| 02/11/1999 |
| Tongkat : een verhalenbundel / Peter Verhelst. - Prometheus, 1999. - 341 p. |
| Doelgroep: | III | Begel: | neen | Editie: | 1ste dr. |
| Collectie: | **** | Bindwijze: | gel. | Soort: | fictie - proza |
| Themawoorden Verhalen |
| Bespreking
Een verhalenbordeel wordt dit werk genoemd en dat is echt geen drukfout op het voorplat, want Peter Verhelst neemt de lezer meer dan 340 bladzijden op sleeptouw langs vreemde straten, ongure steegjes, onderaardse gangen en doolhoven van een hoofdstad in verval. Na De kleurenvanger (1996) heeft Verhelst ook in dit boek iets met kleuren, want één kleur lijkt wel van de aardbodem verdwenen. Niet toevallig is dat rood, de kleur van de passie, het vuur, de liefde. Rood is ook de kleur van de oorlog en van de bordelen, klinkt het in het verhaal. Op een dag zal het meisje met het rode haar komen en het kleurenpalet opnieuw vervolledigen, belooft de koning. Hij zal met haar trouwen en alles komt dan wel goed, maar de kuif van het meisje is rood van het opspuitend bloed. U merkt het al, niet alle beloften worden waar. Op het eerste gezicht bestaat deze bundel uit verschillende verhalen, maar al spoedig blijkt dat het over slechts één verhaal gaat, dat vanuit verschillende standpunten wordt verteld. Er zijn gelijkenissen met het bijbelverhaal, maar in plaats van het scheppingsverhaal krijgen we hier het apocalyptisch teloorgaan van de wereld opgedist. In het eerste deel, 'Aardbeienmond', wordt de wereld geconfronteerd met een nieuwe ijstijd. De winter is zo ongenadig hard dat zelfs het vuur bevriest, de warmte verdwijnt. De verteller verliest zijn hele familie, maar komt op het paleis in dienst van de koning. Hij maakt mee hoe een zigeunerjongen in het paleis een demonstratie vuurspuwen geeft en daarvoor gedood wordt, hij maakt mee dat de koning het meisje met het rode haar vindt en met haar verdwijnt. De verdwijning van de koning betekent het begin van een revolutie, die in het paleis niet echt merkbaar is, daar de koning toch de afwezige aanwezige blijkt te zijn. Die hele koninklijke familie vertoont overigens een paar vreemde trekjes. Koning en koningin hebben een bijzonder religieus gevoel, de oude koning wordt ook wel de kloosterling genoemd en zijn echtgenote heeft ook al kloosterneigingen. Meer nog, op haast onverklaarbare wijze -- onbeslapen door de koning, ergo onbevlekt? -- wordt ze zwanger en baart ze een zoon, die bijzonder snel opgroeit en door zijn samengaan met het meisje met het rode haar, de verlossing belooft. Maar is die wonderbaarlijke bevruchting wel zo mysterieus of heeft de enige magiër die nog in de hoofdstad en in het paleis woont (en toevallig Juan heet) daar iets mee te maken? Juan wordt nog een poosje de enige met wie de oude koning converseert, maar verdwijnt tenslotte in de kerkers, waar hij letterlijk zijn boeken verslindt. De 'Vuurjongen' heet Prometheus. Hij blaast bloemen voor de mensen en wordt daarvoor vreselijk gestraft. Op een dag verdwijnt hij, wordt hij zomaar van straat geplukt door mannen die hem en zijn vrienden al een hele tijd schaduwen. Hij verdwijnt, wordt een martelaar. Net als de zigeunerjongen en de verteller uit het eerste verhaal is hij drager van de vijfpuntige ster op zijn schedel: het teken van het bondgenootschap. Ondergronds ontmoet hij zijn kompanen, die luisteren naar niet geheel onverdacht klinkende voornamen als Andreas, Horst, Ulrike en Carlos. Ze hebben grootse plannen, zij rekruteren binnen de paleismuren en sturen de nieuwe centauren naar boven om de revolutie te steunen. Die revolutie woedt al een poosje voor de poorten van het paleis, maar de hovelingen doen alsof er geen vuiltje aan de lucht is en alleen buiten stapelen de lijken zich op. Prometheus, centauren: de lezer waant zich even in een mythologisch verhaal opgenomen, maar de stad die ten onder gaat is modern. Daardoor heb je af en toe het gevoel dat je op anachronismen stuit, tot je beseft dat deze instortende stad misschien niet eens zo mythisch is. De centauren zijn niet langer half mens, half paard, hun onderlichaam wordt gevormd door een brullende motorfiets en aan het stuur bevindt zich een vlammende stierenkop, duivelser kan het haast niet. Daarnaast treden ook titanen op: Prometheus is er een. Zijn vader is de bloeddorstige Japetos, die zich schuldig maakte aan het uitmoorden van hele dorpen en baadde in het bloed van zijn slachtoffers. Hij is de moordenaar van Ulrike's ouders. Ulrike wordt de geliefde van Prometheus, maar ook van de koning. Diens kamerjongen bezwijkt voor de charmes van Gudrun. Verhelst aarzelt niet om mythes naar zijn hand te zetten, ze nieuw leven in te blazen: zijn Prometheus doodt de adelaar die om hem heen cirkelt, hij wil zelf vliegen. Als Icarus zal hij eindigen: in zijn val een volmaakte cirkel beschrijvend. Later zal zijn moeder zich aansluiten bij die andere dwaze moeders die met een afbeelding van hun vermiste zoon op het plein demonstreren. Zij is de muurvrouw en ze verkoopt verhalen. Mensen zoeken verhalen en dromen in het verhalenbordeel waar meisjes die lenig van tong zijn en daarom net als Ulrike Tongkat genoemd worden hun verhalen slijten. "Sommigen noemen mij een hoer, maar ik handel niet in seks, toch niet in de strikte zin van het woord. Ik handel in dromen, dat is niet altijd hetzelfde. Ik doe het wel tegen betaling, uiteraard, ik ben geen Zuster van Liefde". In de ijskoude winter is de passie verdwenen, de warmte verbannen en kan men zelf niet meer dromen. Daarom haalt men zijn dromen bij anderen, men koopt ze, men steelt ze. Droom en fantasie vervangen de lichamelijke liefde, men zoekt de illusie, men jaagt de onschuld na. Ook de koning, die verdwenen is uit het paleis, maar in ontelbare vermommingen door de straten van zijn hoofdstad zwerft, jaagt verhalen na en krijgt de ultieme kick in een tafereel dat wat op een snuff movie gelijkt. Omhulsels. Russische popjes waarin andere Russische popjes zitten, zoals verhalen waarin andere verhalen zitten. Lagen die je kan afpellen. Herhalingen, handelingen en gebaren die steeds weerkeren, maar anders geïnterpreteerd kunnen worden. Bij het begin stelde ik al dat er bijna een demonisch scheppingsverhaal wordt geconstrueerd. In elk verhaal worden duivels uit de mensen getrokken. Men rukt ze letterlijk uit de mond van de bezetenen. Sommige personages dragen een mantel van bloed of van slijk over hun huid en moeten letterlijk bevrijd worden uit dat harnas voor ze opnieuw zichzelf kunnen zijn. En toch heeft dit apocalyptisch verhaal een verrassend einde, want net als de verteller uit het eerste deel, die zich op een eiland heeft teruggetrokken en zijn woorden aan de vogels heeft meegegeven, heeft ook de verteller uit het laatste deel hoop. Hij is op weg naar zijn eiland en hoopt in de verhalen van de eerste zijn verlossing te vinden. De lezer die ook die kust bereikt, zal merken dat ook deze bijbel tot herlezen aanzet. [Luk de Geyter, 02.11.99] |
| Documentbeschrijving bekijken |
| Cop. Text Vlabin vzw |