NRC Handelsblad, 7
februari 2004
Jongetjes waren
we...
Theo Thijssen: Kees de jongen (uitg. Athenaeum-Polak & Van Gennep).
Pieter Steinz
Morgen
begint in Rotterdam het Poetry International
Kinderfestival. Pieter Steinz
wijdt deel zes van een serie over thema's in de wereldliteratuur aan jongetjes in het algemeen en Theo Thijssens
`Kees de jongen' in het bijzonder.
Twee
beroemde schoenmakerszoontjes kent de Nederlandse fictie, het ene uit
Rotterdam, het andere uit Amsterdam. Pietje Bell, de titelheld van de
kinderboekenserie van Chr. van Abkoude, verbergt zijn
hart van goud achter apenstreken en kattenkwaad, en is daarmee de Hollandse pendant van Huck Finn, Petit Nicolas
en Oskarchen met de blikken trommel. Kees Bakels daarentegen, de hoofdpersoon
uit de bekendste roman van Theo Thijssen, is de
braafheid zelve. Dat Kees de jongen tot de meest besproken boeken uit de
Nederlandse literatuur behoort, is dan ook bijzonder. En al helemaal dat het
sinds de verschijning in 1923 een cultstatus heeft gekregen. Talloos zijn de
oudere jongeren die dwepen met de details van dit autobiografische boek over
een arme jeugd in de Jordaan. Spreek over de grote
Pers en zij weten dat het een postzegel is. Noem de naam Rosa
Overbeek en ze krijgen net zo'n
glazige blik in de ogen als hun held. Zeg `de zwembadpas' en zij zullen
declameren: `Moest je voorover gaan lopen, net of je telkens viel, en dan maar
met je armen zwaaien, heen en weer.'
Cultromans zijn doorgaans boeken waarin wordt
aangeschopt tegen de burgermaatschappij, en waarin seks en geestverruimende
middelen welig tieren. Niets van dat alles in Kees de jongen. Drie zoenen van Rosa, daar blijft het bij, en verder koffie en thee - al
heeft dat vooral te maken met het feit dat moeder Bakels,
en uiteindelijk ook Kees, werkt voor de koffie- en
theehandel Stark & Co. Er gebeurt weinig
spectaculairs in de roman: ja, vader Bakels sterft
aan de tering (zoals de geliefde meester Ster in Pietje Bell),
en Kees gaat van school af om als loopjongen geld voor zijn moeder te
verdienen. Verder zijn het juist de kleine gebeurtenissen die
Kees de jongen tot een onvergetelijk boek maken: het dagelijkse gevecht tegen
de bittere armoede in de laat-negentiende-eeuwse
volkswijken; de manier waarop Kees zich groothoudt te midden van de andere
jongens op het schoolplein; zijn schijnbaar hopeloze liefde voor de bevallige Rosa.
Kees is
geen `bijzonder kind', zoals Dik Trom, of een `reuzentiep',
zoals Pietje Bell. Maar anders dan zijn twee
voorlopers leren we hem van binnenuit kennen. Een held is hij in het diepst van
zijn gedachten, en zijn dagdromen en grootheidsfantasieën zijn aandoenlijk. Hij
helpt een karrendief arresteren, redt mensen wanneer de Westertoren
door de wind afknapt, wordt een groot schaker en een
beroemd sterrenkundige. Hij is onze eigen Walter Mitty, de sullige Amerikaanse middenklasser aan wiens `geheime leven' James Thurber een verhaal wijdde. Zij het dat Kees eigenlijk niet
wil ontsnappen aan het burgermansleven; huisje boompje beestje is zijn grootste
ideaal, wat niet zo raar is voor iemand die rondloopt in afleggertjes en geen
geld heeft voor een goed vlakgom.
Kees de jongen is
geen kinderboek, hoewel de als onderwijzer opgeleide Theo Thijssen
(1879-1943) wel een warm pleitbezorger was voor de betere
jeugdliteratuur (en in 1909 het goede voorbeeld gaf met Jongensdagen). Sterker
nog: de roman bezet juist een sleutelpositie in de Nederlandse
volwassenenliteratuur, die door (aandoenlijke en etterige) jochies
gedomineerd lijkt te worden. De peetvader van het jongetjesboek is Multatuli, die in zijn zeven delen Ideën
het verhaal van de dromerige Jordanees Woutertje Pieterse
verstopte. Thijssen is misschien ook beïnvloed door Lodewijk van Deyssel (De kleine
republiek, 1888) en Jacobus van Looy
(Jaapje, 1917). Zeker is dat er van Kees de jongen
een rechte lijn loopt naar Nathan Sid
(1983) van Adriaan van Dis en het oeuvre van Boudewijn Büch. En natuurlijk
naar Remco Camperts Het leven is vurrukkulluk
(1961), waarin een oud geworden Kees een gelukkig weerzien gegund wordt met
zijn geliefde Rosa. Reacties: steinz@nrc.nl