|
Trouw, 7 juni 2003 |
|
|
|
|
|
Pompeji is verzwolgen, maar
Folkrad redt zich wel |
|
|
|
|
|
Peter de Boer |
|
|
|
|
|
Simone van der Vlugt
is al herhaaldelijk de nieuwe Thea Beckman genoemd vanwege het door haar beoefende genre van
de historische jeugdroman. Zij debuteerde in 1995 met 'De amulet', waarin het
thema van de heksenjacht anno 1630 centraal staat. Verder schreef ze onder
meer boeken over de barre omstandigheden in de Limburgse kolenmijnen anno
1845 ('Zwarte sneeuw') en over het levensverhaal van Jeanne
d'Arc ('Jehanne'). Zij kreeg diverse
eervolle vermeldingen van onder andere de Jonge Jury en de Kinderjury. Beckman daarentegen, maar die is
ook 44 jaar ouder, behaalde bij genoemde jury's menigmaal de eerste prijs en
heeft tevens drie Griffels op haar palmares staan. Van der Vlugts tijd moet wat dit betreft wellicht nog komen. Of haar nieuwe,
zevende roman 'De slavenring' zal worden bekroond, is zeer de vraag. Dit
boek, grotendeels spelend in 79 na Christus in de stad Pompeji,
is niet haar beste. De hoofdpersoon Folkrad, een
zeventienjarige Rijnlandse Cananefaat die in
Romeinse slavernij geraakt, is in tegenstelling tot bijvoorbeeld de
intelligente en levensecht beschreven Limburgse Emma
uit 'Zwarte sneeuw', een ietwat naïeve, non-descripte
figuur. Hij fungeert meer als een camera waarmee het alledaagse leven in een
Romeinse stad en van de slaven in beeld wordt gebracht dan als een levend
personage. Via hem zijn we getuige van dé grote natuurramp uit de klassieke
Oudheid: de uitbarsting van de Vesuvius en de
ondergang van Pompeji. Maar welke conflictstof,
welke intrige draagt nu eigenlijk het verhaal dat deze roman body moet geven?
Dat is het manco van
'De slavenring': het verhaal is mager en de plot rammelt. De avonturen van Folkrad, zoon van een stamhoofd, zijn snel verteld. Hij
groeit op in een nederzetting niet ver van Noviomagus
(het latere Nijmegen). Op een dag doodt hij twee Romeinse soldaten die een
meisje uit zijn sibbe (stam) proberen te verkrachten. Dit komt de sibbe op
gruwelijke vergeldingsmaatregelen van de Romeinen te staan: de nederzetting
wordt platgebrand en alle bewoners worden vermoord. Folkrad wordt als enige
overlevende gevangengenomen, gebrandmerkt en als galeislaaf op een schip
gezet dat aankoerst op Neapolis (Napels). Daar
wordt hij als slaaf gekocht door de rijke Lucius,
die in een villa net buiten Pompeji woont. Hij
wordt verliefd op de knappe slavin Chloë die, wat
hij aanvankelijk niet weet, regelmatig het bed moet delen met Marcus, de brute zoon des huizes.
Terwijl de Vesuvius al regelmatig voor aardschokken
zorgt, ziet Folkrad Chloë
in Marcus' slaapvertrek verdwijnen en dringt de
waarheid tot hem door. In blinde woede wurgt hij Marcus.
Chloë bezweert hem te
vluchten naar een havenplaats in de buurt van Neapolis
en daar per schip naar Germania te varen. Zelf wil
ze uit angst niet mee. Folkrad pakt Marcus' geldbuidel en een linnen zak met voedsel die Chloë hem aanreikt en vertrekt. Onder een van zwavelgeur
vergeven lucht en een alles verduisterende regen van hete steentjes en as
komt hij in de havenplaats aan. Zijn slavenring is hij kwijt, er zat een vijl
in de zak van Chloë. Germania
is dichterbij dan ooit. Intussen zijn Chloë en
duizenden van haar stadgenoten omgekomen. Daaraan twijfelt Folkrad, die de vuur, puin, as
en giftig gas spuwende berg vanuit de verte waarneemt ook geen moment. Drama genoeg dus in
dit boek. En het moet gezegd dat Van der Vlugts
vlekkeloze maar tevens wat vlakke stijl in dramatische scènes opeens
vleugeltjes krijgt, zodat je geboeid doorleest. De toenemende dreiging van de
Vesuvius en de fatale uitbarsting en wat daar op
volgt, zijn spannend beschreven. Daar staat als groot
minpunt tegenover dat een centraal conflict ontbreekt. In het begin wordt
weliswaar de nadruk gelegd op de ouderwetse sibbewetten
van de Cananefaten en de moderne cultuur van de
Romeinen, maar dit beklijft bij Folkrad niet tot
een innerlijke tweestrijd. Het levert dus ook niet de spanningsboog op die
dit boek de zo broodnodige diepgang en samenhang had kunnen geven. Folkrad wordt als vanzelf stukje bij beetje
geromaniseerd. Als slaaf van Lucius wil hij Latijn
leren lezen en schrijven. Na enige tijd laat hij zelfs zijn lange haar
kortknippen, als een Romein. Zijn heimwee vermindert en neemt een lepe wending: ,,Hij zou het Rijnland graag weerzien, maar
het zou prettig zijn als hij de geneugten van de Romeinse wereld mee kon
nemen''. Deze calculerende
houding van de ooit zo anti-Romeinse telg uit een trots stamhoofdengeslacht
culmineert aan het slot tot in het absurde. Eenmaal aangekomen in de
havenplaats, ternauwernood aan het vulkanische armageddon ontkomen en in het
besef dat Chloë vermoedelijk dood is, telt deze
geduchte rekenaar meteen zijn knopen en ziet al een goede toekomst voor zich
weggelegd in Noviomagus: ,,Iemand
die vlot Latijn spreekt en een beetje kan lezen en schrijven vindt in Noviomagus zijn weg wel''. Als Folkrad
zich niet als zo'n lijdzame naïeveling had doen
kennen, zou je zijn toekomstvisie als voorbarig en harteloos bestempeld
hebben. Nee, als camera slaat hij geen slecht figuur. Als hoofdpersoon daarentegen - het cliché is helaas maar al te zeer van
toepassing - is hij van bordkarton. En dat is niet het materiaal waarvan
goede verhalen worden gebakken. |
|