NRC Handelsblad, 10
september 2004
Verdriet van
chocolade
Edward van de Vendel: Gloeiende voeten. Querido,
133 blz. EUR12,50
Karel Berkhout
De begaafdheid van de schrijver Edward
van de Vendel is het meest zichtbaar in de gesprekken van zijn personages. De
dialogen bij keukentafels en trapveldjes zitten vol oorspronkelijke en beknopte
beeldspraak. In veelstemmige gesprekken schieten de zinnetjes heen en weer,
maar houdt elke jeugdige en volwassene een eigen stem.
In
Gloeiende voeten, het nieuwste boek van Van de
Vendel, voert de tienjarige Claudio opvallend veel
gesprekken. Hij praat honderduit met Jesse en Duiv,
die hij aan het begin van het boek in zijn slaapkamer ontdekt. Jesse en Duiv zijn iets tussen jongens en mannen in, dragen witte
jurken en hebben voeten die gloeien als `loeiheet ijzer'. Deze gejurkte `jongensmannen' - vermoedelijk de belichaming van
de puberteit met de onzekerheid over volwassenheid en sekse-identiteit - zijn
ontsproten aan het hoofd van Claudio. De gesprekken
met hen zijn de weerslag van Claudio's verwarring en
eenzaamheid.
De
van oorsprong Braziliaanse moeder van Claudio is ooit
geadopteerd door Nederlandse ouders, maar heeft onlangs haar biologische zuster
ontdekt in New York. Moeder reist sindsdien vaak naar
haar zuster Rosalia, maar heeft geen geld om haar
gezin ook mee te nemen. Claudio's vader, een
fotomodel met een wankele loopbaan, weet geen raad. De rijke adoptiefouders van
moeder, bij wie het gezin uit geldgebrek is ingetrokken, voelen zich vooral
gepikeerd door de hang van hun dochter naar haar `echte' familie. Claudio probeert wanhopig de wereld van Rosalia
te verbinden met zijn eigen familie, die hij uiteindelijk op het vliegtuig naar
New York wil zetten.
Van
de Vendel diept deze worsteling van een tweede generatie adoptiekind uit met de
thematische vraag: wat is echt en wat niet? Als zijn moeder een adoptiekind is,
zijn de opa en oma op wie Claudio dol is wel zijn
`echte' grootouders, vraagt Claudio aan zijn vader.
Jesse en Duiv mogen dan hersenschimmen zijn, Claudio ziet hen lange tijd als echte vrienden. En als zijn
moeder echt is, waarom is ze er dan niet?
In
zijn eerdere - voortreffelijke - jeugdboeken wist Van de Vendel geladen
onderwerpen volheid en vrolijkheid te geven door deze in te bedden in een
scherp geobserveerde buitenwereld. De dagen van de blue grassliefde
vertelt het prachtige verhaal van een tot mislukken gedoemde homoseksuele
liefde tegen de achtergrond van een Amerikaanse jeugdkamp en van een Noorse
voetbalclub. In Wat ik vergat worden de pogingen van een jongen om contact te
maken met zijn demente opa verweven met de voorzichtig opbloeiende vriendschap
van de jongen met een klasgenote en haar grote broer.
In
Gloeiende Voeten kleedt Van de Vendel het thema `echt-niet
echt' aan met een schooltoneelstuk en met het modellenbestaan van Claudio's vader. Claudio droomt
van de rol van Aladdin of van Mohammed, de zoon van
de sultan, maar wordt een van de veertig rovers. Het glanzende modellenbestaan
dat vader `wereldberoemd' moet maken blijkt in werkelijkheid te bestaan uit
oersaaie opnamesessies in een treurige studio.
Claudio's voorbereidingen op het toneelstuk leveren enkele aardige
momenten op. Thuis kleedt hij zich even als Mohammed en zegt: `Ik ben de sultanszoon hier in dit wonderlijke rijk' - een zin die ook
aangeeft hoe hij zich voelt in zijn grootouderlijk huis na het vertrek van zijn
moeder. Hij blijft in die rol als zijn moeder belt uit New York,
als wraak voor haar afwezigheid. Wat ontbreekt zijn observaties over het
toneelstuk op school, zoals ook de modellenwereld maar zeer zijdelings wordt
beschreven.