Schrijver Thijssen, Theo

Titel Kees de jongen

 

Jaar van uitgave 1923

Bron Algemeen Handelsblad

Publicatiedatum 01-01-1927

Recensent

Recensietitel Kees de jongen door Theo Thijssen

Er zijn boeken waarvan je heel omzichtig en met gepasten emst , de eerste bladzijden gaat lezen. Zoo zachtjes aan glij je weg en den snefteren gang van het proza; hier en daar blijf je wel eens dralen, wijl je als een opzettelijk aangebrachte hindernis, naar den dieper verborgen zin van de woorden moet gissen, om dan maar weer voort te lezen en het straks even verloren geraakte rhytme terug te vinden. Heel dikwijls gebeurt het echter datje met geen mogelijkheid den eersten behagelijken woorddans weer kunt hervatten, datje nog een tijdje jezelf opwindt om toch maar die geetelijke vreugde van het begin opnieuw te kunnen doorleven; maar het gelukt je niet meer de wiegelende strooniing in je te voelen deinen. Een en ander wü volstrekt niet zeggen dat zulk een boek geen gaaf kunstwerk kan zijn, je eigen onzalige stemnüng vergalt niet zelden het hooge genot dat het kunstwerk werkefijk in zich bevat, en je persoonlijke genietingsmacht brengt je in een toestand, die je imrnuun maakt voor de schoonheidsbetoovering door den kunstenaar in zijn werk neergelegd. Evenniin als de minderwaardigheid van een boek literatuur onder dergelijke omstandigheden op rekening van den schrijver mag worden geplaatst, zoomin mag de meerdere waardigheid van een proza-arbeid worden vastgesteld uit de pakkende manier waarop een auteur het lezen van zijn werk tot een ononderbroken feest weet te maken. Maar toch kan aan de laatste soort woordkunst nooit de deugdelijkheid worden ontnomen van te zijn geschapen door een sprankelend, in- en door- zichzelf gistend temperament. Men versta mij wel, ik bedoel luier niet het zoogenaamde boeiende, radde avonturengepraat van den "gezeftigen " hterairen commisvoyageur, noch de vooze pathosoverstelping van den met ratelende fc-klanken rollenden, razenden redenaar. Wat ik bedoel kan precies worden gevonden in het Knapen-epos van Theo Thijssen. Och wel neen! ... het is geen "groov' werk, het is geen kunst van in edel metaal geciseleerde volzinnen met flonkerende gedachten geornwnenteerd. Maar wat ik wel weet is, dat onmiddellijk bij de eerste woorden van de eerste pagina, "onweerstaanbaar' wordt meegeveord door de vaart, door den hijgenden draf, dien deze kleine Kees Brakel in zijn jonge leventje weet te brengen. Veel meer dan Van Looy's "Jaap" is deze Kees een afstammeling van Woutertje Pieterse, maar hij heeft zich goddank weten te ontdoen van al het drukkende doode gewicht dat Multatuli zijn geesteskind heeft geven te dragen.

Kees is net als wouten, heel dikwijls een droomertje, een mijmerend zieltje dat juist begint te rijpen, Maar dat van iijp of onrijp helemaal geeen verstand heeft. doch wat Wouter door zijn schepper van diens fantasie krijgt te verorberen, bestaat bij onzen Kees ten eenemnale niet. Kees fantaseert zelf, hij fantaseert zelfs meer dan Wouter, maar wát hij fantaseert is niet anders dan al wat in zijn dagelijks gedoe zeer wel mogelijk kan zijn. hij leeft onbewust in den geest van den wensch, die de vader der gedachte wordt. En zonder geweldig paedagogische ontledingsgewichtigheden, zien we in Kees de egocentrische strubbelingen van het langzaam tot bewustheid komend kinderleven duidelijk en vanzelf zich ontwikkelen. Kees is volstrekt geen boosaardig, ook niet bepaald een vlekkeloos

1

goedaardig kind. Zijn inborst is goed, maar hij weet ook opperbest een 'kwajongen' te zijn met zijn nukjes en trucjes. Zelfs in zijn dikwijls braaf willen zijn schuilt een egocentrische hoovaardij, de hoovaardij van elk normaal kind. heel onnozel, zit hij met de onbeholpenheid van ieder kind te teekenen. Zonder dat zijn gekrabbel op iets uitnemends wijst, zal hij toch de verfdoos van een voorbijtrekkend schilder gaan dragen in de stille verwachting, dat de artist iets bizonders in zijn onbeholpen gekriebel zal bemerken en hem leerzame wenken geven. Een zwerverbond die toevallig achter hem aanloopt zal hem toch wel op staanden voet trouw blijven. IEj ziet zich al met het dier als redder van verongefijkte wezens en is hevig bewogen wanneer hij merkt, dat de "trouwe" redder er doodgewoon weer van door gaat , zonder zich om zijn "baas " te bekommeren. De blouse uit een vergoorden mantel van Opoe zal zeker iets bizonders zijn en misschien zijn kameraden aansporen tot het dragen van eenzelfde prachtstuk. Zoo mijmert hij onophoudelijk door, maar zijn fantasie beperkt zich onveranderlijk tot een geïdealiseerde, toch binnen zijn bereik liggende realiteit. Hij is een wakende droomer, dadelijk verzonken in fantasmagorische knusheden die eigenlijk door het onbewust heldhaftige van zijn verlangens als onmiddellijk aansluitend bij zijn momentelijke ervaringen, tot aanstaande mogelijkheden door hem worden doorleefd. Er is niets dat door Kees' gemijmer u niet belangrijk meer schijnt, niet omdat daar zoveel belangrijks in valt te bespeuren maar omdat die jongen toch zulk een écht, uit het menschelijkst materiaal gebouwd schepsel is. Hijk is niet direct een "type" te noemen, hij heeft eigenlijk niets speciaal typisch, want hj vertelt u de dingen van uzelf, van uw buuijongen en van alle door u gekende knapen. Efij zou misschien wel aanspraak mogen maken op een plaats als prototype. En wat ik ten slotte als den sterksten kant van het boek meen te mogen bepalen is dat dit verhaal van een kinderleven met evenveel aandachtsgenietingen, zij het dan ook van verschillenden aard - door den volwassen en den wordenden mensch kan worden gelezen. Zj zullen er beiden den krachtigen polsslag van een pittig medemensch in kunnen voelen kloppen.

 

Hosted by www.Geocities.ws

1