Trouw, 23 oktober 2004
'Ik heb een rotfamilie. Niemand is echt!' - Originele jeugdroman
over adoptie
Peter
de Boer
Adoptie:
een heikel onderwerp. Sommige kinderen zweren bij hun adoptiefouders, die hen
jarenlang liefdevol verzorgd hebben, andere raken wanneer ze gewezen worden op
hun ware afkomst danig in de war. Want laten we wel wezen: vroeg afgebroken roots, en het latere besef dat je
adoptiefouders je echte ouders niet zijn maakt nogal wat los in een mens.
Dit gegeven is, zoals
zijn nieuwe boek 'Gloeiende voeten' bewijst, bij de immer
originele en subtiele Edward van de Vendel in goede
handen. Hij brak in 1998 door met zijn bewerking van Vondels 'Gysbrecht'. Inmiddels heeft hij
achttien boeken gepubliceerd, 'Gloeiende voeten' en het eveneens zojuist
verschenen prentenboek 'Anna Maria Sofia en de kleine Cor'
meegerekend. Het leverde hem 2x een Gouden Zoen, 2x een Zilveren Griffel en 1x
de Woutertje Pieterse Prijs op.
Een van de originele
ingevingen van 'Gloeiende voeten' is dat de hoofdpersoon, de tienjarige Claudio, géén adoptiefkind is. Zijn ouders zijn zijn echte ouders. Zijn moeder echter is indertijd als
Braziliaanse baby wél geadopteerd. Dat is voor mama zelf aanvankelijk geen
probleem. ,,Ik ben Nederlands, net als jij'', zegt ze
tegen Claudio. Dit verandert echter drastisch wanneer
ze een brief krijgt van een tot dan onbekende jongere zuster, Rosalia, uit New York, die
indertijd door Amerikaanse ouders is geadopteerd. Opeens heeft mama echte
familie, en ze vertrekt onmiddellijk naar New York.
Bij terugkomst is ze in de war en voelt ze zich verscheurd. Ze wil haar zus
niet meer loslaten en vertrekt opnieuw voor onbepaalde tijd naar Amerika.
Op Claudio
heeft dit een desastreuze uitwerking. Zo vorm je nog een homogene familie: hij
woont met papa en mama in bij mama's adoptiefouders, die zeer welgesteld zijn
en het jonge gezinnetje voor armoede weten te behoeden. En opeens wordt er aan
alle kanten aan de wortels van die homogeniteit geknaagd. Claudio
zelf begint ook te piekeren over wat echt is en wat niet: ,,Papa,
als opa en oma niet mama's echte vader en moeder zijn, dan heb ik toch
eigenlijk geen opa en geen oma. Niet echt, niet hier. Toch?'' Ook realiseert
hij zich nu dat Rosalia 'mijn echte tante' is. Dit
culmineert in het onjuiste, maar vanuit zijn verwarring te verklaren besef: ,,Ik heb een stomme rotfamilie, niemand is echt.'' Hij is
bang dat mama niet meer uit Amerika zal terugkeren.
Dit gegeven wordt door
de schrijver in verschillende richtingen uitgediept. Het boek begint pal voor
twaalf uur 's nachts, aan de vooravond van Claudio's
tiende verjaardag. Klokslag 12 uur verschijnen er twee 'manjongens' in zijn
kamer, die de gekste capriolen maken en ook de gekste dingen zeggen. De een
heet Duiv, de ander Jesse.
Dat ze geheel van Claudio's problemen op de hoogte
zijn blijkt wel als Jesse zegt: ,,Echt
of niet echt? Gaat het daar allemaal over?'' Het wonderlijke is dat ze allebei
roodgloeiende voeten hebben, alsof het vuur hen na aan de schenen wordt gelegd.
Voor volwassen lezers is direct duidelijk dat deze twee fantasiefiguren zijn
uit Claudio's brein. Maar voor Claudio
en de jonge lezers is dit niet onmiddellijk het geval. Ook hier speelt weer,
parallel aan het voorgaande, de kwestie: echt of niet echt.
Feit is dat Duiv en Jesse Claudio
het hele boek door begeleiden en aan zijn verwarring en angst (komt mama nog
wel terug?) een einde trachten te maken. Zo worden deze 'vuurvoeters'
zijn 'troostvrienden' en raadgevers. Op zijn verjaardag komt mama terug maar
maakt gelijk een heleboel stennis met oma en opa. Ze
wil met papa en Claudio naar New York
voor onbepaalde tijd. Bijna lijkt dat te gaan gebeuren, maar papa deinst terug:
er is niet eens geld voor drie tickets! En dus gaat mam weer alleen.
Duiv en Jesse
grijpen in: 'Het is tijd voor iets anders'. Ze raden Claudio,
die een zomercursus toneel volgt ter voorbereiding van de opvoering van Alladin, aan om thuis alleen nog maar de rol van Mohammed,
de zoon van de sultan te spelen, om zo de volwassenen in de war te brengen.
Omdat ze hun Claudio daarmee als het ware psychisch
kwijt zijn. Dit is al de derde manifestatie van 'echt' en 'onecht' die Van de
Vendel door zijn verhaal weeft! En dat Duiv en Jesse 'afsplitsingen' zijn van Claudio
wordt ook steeds duidelijker: ,,Wij denken wat jij
denkt.''
Hoe dit alles zich
oplost, en de voeten van Duiv en Jesse
steeds koeler worden, want hun taak zit er bijna op, kan ik onmogelijk allemaal
navertellen. Daarvoor is dit boek te compact en veelzijdig. Feit is dat op
Schiphol alle personages, opa, oma, mama en Rosalia
incluis, bijeenkomen. In de dagen die volgen worden veel pijnlijke dingen
uitgepraat maar smeedt de familie, inclusief Rosalia,
zich ook definitief aaneen! Voor Claudio is nu wel
duidelijk dat als zijn moeder weer eens naar New York
vertrekt, ze ook weer terug zal komen. En tante Rosalia
('zijn echte, echte tante') zal op haar beurt ook zeker af en toe naar
Nederland komen. Nog eenmaal verschijnen Jesse en Duiv ten tonele. Hun voeten zijn
helemaal wit; hun taak zit erop. Hoewel? De grappige uitsmijter aan het slot
houdt de zaken wat dit betreft toch nog open.
De grote kracht van dit boek is dat 'echt' en 'onecht' in meerdere facetten aan bod komen en het verhaal verdiepen en nuanceren. Spannend is dat het spel tussen fantasie en werkelijkheid zo vaardig wordt gespeeld. En mooi is dat het allemaal zo gevoelvol en toch zonder sentimentaliteit wordt gebracht. Een nieuwe Griffel waardig.