J.J. VOSKUIL
Het Bureau I
Meneer Beerta
Amsterdam: G.A. van Oorschot
767 blz., 1.380 fr.
HIJ wordt omvangrijker dan welke roman ook die ooit in het Nederlands
is verschenen: meer dan vijfduizend bladzijden is aangekondigd. Het eerste
deel van deze romanturf van de hand van J.J. Voskuil telt er alvast 767.
Er staan bijgevolg nog flink wat ,,vervolg''-delen op Van Oorschots
uitgavenprogram. Alvast dit: het eerste deel van Voskuils monsterroman, Het
bureau I: Meneer Beerta overtuigt niet.
In 1963 verscheen van J.J. Voskuil Bij nader inzien, een
1.207 bladzijden tellende roman over zijn studentenjaren. Het werk maakte wat
ophef omdat het een sleutelroman was, belandde na een tijdje in de ramsj,
kwam midden de jaren tachtig opnieuw in de belangstelling en verwierf toen
een beetje een cultstatus. In 1991 werd het door de VPRO tot een vrij sterke
serie verfilmd.
Voskuil publiceerde na deze eersteling nooit een volgende roman en gaf in
interviews ook te kennen dat hij zichzelf volstrekt niet als een schrijver
beschouwde. Hij maakte soms wel gewag van een nieuw boek, Binnen de
huid, dat een vervolg op zijn eerste roman zou zijn, maar hij achtte
het uiteindelijk niet voor publikatie geschikt.
Misschien zette de hernieuwde belangstelling voor Bij nader
inzien de sinds enkele jaren gepensioneerde Voskuil ertoe aan een nieuw
,,vervolg'' te schrijven, dan wel dat eerste vervolg drastisch te wijzigen.
Het resultaat bezorgde hij in de lente van 1995 aan Van Oorschot. In
september liet de uitgeverij weten dat ze de meer dan vijfduizend bladzijden in
7 delen zou publiceren. Dit jaar verschijnt trouwens het tweede deel nog; in
2000 zou het laatste in de boekhandels moeten liggen.
BIJ nader inzien loopt van 1946 tot 1953, het eerste deel
van Het Bureau, begint in 1957. Net zoals Voskuil, na een
korte periode als vertaler en leraar, vanaf 1957 aan het Amsterdamse P.J.
Meertens-Instituut voor Dialektologie, Volks- en Naamkunde werkte, begint zijn
alter-ego Maarten Koning in de eerste bladzijden van de roman te werken voor
een wetenschappelijk bureau voor volkskunde. Dat bureau wordt geleid door
ene Anton Beerta - een man die van het verwerven van nieuwe
onderzoeksfondsen zonder duidelijk doel zijn levenswerk maakt.
Koning krijgt de opdracht een Atlas voor Volkskultuur op te stellen, wat
hij aanvaardt omdat het een zeker isolement mogelijk maakt. Immers, ,,als
er één uithoek was in het Nederlandse wetenschappelijke bestel zonder enige
pretentie, dan was het deze.''
Koning wil zich onttrekken aan sociale mekanismen, die hem automatisch
worden opgedrongen, zoals het naarstige werken aan de vooruitgang. Dit eerste
deel van Het bureau speelt trouwens in de jaren dat
Nederland zich uit de materiële chaos van de Tweede Wereldoorlog begon te worstelen
en het arbeidsetos ruime weerklank vond.
Het stoort Maarten Koning dan ook geenszins dat het personeelsbestand van
het bureau weliswaar groeit, maar dat de voltooiing van hun werk daarmee
geen meter dichterbij komt, of dat zijn deelonderzoek allerminst
opzienbarende resultaten aflevert.
Hij gaat ook resoluut tegen de wil van zijn vader en Beerta in en weigert
halsstarrig het proefschrift te schrijven dat hem hogerop zou kunnen
brengen. Ook dat lijkt rechtstreeks naar Voskuil zelf te verwijzen. In een
interview met De Volkskrant verkondigde de auteur in 1985:
,,Jazeker, iemand die promoveert kan oliedom zijn. Sterker nog, juist omdat ze
promoveren zijn ze oliedom. Het is de tweede garnituur die promoveert.''
Het problematische karakter van de vaderfiguur komt in de interviews met
Voskuil ook geregeld aan bod. Het is dus geen toeval dat Meneer
Beerta, als eerste in de reeks van zeven, een boek is waar vaders in
eerste instantie de touwtjes in handen hebben, maar uiteindelijk naar de
achtergrond verschuiven om ruimte voor de zoon en de volgende boekdelen vrij te
maken.
Dat Beerta en Maarten Konings vader twee parallelle personages zijn,
wordt nog duidelijker wanneer op het einde van de roman beiden bij hun pensioen
een reis naar Israël cadeau krijgen. Met Maartens opmerkingen dat die reis
in de plaats komt van de vroeger gebruikelijke leunstoel, geeft Voskuil
aan in welke mate het vooruitgangsgeloof zich in die naoorlogse jaren
maatschappelijk heeft bestendigd en hoe de cultus van de eeuwige jeugdigheid de
,,verdiende rust'' heeft verdrongen.
HET is duidelijk dat in een dergelijke kontekst Maartens verlangen
naar een vrijblijvende positie ten opzichte van de maatschappij zal botsen
met de maatschappelijke dwang om sociaal voluit te funktioneren. Dat
dreigende konflikt zal in de volgende delen van de roman ongetwijfeld worden
uitgewerkt, zodat de lezer uiteindelijk het hele verhaal van Voskuils loopbaan
voor zich zal hebben liggen.
Bij elk boek, maar zeker bij meer dan vijfduizend bladzijden tekst, kun
je je afvragen wie daarop zit te wachten. Ik in ieder geval niet; de lezer
die Bij nader inzien een mieters boek vond waarschijnlijk
wel.
Meneer Beerta is de ultieme vorm van gedegen
ambtenarenproza: het geeft de lezer een nauwgezet, realistisch en volledig verteld
verhaal. De auteur schuwt de dorheid niet wanneer het echte leven dat nu eenmaal
gebiedt; hij kleurt binnen de lijntjes.
Dit verhaal bewaart duizenden min of meer banale gebeurtenissen voor de
eeuwigheid, zonder dat je het gevoel hebt dat de werkelijkheid door fiktie
geweld werd aangedaan.
Voskuil heeft zich op een minutieuze wijze laten leiden door de
werkelijkheid, wat aan zijn roman een zekere waarachtigheid verleent. Net omdat hij
in zijn verhaal zoveel wou archiveren, is hij er niet in geslaagd om het
uit zijn partikulariteit te tillen.
Voskuils uitgever beweerde bij de aankondiging van het boek dat het een
roman was over om het even welk bureau. Omdat je waarschijnlijk overal een
chagrijnige tante, een miereneuker en een sullige vrolijkerd vindt, zoals op
dit bureau het geval is, heeft de uitgever waarschijnlijk gelijk.
Om een verhaal met een breder perspektief te maken, had Voskuil zich
evenwel wat minder moeten vastbijten in zijn konkrete ervaringen. Geen
gewonigheid wordt ons bespaard.
VOSKUIL verdedigde die overvloed aan details in zijn eerste roman als
volgt: ,,Ze zijn bedoeld om de inhoud van de woorden te relativeren. Een
sigaretje rollen, een boterham met appelstroop, een wandeling, dat
suggereert rust. Als ik de details had weggelaten was het boek voor de helft dunner
geworden, maar dan had je een te grote nadruk gekregen op de inhoud van de
woorden.''
Ook Meneer Beerta is zo een kabbelend boek, waarbij je
zonder schuldgevoelens mag wegdommelen. Voskuil heeft de kritiek
op zijn eerste boek blijkbaar wel ter harte genomen, want Meneer
Beerta bevat geen overvloed aan beschrijvingen van steeds weerd dezelfde
futiele details als het om de haverklap rollen van een sigaret.
Het kabbelende effekt van de roman is een gevolg van de systematische
opeenvolging van gebeurtenissen: het ene probleem komt er pas na en zonder in
te haken op het vorige konflikt. Je kunt honderden gebeurtenissen
schrappen, maar er evengoed honderden aan toevoegen. Dialogen worden tot in het
banale uitgesponnen om de verschillende standpunten te duiden.
Het gevolg is evenwel dat Maarten Konings krisisgevoelens allerminst
radikaal en zelfs behoorlijk onecht overkomen. Wellicht zal Meneer
Beerta dan ook, net als zijn eersteling, Bij nader inzien,
jonge lezers kunnen aanspreken, die zich met Konings onrust kunnen
identificeren, maar door de gesapige vorm tegelijkertijd worden gesust. De roman
speelt zich weliswaar meer dan dertig jaar geleden af, maar dat sluit een
soortgelijke identifikatie niet uit.
Voskuil heeft vastgehouden aan het wetenschappelijke adagium van
feitelijke volledigheid. Sommige beschrijvende passages maken duidelijk dat hij ook
zeer strak en indringend kan schrijven. Jammer dat hij zich daar niet meer
op heeft toegelegd.
JEROEN OVERSTIJNS