NRC Handelsblad, 3
november 2000
`Ik stond in mijn
bestaan zoals Kees de jongen'
Theo Thijssen:
Kees de jongen. Salamander Klassiek Querido, 456 blz.
fl.19,90
Martijn Meijer
Zanger
en schrijver Rick de Leeuw droomde vroeger op zijn kostschool van een voetballoopbaan. Hij voelde zich net Kees
de jongen. `Kees de jongen van Theo Thijssen is al
jaren mijn lievelingsboek', schrijft Rick de Leeuw in
zijn eerste roman De laatste held. `Waarschijnlijk zet ik het niet eens op mijn
lijst. Nog tijd genoeg om een mooie lijst bij elkaar te lezen. Kees de jongen
lees je omdat het zo'n mooi boek is, niet omdat het
moet.' Het zijn de gedachten van Richard Koning, een
jongen die als twaalfjarige op een jongenskostschool
belandt en ervan droomt om in het eerste van Ajax te
spelen.
Rick de Leeuw (1960) is zanger en
tekstschrijver van de band Tröckener Kecks, die begin dit jaar zijn twaalfde cd <tk uitbracht. De Leeuw leest op het Crossing
Border festival, vandaag en morgen in Amsterdam, voor uit zijn boek. Net als
romanpersonage Richard Koning zat De Leeuw op een
katholieke jongenskostschool, waar hij op zijn
dertiende voor het eerst Kees de jongen (1923) las, van de Amsterdamse
onderwijzer Theo Thijssen (1879-1943). ,,Ik las heel
veel, en bijna zonder onderscheid, want lezen was vooral een manier van niet op
kostschool zijn. Kees de jongen heb ik vaak herlezen.
Zoals Kees in zijn bestaan stond, zo stond ik in het mijne.
Kees leeft heel erg in een fantasiewereld. Ook ik had maar weinig nodig om in
de fantasie te vluchten.
,,Terwijl
ik op kostschool zat, keerde ik in mijn fantasie daar
al terug. Dat kwam door Nummer 14, Johan Cruijff, een film die ik zag toen ik daar net zat. Het is
een documentaire over Johan Cruijff
die terugkeert naar Betondorp, waar hij was opgegroeid, als een gevierd midvoor van Ajax. En ik
deed dat ook. Als ik de eetzaal binnenliep, dan haalde ik zeg maar de
cameraploeg erbij. Ik nam een hap en dan zei ik in mezelf: het smaakt nog
precies als vroeger. Dan was het helemaal geen vies eten meer, het was
onderdeel van een documentaire over een jongen geworden die een dagje terugkwam
op zijn oude school.
,,Dat
soort fantasieën
heeft Kees ook. Het is maar een gewone jongen die daar loopt, maar als je beter
kijkt dan zie je dat het helemaal geen gewone jongen is. Het is Kees. Dat is de
toon van Theo Thijssen, die zorgt dat we doorhebben
dat Kees wel een bijzondere jongen is. En het boek is met zo'n
mooi meededogen geschreven dat Kees ook een heel
bijzondere jongen wordt. Alles wat hij meemaakt is de voorbode van een groots
leven. In dat perspectief was ik wel geneigd mijn leven op kostschool
ook te zien. Ze zien het nog niet, dacht ik, maar wacht maar, eens komt mijn
tijd.'
Het
indrukwekkendst in Kees de jongen is voor De Leeuw de scène waarin Kees zijn pas overleden vader meent te zien lopen
in het schemerdonker. ,,Ik was net elf toen mijn
moeder overleed, in 1971. Anderhalf jaar later ging ik op kostschool.
Daartussenin woonde ik nog een tijdje bij mijn vader en een soort stiefmoeder.
Dat was een heel nare periode. Op een dag kwam mijn vader aangereden langs het
parkje waar ik altijd voetbalde. Ik stond met de bal onder mijn arm en zag mijn
moeder naast mijn vader in de auto zitten. Ik rende het kruispunt over, en daar
zat die stiefmoeder, in de jas van mijn moeder. De seconde dat je daar achter
komt zeg je tegen jezelf: hoe kan je dat nou denken. Dat mag je niet denken.
,,Precies hetzelfde staat in Kees de jongen. Als hij
zijn vader tegenkomt op de gracht, na diens dood, denkt hij voor een moment dat
het zijn vader is. Dat vond ik zo ontroerend. Ik weet zeker dat Thijssen dat zelf moet hebben meegemaakt, anders verzin je
dat niet. Thijssen schrijft: `En plotseling, hij
begreep het niet, maar het was zo, plotseling voelde Kees een blije verrassing:
hij kende die figuur en een duizel van geluk sloeg door hem heen... Even maar;
toen passeerde hem een doodgewone vreemde man. Ach, dit zou hij nooit aan
iemand durven vertellen [...].''
De
Leeuw: ,,Als je een grote jongen wordt, dan heb je helemaal geen plek voor dat soort emoties. Die wil je helemaal niet toestaan. Dat
zit in die scene begraven. Het is een van de eerste
keren dat de werkelijkheid groter is dan je fantasie. Normaal gesproken kon je
mee in je fantasie. Dan niet meer. Nee, niet fantaseren, geen tijd meer voor.
Je bent nu een grote kerel. Als er zoiets gebeurt dan verandert er meer dan je
omgeving. Je verandert zelf ook, je weet alleen niet goed hoe. Je moet
beslissingen nemen. Ik weet nog dat ik dacht: ik mag nu niet
meer het vetrandje van mijn ham halen. Dat doen kinderen. Grote jongens
doen dat niet.'
Op
Dichterbij dan ooit (1997) van de Tröckener Kecks staat het lied `Verloren zoon', geschreven vanuit het
perspectief van Kees zijn vader: `Was ik die gestalte/ die schim op de muur/ en
kwam daar uit de mist/ mij iemand tegemoet/ een kleine jongen/ te klein voor
dit uur/ en wilde passeren/ gehaast en zonder groet/ was jij hier bij mij/ in
de wereld waar ik woon/ dan kwam alles weer goed/ dan was je mijn verloren
zoon.' ,,Als je het boek voor het eerst leest ben je
Kees zelf', zegt De Leeuw. ,,Op het moment dat je zelf
vader van twee zoons bent, dan denk je: Kees moet beschermd worden. Dan lees je
het heel anders. Dat boek kan dus een leven lang mee.'
,,Er is heel lang een discussie geweest of Kees de
jongen wel echte literatuur was. Ik zou alle literatuur met liefde inwisselen
voor dit boek. Dit is zoveel belangrijker. Van de week kreeg ik een brief van
een jongen, die wilde het op zijn literatuurlijst zetten en dat mocht niet van
de leraar. Dat vind ik mooi. Dan zit ik toch in de hoek van Theo Thijssen. Nee, ik heb helemaal niet de pretentie of
behoefte om literatuur te schrijven, maar je loopt altijd het risico dat je het
wel doet.'
Pas
drie jaar geleden kreeg De Leeuw het idee om een boek te schrijven. ,,Toen ik met de band begon, had ik zelfs geen enkele
ambitie om teksten te schrijven. Op een gegeven moment ben ik dat gaan doen, en
ik begon het steeds leuker te vinden. Een paar jaar geleden stapte de drummer
Leo Kenter, die veel van de teksten schreef, uit de band om een boek te
schrijven. Dat komt begin volgend jaar uit en gaat over een band, genaamd De
Kameleons: zijn boek begint waar mijn boek ophoudt. Toen Leo weg was ben ik
veel gaan schrijven om mezelf te trainen, en daar is dit boek uit voortgekomen.
Er komt zeker nog een boek, ik zou graag Richard
Koning als vijftigjarige, tweederangs schnabbelartiest portretteren. Ik zou dat
voornamelijk op mijn eigen angsten baseren. Dat schrijft toch het fijnste.'