Het Parool

Wezenloos Arnhem

Terug

Thomas Verbogt:
De verdwijning
Veen, f 29,90


De trein waarin de man zit gaat vanwege een stroomstoring niet verder dan het volgende station. Nu komt hij dus te laat voor een afspraak. Omdat de telefooncel defect is, biedt hij een mobiele beller een tientje om zijn apparaat te mogen gebruiken. De aangesprokene deinst terug. Dan belt hij bij een huis aan, misschien kan hij daar even bellen. 'Dat ze jou hebben gestuurd', zegt een man in een lege kamer, waar alleen een koffer staat, en overhandigt hem een revolver. De bedoeling is dat Vic, want zo heet hij, de man doodschiet, een criminele afrekening. Of hij het doet komen we niet te weten, een hoofdstukje verder stapt hij uit in een stad die gezien de beschrijving alleen maar Arnhem kan zijn. Vic is bij zijn vrouw weg en kan hier een jaar in het huis van een vriend wonen. Sorry dat hij te laat is. Maakt niet uit, zegt zijn vriend en Vic denkt: 'Nee, hier maakt niets iets uit.'
Met dat zinnetje is de leegte en de wezenloosheid uitgedrukt die Vic in deze stad buiten en vooral ook binnen zichzelf zal aantreffen. Buiten, dat is de provinciale cercle rond de beroemde schilder Tjeerd Vrakkink - schildert uitsluitend flessen - die ieder weekend open huis houdt. Ken je Tjeerd, dan ben je automatisch met iedereen bevriend. Vriendschap is hier geen ontwikkeling, maar 'een te accepteren gegeven'. Iedereen ziet elkaar bij Tjeerd, of in het Grand Café en natuurlijk bij de talloze recepties, waar voor de zoveelste keer 'het paardje' wordt overhandigd, een beeldje dat je krijgt vanwege je verdienste voor de stad, of op de 'aangeklede persconferentie' van Beer Teer, de directeur van het museum, of in een danstent ter gelegenheid van weer een festival, waar dan een pot staat om je geld in te stoppen, bijvoorbeeld voor Kosovo, de zogenaamde 'Kosovooi'. 'Er wordt uitsluitend gedanst door mensen in de leeftijd van veertig en hoger. De muziek is uit de late jaren vijftig, Johnny be good. Dat soort nummers. O Johnny be good. Het opvallendste aan de dansers zijn de bewegingen die ze met de handen maken. Tralala, gaan die handen, tralala, zie ons alsjeblieft, zo gaan die handen, tralala, we wuiven onze wanhoop weg. Johnny be good.' En Tjeerd kan bij de toiletten eindelijk eens die lekkere Rini tongen, en Sander, de reclameman, doet het met Judith Loeb. Judith Loeb (werkt al tien jaar aan een roman) is het ergste. 'Ze is een vrouw aan wie van alles rinkelt en ritselt en ruist. Er waren me al dingen aan haar oor opgevallen. Hangende bouwseltjes van paars hout, misschien wel zelf vervaardigd.' Ze intrigeert en roddelt nog meer dan de anderen, zwijgt mysterieus op vragen en omhelst te onpas de verkeerde mensen. En ze maakt Brits-Indische kerriesoep.
In deze provinciale wezenloze wanhoop gaat Vic helemaal op. De tijd verstrijkt er onmerkbaar, hun feestjes 'zijn de ideale manier om in de stilstand van de tijd te verdwijnen'. Vic beschrijft zichzelf als iemand die 'almaar vager wordt', die zichzelf niet meer kent, wiens smaak bijna verdwenen is, die geen gedachten meer heeft, niets meer onthoudt en zonder verleden is. De roman heet De verdwijning, en het zal duidelijk zijn dat de titel slaat op deze verdwijnende man. Oorzaken worden niet verstrekt en dat hoeft ook niet omdat Verbogt niet een geval beschrijft maar de menselijke conditie, waarvoor de provinciestad decor en metafoor vormt, zoals de schrijver dat in zijn vorige roman, De zomerval, deed met de wereld van de televisie.
Maar er is nog een andere verdwijning, die van Ilse, met wie Vic een verhouding krijgt, waarschijnlijk is het zelfs grote liefde, al lijkt Vic onder haar plotselinge verdwijning niet erg gebukt te gaan, zoals een politie-agente vaststelt. En hij verdedigt Ilse ook niet als de Vrakkink-kliek zich van haar begint te distantiëren: eigenlijk was ze een beetje vreemd, ze onttrok zich, ze deed niet gezellig mee, ja, ze keek duidelijk op iedereen neer. Thomas Verbogt moest Vic wel zo laten reageren en zijn vaagheid maakt het ook wel aannemelijk, maar als aan het einde van het boek blijkt dat hij precies weet waar Ilse is, en hij zich na een aantal maanden bij haar voegt, wringt er naar mijn smaak toch iets in het verhaal.
Maar hoe loopt het nu af met die man die denkt dat Vic zijn moordenaar is? Daarover wordt af en toe bericht, waarbij de man bijvoorbeeld vraagt of Vic heeft gehoord over die Turk die ze laatst letterlijk in mootjes hebben gehakt, alleen hoofd en romp waren nog over en dat hoofd schreeuwde nog, en uiteindelijk lezen we ook de oplossing, die ik hier niet kan vertellen, maar die op verrassende wijze met Ilse te maken heeft.
Of er tenslotte een oplossing is voor Vics levensgevoel, betwijfel ik - er is nu eenmaal geen recept tegen de menselijke conditie. Ook waar hij nu is, staat de tijd stil, ze verschanst zich 'in roerloosheid die ik nauwelijks ken, maar waarnaar ik altijd verlang, ook al weet ik dat het om een bespottelijke illusie gaat'. Ten overvloede drukt hij het glas van zijn horloge stuk. Het is de roerloosheid, de ontijdelijkheid, waarnaar de mens in zijn wanhoop om het nutteloze bestaan verlangt - zoveel maakt de roman wel duidelijk. Licht satirisch een milieu neerzetten, dat kan Thomas Verbogt heel goed en het is een mooie constructie dat de hoofdpersoon daar niet gemakzuchtig op afgeeft maar er juist in opgaat: de wezenloosheid van de werkelijkheid als placebo tegen de werkelijkheid.
De verdwijning is naar mijn smaak minder goed geschreven dan de vorige roman van nog maar een jaar geleden. Het is net of de wezenloosheid zich iets te veel in de stijl en het ritme heeft genesteld, het boek sleept hier en daar, en de vele puntige korte zinnen kunnen dat niet altijd verhelpen. Maar de afrekening met Arnhem is raak. Wie daar de schoen past trekke hem aan.


Robert Anker, 10-9-1999

Kondig uw eigen voorstelling aan
/BODY>

Hosted by www.Geocities.ws

1