NRC Handelsblad, 12 december 2003
Ontsnappen via de wastafel
Karlijn Stoffels: Een-Nul voor de autisten. Querido,
119 blz. EUR11,50. Vanaf 12 jaar
Judith Eiselin
|
De meisjes en de jongen uit groep 1
van Strandlust dragen knuffelige
kleren in pasteltinten. In hun midden zit een heks in het zwart. Loes heet ze. Haar moeder zegt altijd dat ze eruit ziet
`als iets wat de kat heeft opgegraven.' Ze is, met een buik vol alcohol en
slaappillen, uit zee gevist door een hond. Sindsdien verblijft ze in Strandlust, een psychiatrische inrichting waar Een-Nul voor de autisten, het nieuwe boek van Karlijn
Stoffels, zich afspeelt. |
|
|
|
Karlijn Stoffels
ontpopte zich na haar krachtige, veelbekroonde en tot in Japan vertaalde
debuut Mosje en Reizele (1996), gelocaliseerd
in het Polen van 1939, tot een van de weinige werkelijk geëngageerde
schrijvers in Nederland. Sindsdien plaatst ze haar boeken in het heden - met als
thema jongeren van diverse komaf die het in
Nederland niet al te best getroffen hebben. Ze schreef bijvoorbeeld over wat
zich zoal afspeelt in de garageboxen in de Bijlmer en over het harde leven
langs de randen van de Amsterdamse Sloterplas. De titel van haar
nieuwste boek Een-Nul voor de autisten klinkt als
een kreet, als de titel van een pamflet. Weg met de psychiaters, hup met de
patiënten, zoiets. Maar Stoffels is er de auteur niet naar om zo'n eendimensionale boodschap uit te dragen. Stoffels schrijft vanuit Loes, in de
tegenwoordige tijd. `Vandaag ben ik jarig', luidt de eerste zin van het boek
en vanuit dat ogenschijnlijk vrij fletse begin komt er meteen vaart in het
verhaal. Het zoemt in het hoofd van Loes. Een hoge zoem die alleen stopt door met haar voorhoofd ergens
tegenaan te bonken. Razend knap is het hoe Stoffels van Loes
een psychiatrische patiënt maakt, die dringend hulp
nodig heeft, terwijl ze haar tegelijkertijd een heldere stem geeft. Loes is slim, stoer en laconiek opstandig, maar ook een
wrak. Loes' humor geeft lucht aan het
verhaal, zonder dat de beklemming wijkt. Ze ziet dingen die er niet zijn en
registreert wat er wél is, en blijft daarbij nog geloofwaardig ook. Soms
twijfelt ze: `Vandaag heeft Ben dienst. [...] Ben heeft een huidziekte. Hij
draagt altijd van die rode plastic handschoenen als hij afwast. Hij heeft ook
rode vlekken in zijn gezicht, geloof ik. Maar dat kan ook aan mijn ogen
liggen. En misschien bestaat Ben ook helemaal niet en staat er een klein
groen mannetje in de keuken.' Op zulke momenten bekruipt de twijfel ook de
lezer. Klopt het wat Loes over haar verleden
loslaat? Is ze misbruikt door de vriend van haar moeder? Stoffels doseert feilloos. Het wankelen blijft wankelen en helt
nooit over. Een-Nul voor de autisten is een helder
boek over verwarring. De helderheid spreekt uit de beelden die Stoffels
kiest. Vruchteloos probeert Loes uit `de separeer' te ontsnappen via het putje in de wastafel.
De pillen die ze haar daarop geven maken haar hoofd `zo wollig als een
gebreide bal voor baby's.' Ze kan er alleen nog `zachte ploefjes'
mee geven. Behalve Loes krijgen ook veel andere
verdwaalde jongeren een gezicht en een geschiedenis. Dankzij het opnemen van
veel dialogen tijdens de groepstherapiëen en door
de rollenspellen die Loes bijwoont, wordt hun
achtergrond duidelijk. Pijnlijk zijn de ouderbezoeken, levensecht de samenzweringstheoriëen die de patiënten onderling
koesteren jegens de staf. Het is die strijd van
onderwerping en opstandigheid die het boek zijn titel gaf. Geregeld roept een
van de patiënten uit: `Een-nul voor de autisten!'
Op die momenten wordt de voor het overige zo consequent en vernuftig
onnadrukkelijke stijl hinderlijk doorbroken. De wereld is klein,
binnen de muren van de inrichting en er is dan ook veel ruimte gemaakt voor
huishoudelijke notities. Wat wordt er gegeten en wie wast er af, wie heeft er
recht op de wasmachine en hoe verhoudt dat alles zich tot de te realiseren
`persoonlijke doelen.' Voor Loes en haar
medebewoners is het van levensbelang. Voor de lezer van Een-Nul
voor de autisten al gauw ook. Gaandeweg wordt Loes
wat beter, zonder dat het er letterlijk staat. Het is alsof je het ziet
gebeuren, door Loes' woorden heen. Ze krijgt oog
voor de problemen van anderen en ontdekt dat er voor haar in hun levens een
rol kan zijn weggelegd. En ze merkt ook meteen hoe griezelig het is die macht
onder ogen te zien. Pijnlijk en waar en onafwendbaar is dat, zoals alles in
dit boek. Het valt inderdaad niet mee, normaal te functioneren. Aan het eind
verlaat Loes Strandlust,
met een bang hart. Liefst zou je haar bij de hand willen nemen. |