|
Trouw, 4 december 1996 |
|
|
|
|
|
Het debuut van het jaar |
|
|
|
|
|
LIEKE VAN DUIN |
|
|
|
|
|
Karlijn Stoffels: 'Mosje en Reizele', Querido, 158 p, fl. 29,90, vanaf 12 jaar. De jeugdroman komt
niet uit de lucht vallen. Karlijn Stoffels studeerde Nederlands en Frans,
schreef al voor radio, televisie en theater, en de thematiek van oorlog,
racisme en anders zijn komt ook in haar hoorspelen voor. 'Mosje en Reizele' is in drieën geschreven. Deel 1 en 3 vormen de
lijst waarin deel 2 het schilderij is. De lijst is het
heden: Tel Aviv, 1995; de gepensioneerde
meubelmaker Mosje Schuster wordt gevraagd om voor
de radio te vertellen over zijn ervaringen van 55 jaar geleden in het
weeshuis van dr. Korczak. ``Het is toch
eigenlijk uw plicht. . .'' probeert de journalist. Mosje weigert, wil met
rust gelaten worden. ``Ik heb schijt aan uw plicht. Het is een halve eeuw
geleden, ik ben alles vergeten.'' Door de vraag, maar
meer nog door een liedje op de radio van de Pools-joodse
musicus Mordechai Gebirtig
over 'het huis van mijn liefste' komen de herinneringen met geweld terug.
Mosje is net te laat met het afzetten van de radio. ``In mijn hoofd, dat
nu bijna uit elkaar barstte, buitelden de
herinneringen over elkaar heen in hun haast om naar buiten te komen. Ik wankelde
naar de tafel, gooide het bier om en liet me op de stoel vallen. Het huis van
mijn liefste. . . Ik zag het in de verte. Niet op een afstand van duizenden
kilometers en meer dan vijftig jaar terug in de tijd, maar een paar honderd
meter van me vandaan. Ik kon het hek al zien, en het dak dat hoog uittorende
boven de reusachtige kastanjeboom. Ik liep er langzaam en aarzelend naar toe,
naar haar huis, het Huis van de Kinderen, dokter Korczaks
weeshuis in de Krochmalnastraat.'' Dan volgt het
hoofdverhaal, het schilderij over Mosje's
ontluikende liefde voor Reizele, in het weeshuis.
Door hemzelf in de ik-vorm
geschilderd. Stilistisch detail: de lijst, het kader, dat in het heden
speelt, is in de verleden tijd geschreven, maar het
hoofdverhaal, dat in het verleden speelt, juist in de tegenwoordige tijd. Een adembenemend
verhaal is het, vaak keihard, vol galgenhumor,
joodse moppen en wantrouwen naar volwassenen. De sfeer in het weeshuis is
hard, maar dr. Korczak is op pedagogisch gebied een
kunstenaar, die van de meest doorgewinterde straatjongen een meevoelend mens
weet te maken. (Zijn 'Hoe hou je van een kind' uit
1920 wordt in het boek genoemd.) Dwarse puber Mosje ontpopt zich als
dwarse puber die gewoon Pool wil zijn en zich ergert aan jiddisj
sprekende orthodoxe joden in 'rare zwarte jurken': ``Eeuwen en eeuwen wonen
ze al hier en geen woord Pools komt uit hun stomme bek! Geen Pools boek
hebben ze gelezen, geen Poolse worst gegeten, geen Poolse kleren gedragen.
Geen wonder dat ze hier denken: rot maar op!'' Alsof je extreem-rechts anno nu hoort, uitgesproken door een joods
kind. . . Maar zo hard, cynisch en wantrouwend hij soms kan zijn als het om
overleven gaat, zo zacht en onzeker is hij naar Reizele
toe. Als het weeshuis wordt
overgeplaatst naar een veel te klein, oud gebouw in het getto, begrijpt Mosje
wat hen te wachten staat. Hij neemt afscheid van Reizele,
vlucht en wordt koerier in het verzet tegen de nazi's. Een riskante
onderneming: hij heeft wel een vals identiteitsbewijs, maar niemand mag ontdekken
dat hij besneden is. Reizele beseft evengoed dat
hun doodvonnis is getekend, maar ziet het als haar bestemming om bij de
kinderen in het weeshuis te blijven. Zelfs zwaar ondervoed in het getto
speelt ze nog piano, want bij dr. Korczak was
muziek net zo belangrijk als eten. Mosje's zwerftochten zijn
intussen bloedspannend. Hij gaat op zoek naar Mordechai
Gebirtig, de maker van een liefdesliedje over Reizele (vandaar de schok, 55 jaar later), moet op een
boerderij varkensvlees (onrein) eten en komt bij de Partizanen terecht. Hij
weet Reizele het liedje nog te brengen; als ze
elkaar eindelijk hun liefde bekennen, stopt het verhaal. Dit alles is
plastisch, indringend en met vaart beschreven, in een ritme waarin ontroering
en afschuw elkaar afwisselen en versterken. Na dit hoofdverhaal
brengt deel drie de lezer terug naar Tel Aviv,
1995: Mosje besluit na deze herinneringen om toch naar de studio te gaan.
Daar wacht hem een verrassing. Karlijn Stoffels: een
Nederlandse Uri Orlev,
maar dan lyrischer? Uri Orlev
is de Israëlische jeugdboekenauteur die veel schreef over het getto van
Warschau en dit jaar de Hans Christian Andersenprijs kreeg. Ze móet wel joods zijn, denk je: zo
precies zijn joodse feesten, gebruiken, woorden, grappen en gevoelens
beschreven. Als ik het haar vraag, blijkt dat nauwelijks zo te zijn: ``Voor
een achtste misschien, iedere Amsterdammer heeft in de verte wel iets joods.
Maar ik heb me van jongs af aan wel altijd geïnteresseerd voor alles wat
joods is.'' Ze heeft in Polen nauwgezet historisch onderzoek gedaan naar
zowel het weeshuis van Korczak als het getto. Veel
in haar roman is dan ook historisch - tot in detail zelfs -, al is Mosje
opgebouwd uit verschillende kinderen die het weeshuis overleefden. Hoe dan
ook: 'Mosje en Reizele' is een roman geworden
waaraan alles puntgaaf is: inhoud, verhaal- en
spanningsopbouw en schrijfstijl. Absoluut het debuut van het jaar. Overigens was dr. Janusz Korczak (pseudoniem voor
Henryk Goldszmit,
1878-1942) zelf ook kinderboekenschrijver. Zijn 'Koning Matthijsje
de Eerste' verscheen bij Van Goor. Er is een kinderboekenprijs naar hem
genoemd: de Janusz Korczakprijs,
die overmorgen in Warschau uitgereikt wordt. Dit jaar is
'Het verboden kind' van de Nederlandse schrijfster Trude
de Jong genomineerd: het aangrijpende verhaal, spelend in de jaren vijftig in
Den Haag, van een meisje dat een Duitser als vader heeft, en dus niet mag
bestaan. De uitgebreide
pedagogische werken van dr. Korczak worden uitgegeven door uitgeverij Bijleveld
in Utrecht. Daar verschijnt volgend voorjaar ook zijn autobiografische 'Getto-dagboek', dat hij in de laatste maanden voor de
deportatie naar Treblinka schreef. |
|