het net andersom: schrijvers en neerlandici spugen op Het Bureau, terwijl 'de huisvrouwen van Reve' ook voor een groot deel mijn publiek zijn. Elke dag krijg ik een brief of twee. Vrijwel altijd vrouwen. Sommigen zoeken herkenning of laten weten dat ze op hun kantoor elkaar met namen uit Het Bureau aanspreken. Anderen zitten met een probleem als dat van Maarten.
,,Maar het verschil in verkoop tussen Noord en Zuid blijft zeer frappant. Van De moeder van Nicolien zijn 500 exemplaren naar Vlaanderen gegaan, tegenover 30.000 voor Nederland. Dat zegt alles. De eerste delen van Het Bureau zijn ook moeilijk doorgedrongen in Brabant en Limburg, wat toch wijst op een cultureel verschil. De vraag is in welke mate godsdienst doorwerkt in een cultuur en omgekeerd. Mijn uitgever heeft plannen om na het zevende boek een verspreidingskaart van Het Bureau te publiceren, zoals er op het Beerta-instituut werden gemaakt . Dan zal je zien dat het boek geleidelijk naar het Zuiden trekt, terwijl het carnaval oprukt naar het Noorden. (lacht). Op dit moment staat het boek aan de landsgrenzen.
,,Ik weet het wel, Het Bureau is onmiskenbaar een zeer calvinistisch boek door de deugden die erin hoog staan aangeschreven: zuinigheid en integriteit. Een personage als de Vlaming Pieters geeft de werkelijkheid veel makkelijker een zetje. Dat soort praktijken behoort hier duidelijk minder zichtbaar tot de publieke moraal. Toch blijf ik het vreemd vinden dat er een literair eenrichtingsverkeer bestaat. Nederlanders lezen veel Vlaamse schrijvers, maar omgekeerd? Claus is hier populairder dan bij jullie en Elsschot is eigenlijk alleen in het Noorden gelezen. Zelf ben ik grootgebracht met Vlaamse auteurs: Teirlinck, Walschap, Boon, Van Nijlen, Elsschot. Welke Nederlander spreekt aan in Vlaanderen, op Mulisch na? Zelfs Van der Heijden lukt het niet, terwijl je dat net van hem toch zou verwachten.
,,Ik heb het er eens over gehad met de directeur van domein Bokrijk. Die zei: 'Jullie hebben zoveel identiteitsgevoel als natie, dat missen wij. Daarom zijn we in contacten met Nederlanders ook een beetje huiverig, we voelen ons de mindere.' Mijn zeer voorzichtige speculatie is dat dit gebrek aan zelfvertrouwen misschien wel maakt dat Nederlanders minder makkelijk worden gelezen.''
Hoe dan ook, zelfs voor de Vlaamse batavofiel blijft Het Bureau literair onherbergzaam Hollands. De rigiditeit waarmee het kantoorleven wordt belicht,/* roept associaties op*/ herinnert aan de opgeschoren nekken van Bordewijk. Ook al zijn die er niet. De dialogen lijken een variant op 'de kopieerlust van het dagelijks leven'. Ook al kun je Voskuil bezwaarlijk een nieuwe fin de siècle-versie van Beets noemen. De onderliggende melancholie van Nescio is voelbaar, en zelfs de klare lijn van De Stijl of van zeventiende-eeuwse Hollandse genretaferelen trillen onnadrukkelijk in de cyclus door.
,,Ik vraag me af of dat allemaal wel zo typisch Nederlands is,'' werpt Voskuil tegen. ,,Hoewel ik meteen toegeef dat je Het Bureau makkelijker associeert met het licht van de polders dan met Rubens. Ik hou ook van de eindeloos lege ruimte met niets meer dan een slootje en een kerktoren. In elk geval gaat het niet om kopieerlust, maar om het uitdenken van een probleem. Niet het beschrijven, maar het begrijpen is belangrijk. Dat is iets anders dan een stukje over een diakenmannetje. Van Beets kun je ook niet zeggen dat hij rekenschap aflegde. Bij kopieerlust denk ik ook aan een roman als De Boeken der kleine zielen waarin Couperus op een nogal slappe manier tracht zijn positie binnen de familie te bepalen. Veel meer dan een feuilleton is dat niet geworden. Couperus wilde beschrijven wat hem dwarszat, maar gleed uit door de werkelijkheid na te vertellen. Hetzelfde overkwam Joyce met Ulysses, waarmee hij wellicht het definitieve boek over zichzelf wilde schrijven. Het boek opent met een klaroenstoot, maar als hij merkt dat hij zijn opzet niet kan waarmaken, begint hij een gigantisch barok kasteel op te trekken. Om te verbergen dat hij zichzelf niet kon vastpinnen.''
Voskuil debuteerde in 1963 met Bij nader inzien, 1.208 bladzijden over de periode 1946-1953 waarin Maarten Koning universiteitsstudent was. Een verhaal van hooggestemde idealen, onvermijdelijk ontbindende vriendschappen en tenslotte de eerste compromissen in de volwassenheid.
,,Ik heb altijd geloofd dat het debuut mijn enige boek zou blijven, omdat ik dacht te weten hoe het leven in elkaar zat,'' vertelt Voskuil . ,,Maar daarin heb ik me vergist. Toen ik met pensioen ging, stelde ik vast dat ik toch weer met illusies had geleefd. Ik was er nog eens ingetrapt.''
Tussen het debuut en Het Bureau zweeg Voskuil, behalve in een paar volkskundige werken zoals Van vlechtwerk tot baksteen en Het ophangen van de nageboorte van het paard. Is er veel verschil tussen de registrerende wetenschapper en de schrijver?
,,Nou, als schrijver heb ik het over mensen. De overeenkomst zit ergens anders: Het Bureau gaat over de illusie van Maarten dat het mogelijk is een hechte groep collega's samen te brengen die elkaar ondersteunen zonder vooruitzicht op profijt. Een guerrillagroep. Mijn artikelen bestrijden illusies. Toen ik in 1957 in het vak terechtkwam, gold de idee dat tradities duizenden jaren oud zijn, terwijl het vaak maar om hoogstens dertig jaar ging. Zoiets haalde ik onderuit, ook al ontneem je mensen dan het comfort van met valse beelden te leven. Voor de buitenwereld zijn mijn wetenschappelijk en literair werk gescheiden werelden, maar in wezen gaat het om dezelfde hygiënische onderneming.''
J.J. VOSKUIL, De moeder van Nicolien, 192 blz., 798 fr.
Het Bureau, deel 5: En ook weemoedigheid, 928 blz. 1.500 fr., gebonden, 2.010 fr., Van Oorschot, Amsterdam.