Wild vlees
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Auteur |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Trouw, 13 maart 1998 |
|
|
|
|
|
Alsof in je binnenste
twee reusachtige handen je ribbenkast uiteenrijten |
|
|
|
|
|
T. VAN DEEL |
|
|
|
|
|
``Laat ik maar meteen bekennen dat ik niet helemaal goed
geboren ben.'' Zo begint de hoofdpersoon van 'Wild vlees', de eerste roman
van de dichter Marc Reugebrink,
zijn verhaal. Hij bedoelt er niet mee te zeggen dat zijn geboorte met
complicaties gepaard is gegaan, maar dat hij al vanaf zijn ontstaan, vanaf de
eerste celdeling, niet helemaal goed was. Van nature, om zo te zeggen. Niet lang na zijn geboorte moet een van zijn nieren met spoed
verwijderd worden, wat hem een slordig litteken oplevert. Bovendien
is hij lange tijd de beheersing van zijn urinelozing niet meester en moet hij
met regelmaat voor controle en behandeling naar het ziekenhuis. Deze
lichamelijke uitzonderingspositie, met het wild
vlees als teken, beschouwt hij als een opdracht: hij moet zijn leven in
dienst stellen van de bestrijding van het kwaad, in hemzelf en in de anderen.
Hij gelooft dat het kwaad zich in lichamelijke zin uitdrukt in
de vorm van afwijkingen, misvormingen, ziektes. De
medische onderzoeken en ingrepen die hij in verband met zijn nierziekte moet
ondergaan, ervaart hij als volgt: ``Altijd en overal wist ik dat mij niets
kon gebeuren, dat ik in goede handen was, op weg naar de definitieve
genezing, de zuivering van alle smetten, de bevrijding van het in mij
huishoudende, alles verwoestende, aangeboren kwaad.'' Op school ontstaat er zelfs een eredienst rondom zijn litteken.
Op een bepaalde plek, bij een blokhut, toont hij met regelmaat zijn wild
vlees aan zijn vrienden, die het aan mogen raken en die erdoor gesticht
worden en aangezet tot het doen van goede werken. Hij is een Christusfiguur
met een schare volgelingen die het zieke, het kwade
uit de wereld willen bannen. Afwijkingen, ``walgelijke ontsporingen van de
zuivere natuur'' tolereren ze niet, kinderen die iets mankeren of van wie zij
vermoeden dat ze iets mankeren worden afgerammeld, het kwaad dat zij
vertegenwoordigen wordt met de vuist bestreden. Op dit punt krijgt de wereldbeschouwing van de hoofdpersoon,
waarin het kwaad gelijkgesteld wordt aan misvorming, fascistoïde trekken, die
gruwelijk naar voren komen als er van het gebochelde
joodse meisje Esther beweerd wordt dat ``volledige
verdelging alleen soelaas kan bieden''. In 'Wild vlees' wordt het lichaam
verschillende malen, in bijbelse zin, voorgesteld als een tempel. In die
tempel kan verdorvenheid heersen, er kunnen zich liederlijke taferelen
afspelen, de chaos kan er de orde verstoren. De hoofdpersoon heeft een 'haast
bovenmenselijke' taak: ``Dienaar zijn, werktuig in handen van het goede, het
onbetwijfelbare, het absoluut onomstotelijke;
boodschapper van de ware werkelijkheid, van de werkelijke waarheid, van
rechtschapenheid zonder weerga.'' Het zijn zijn
woorden. Als zijn bloed wordt ververst staat dat voor hem gelijk aan de
reiniging van de tempel: ``In een bloederige colonne, voor iedereen
zichtbaar, verliet dat schuim, dat ongedierte, verlieten die. . . hoe heet
't. . . die tollenaars en duivenkramers, die hoerenlopers, bultenaars en sodomieten ja, verlieten die moordlustige types die de
tempel van mijn lichaam al vanaf ruimschoots voor mijn geboorte hadden
ontwijd, marcheerden ze - of nee, ze strompelden, nee vluchtten, vluchtten in
paniek, in paniek en elkaar verdringend in die nauwe, transparante gang die
daar uit mij kwam, ontvluchtte het gespuis mijn lichaam, voor iedereen
zichtbaar.'' Nu hij uitgegroeid is, 'een flinke
vent', nu moet hij of wil hij zich blijkbaar tegenover een
onderzoekscommissie uitspreken over zijn ontwikkelingsgang. Het zullen wel medici zijn die zijn
lange bekentenis, een pleitrede in feite, aanhoren want er is een paar keer
sprake van een lichamelijk onderzoek dat zij zonder enige twijfel zullen gaan
uitvoeren. Ook spreekt het personage dikwijls in anatomische en medische
termen die alleen door ingewijden begrepen kunnen worden. Wat die
onderzoekscommissie precies voorstelt, is mij niet duidelijk, zoals er
trouwens in deze roman zeer veel onduidelijk blijft. Misschien moet de
commissie zijn genezing vaststellen: ``Geur- en schuldeloos, verlost, gered, met op mijn voor het overige volkomen blanke en rimpelloze lichaam enkel
deze ene streep wild vlees, dit teken van gevaar en genezing ineen, dit
stigma, als het ware, dat verhaalt van mijn lijden en mijn opstanding uit het
kwaad, mijn verlossing van het duisterste verderf.'' De parallel met Christus is hier, zoals ook elders
in de roman, zwaar aangezet. Ook het lichaam, anatomisch en medisch bezien,
krijgt in dit boek veel nadruk. De hoofdpersoon heeft geen ongelijk als hij
meent: ``Ik heb mij tot in alle details opgesomd.'' Dat levert uiterst
merkwaardige passages op, die alleen met een medische encyclopedie bij de
hand te volgen zijn: ``Alsof daar in je binnenste, ter hoogte van je maag, twee
reusachtige handen, twee handen van binnenuit, je ribbenkast,
de, hoe heet 't, de thorax ja, uiteenrijten, ik bedoel, van binnenuit met de
vingers rond de arcus costalis
zodat de ribben, de os costale, de os costale dextrum of hoe heet het
allemaal, als luciferhoutjes afbreken, losbreken van het dinges. . . het
borstbeen.'' Het is moeizame lectuur, niet in de laatste plaats omdat de
spreektaal is aangehouden en het personage zich om de haverklap tot zijn
toehoorders richt met wendingen als 'zoals u weet', 'u kent ongetwijfeld',
'gelooft u mij' en dergelijke. De roman eindigt met een gebeurtenis aan het sterfbed van de
vader. Het heeft er veel van weg dat het hele boek in
zekere zin draait om die slotscène, waarin vader en zoon sterk op
elkaar betrokken worden. Hoe het precies in elkaar steekt en wat de
implicaties voor de roman zijn van dit besluit, kan ik niet zeggen. Het
blijft vaag en voornamelijk suggestief. 'Wild vlees' is zonder meer een
ambitieuze roman, maar wel een die bezwijkt onder zijn vele bedoelingen en
daardoor geen helderheid schept. |
|