Onderhuids onbehagen. MARIA STAHLIE, Zondagskinderen
De subtiele vertelkracht van Maria Stahlie Eva Berghmans
De 'zondagskinderen' die Maria Stahlie in haar gelijknamige verhalenbundel opvoert, hebben het lang niet altijd makkelijk. Stahlie vangt hen op een dramatisch moment in hun leven, wanneer de balans even tilt dreigt te slaan.
Van de verhalen uit Maria Stahlies Zondagskinderen gaat een subtiele helende kracht uit. Die weldadige werking is niet louter een neveneffect van Stahlies literaire kwaliteiten, maar vooral van het milde, realistische optimisme dat uit de verhalen spreekt. Zonder dat het de verhalen aan dramatische wendingen ontbreekt, vallen de ik-vertellers ten prooi aan een ietwat ijl bewustzijn, dat vatbaar is voor suggesties van de verbeelding maar dat zichzelf tegelijkertijd nauwlettend in de gaten houdt.
Het eerste verhaal schetst het kader waarbinnen de rest van het boek, onder de verzamelnaam De verhalen, zijn plaats krijgt. In ,,Ochtendbries'' stelt een schrijfster, die met een writer's block kampt, vast dat ze een neiging tot voyeurisme heeft. Wanneer ze op een nacht een oude man in zijn keuken gadeslaat, blaast de fysieke sensatie van een ochtendbries haar inspiratie nieuw leven in en volgen er vijf novellen.
Stahlie weert het spectaculaire niet uit haar verhalen. Nu eens gaat de Nederlandse kroonprinses incognito, dan weer wordt een enkele maanden oude baby ontvoerd, wordt een tandarts op het nippertje van de dood gered, pleegt een vrouw zelfmoord, een andere vrouw abortus en een man overspel met zijn schoonzus. Maar het bijzondere aan Marie Stahlies verhalen is dat die brutaal ingrijpende gebeurtenissen niet het middelpunt van de actie vormen. Ze toont mensen die even uit balans raken en die, aandoenlijk wikkend, zelfs niet altijd even bewust, de balans weer in evenwicht brengen.
In het kaderverhaal kondigt een ogenschijnlijk banale ochtendbries de ommekeer aan: de schrijfster ontwaakt uit haar dwangmatig voyeurisme en vindt zichzelf terug, niet omdat ze tegen haar lamlendigheid en inspiratieloosheid ingaat, maar omdat ze plots gewekt wordt door een fysieke én emotionele sensatie.
Een dergelijke bewustwording maken bijna alle hoofdpersonen in Zondagskinderen mee: ze hebben het een tijdje moeilijk, kijken vol verwondering en soms vol afschuw naar zichzelf en komen - nadat redelijke inspanningen hun failliet bewezen hebben - toch op hun pootjes terecht.
Het ongemakkelijke gevoel dat de personages even uit het lood slaat, neemt geen dramatische proporties aan. Het is eerder een licht sluimerende ontevredenheid die door haar hardnekkigheid en onverklaarbaarheid enige wrevel oproept. In ,,Uit de best denkbare wereld'' wordt bijvoorbeeld de psychische rust van een vrouwelijke tandarts verstoord wanneer een onbekende haar net op tijd voor een bus wegtrekt. en z*/ Ze gedraagt zich kribbig Ze gedraagt zich kribbig/* terwijl*/, hoewel ze zelf vindt dat ze zich aanstelt. Ze raakt bezeten van het idee dat haar kribbigheid haar straf-na-de-bijna-dood is, een straf voor de vanzelfsprekendheid waarmee ze genoten heeft van haar harmonische dagen, die ze zelf in kleuren percipieerde, met karmijnrode gesprekken en okeren lunchpauzes.
Zich goed voelen wordt door Stahlie al evenmin als een louter rationeel welbevinden beschreven. Voor de tandarts is een goede dag een kleurenpatroon, de schrijfster valt terug in haar plooi dankzij de ochtendbries. De ik-verteller uit het titelverhaal ervaart zijn bevrijding als een fysieke weerslag van de balans tussen licht en duisternis: hij voelt het licht en het donker op zijn huid, in zijn haar, neus en ogen. Zijn nieuwe manier van ervaren betekent voor hem dat hij eindelijk zijn lot als zondagskind, geboren in een rijk en mondain milieu , kan tarten. Een prachtverhaal over een genereuze, impotente Rus - hem verteld door zijn ondoorgrondelijke ex-vrouw - verjaagt zijn onderhuidse onbehagen.
Stahlie gunt haar hoofdfiguren ruim de tijd om de lezer te betrekken in hun ervaringswereld. Herinneringen, overpeinzingen, confrontaties met familieleden en vrienden krijgen net genoeg plaats om al haar zondagskinderen een intrigerende persoonlijkheid te geven.
Haar stijl is helder en gebalanceerd maar niet sec. Subtiele verschuivingen in het taalgebruik helpen de karakters kleur te geven. Het relaas van puber Vera, wier nieuwe leven ingeluid wordt door de zelfmoordpoging van haar buurvrouw, klinkt net iets verwarder, brutaler en rebelser dan dat van de evenwichtige tandarts of de intellectuele maag- en darmarts.
Uit details spreekt soms een heel verhaal, bijvoorbeeld wanneer in de conversatie tussen de tandarts en de tekenleraar van haar zoon een boutade opduikt die haar zoon een paar bladzijden eerder in een discussie als argument heeft gebruikt.
Ook in de opbouw van de verhalen toont Stahlie zich een begenadigd verteller. In ,,De ironie wil'' krijg je de clou - de zogezegde Canadese was effectief de Nederlandse kroonprinses - in het begin van het verhaal, maar een dubbelzinnige anticlimax op het einde en een hevige, onredelijke zusterjaloezie en een hoogbegaafde, nukkige broer daartussenin.
,,Een te hoge prijs'' brengt twee parallelle verhalen, die voor het grootste deel voor de hoofdrolspelers, ondanks hun grote verbondenheid, onbekend blijven. Nicole, een eigenwijze twintiger, trekt naar Nieuw-Zeeland waar ze als baby vijf weken lang door haar ontvoerders werd rondgezeuld. Slechts zijdelings wordt er gehint op de abortus die haar in een impuls naar het vliegtuig dreef. Nicoles reisverslag wordt verweven met de lotgevallen van het jonge ontvoerderskoppel, dat maar gedeeltelijk overeenkomt met het gerechtelijk rapport dat als Nicoles reisgids dient. Het kindvrouwtje nam Nicole zonder vooropgezet plan/*,*/ mee uit de winkel van haar ouders, terwijl haar man nog snel een boodschap deed in functie van hun emigratie naar Nieuw-Zeeland.
Het mensbeeld van Stahlie is genuanceerd en doorspekt met de nodige twijfel en zelfrelativering. Ze legt de vinger op drijfveren waarvoor de verklaring binnen handbereik lijkt te liggen, maar die net niet te vatten zijn. Haar ik-vertellers zijn geen controlefreaks, geen contactgestoorden, maar mensen van vlees en bloed, die aan den lijve ervaren dat redelijkheid en wilskracht geen afdoende verklaring zijn voor iemands levensloop en/of succes.
De impact van het irrationele, van verbeelding en emotie doordringt de volledige bundel. Zondagskinderen is daarom gelukkig nog geen psychoanalytisch traktaat over het onbewuste en het onderdrukte; Stahlie vindt een delicaat evenwicht tussen realistische gebeurtenissen en beschrijvingen en de minder beheersbare reacties. Je deelt de verwondering en het soms ijle, verhoogde bewustzijn van de personages, omdat die onlogische factor zich even subtiel en onderhuids in de vertellingen nestelt als in het dagelijkse leven van elke weldenkende mens.
MARIA STAHLIE, Zondagskinderen, Prometheus, Amsterdam, 272 blz., 795 fr.