Van de Vendel had het bij poëzie moeten laten
Door Pjotr
van Lenteren
Edward van de
Vendel
Ons derde lichaam
uitgever: Querido
prijs:
13,95
300 pagina's
isbn: 90 451 0316 8
Edward van de Vendel: Chatbox
De
gedichten van Tycho Zeling Querido; 48 pagina’s; € 12,95
ISBN 90
451 0317 6
Leeftijd:
vanaf 15 jaar
De twee nieuwe boeken van Van
de Vendel zijn kenmerkend voor zijn grillige oeuvre. De gedichten zijn zeer
geslaagd, de roman had hij beter in de la kunnen laten.
Reality
will kill the duck. Reality will prik
de vijver lek! Maar zo lang je Kwik bent,
mag je alles. Kwak desnoods. Of, ja hoor:
Kwek.
Dus:
hou je mond dicht.
Open je bek.
Dit is het krachtige slotakkoord van het titelgedicht van de bruisende bundel Chatbox. Zogenaamd geschreven door de 19-jarige Tycho Zeling, die ook de
hoofdpersoon is van de tegelijkertijd verschenen jeugdroman Ons derde lichaam
van Edward van de Vendel. In de roman kunnen we lezen
hoe de beginnende schrijfstudent ’s nachts zijn poëziehuiswerk maakt. In Chatbox vinden we het resultaat.
De twee nieuwe boeken van Van de Vendel zijn
kenmerkend voor zijn grillige oeuvre. De gedichten zijn zeer geslaagd, de roman
had hij beter in de la kunnen laten. En dat is jammer, want vorige week bij de
uitreiking van de Gouden Zoen voor jongerenliteratuur bleek maar weer: zoveel
sterke adolescentenromans verschijnen er niet in een jaar.
In Ons derde lichaam pakt Van de Vendel de draad op van het jeugdboek waar hij
zelf zes jaar geleden een Gouden Zoen mee won: De dagen van de bluegrass-liefde (1999). Tycho
heeft zijn minnaar Oliver in Noorwegen achtergelaten
en zich ingeschreven op de Nationale Schrijfacademie in Rotterdam. Als oefening
moet hij een verslag maken van zijn eerste jaar op kamers. Dat komt onverwacht
volledig in het teken te staan van het Eurovisie Songfestival, waarvoor Tycho’s huisgenoot zangeres Vonda
is geselecteerd.
Het verhaal gaat gelukkig vooral over een vriendschap die onder de grote druk
van plotselinge beroemdheid dreigt te bezwijken. En over het homoleven dat de
timide Tycho met voorzichtige muizenstapjes verkent.
Hij flirt op www.gaydar.nl, gaat naar de
herendiscotheek en schrijft columns voor jongerenmagazine ZoHo.
Zelfs een songfestivaltekst met een tenenkrommend hoog
Acda-en-de-Munnik-gehalte ontbreekt niet.
Dat maakt Ons derde lichaam echter niet tot een geslaagde roman. Het verhaal is
veel te dun om driehonderd bladzijden te blijven boeien. Als na vele niet
verstuurde zwelgmailtjes aan Oliver
en eindeloze, onuitgesproken irritatie jegens Vonda het songfestival en het homonachtleven eindelijk op
stoom komen, blijft het nog steeds een truttige boel: er gebeuren vooral veel
dingen níet.
Dat zou vermakelijk kunnen zijn, als Van de Vendel het zelf allemaal niet zo
vreselijk serieus nam. Maar Ons derde lichaam is geen grap. En dat is vooral te
merken aan het andere euvel van dit boek: elke keer als het verhaal meeslepend
of spannend dreigt te worden, gooit Van de Vendel met een wanstaltig
aanstellerige metafoor zijn eigen ruiten in.
‘Er lag een blij hondje in je lach’, schrijft hij. Of: ‘Ik sleep het licht naar
me toe, ik trek het tot onder mijn letters.’ En als hij boos is: ‘Ik stamp met
staal in mijn woedende lijf naar mijn fiets.’ Je reinste leeskringproza!
Van de Vendel mist de genadeloze precisie van grote stilisten als Guus Kuijer en Wim Hofman, die emoties
kunnen oproepen zónder ze bij naam te noemen. Zijn krampachtige pogingen om
zijn geschrijf een artistieke draai te geven, voelen als scheve tegels in een
verder keurige stoep.
Maar het ergste is dat er niets indrukwekkends gebeurt. Waar in recente
jeugdromans, zoals Het midden van de wereld van Andreas
Steinhöfel, Het Grote Misschien van John Green of De tranen van de moordenaar van Anne-Laure Bondoux, de
hoofdpersonen tot hallucinerende nieuwe inzichten komen, verveelt Ons derde
lichaam de lezer met een teleurgestelde Tycho die het
niet kan verkroppen dat zijn songtekst het festival niet heeft gehaald. Het
schijnt er al die bladzijden vooral om te draaien dat je in het leven vooral
‘echt’ moet zijn.
Het wordt tijd dat deze dichter eens toegeeft dat hij een hekel heeft aan het
ordinaire literaire handwerk: vertellen. Zijn jonge alter ego Tycho Zeling is daar tenminste
wél eerlijk over, getuige deze veelzeggende regels uit het gedicht ‘De plot’:
Zo, wat wordt er veel viool gespeeld
de laatste tijd. Filmviool. […]
Ik wil dat iedereen iets
vindt en dan weer weglegt, meningen
te vondeling, gesprekken zonder prijs.
Een wijsje wil ik, dwarsfluitje, fagot.
Je moet het erin willen lezen, maar dit prachtige gedicht lijkt een
hartstochtelijk – en volkomen respectabel – pleidooi tegen proza
en voor poëzie. Zijn soms liederlijk juichende, soms bedachtzame, soms speels
erotische gedichten over het jongerenleven, geschreven in de snelle maar daarom
niet minder dubbelzinnige taal van internet en games,
zeggen in een kleine vijftig pagina’s alles wat Ons derde lichaam driehonderd
bladzijden lang niet onder woorden weet te brengen. Als Van de Vendel een groot kunstenaar was geweest, had hij het hierbij gelaten.