Schrijver Springer, F.
Titel Tabee, New York
Jaar van uitgave 1974
Bron Leeuwarder Courant
Publicatiedatum
01-02-1975Recensent Ab Visser
Recensietitel Drie korte romans
Er komen de laatste tijd een opvallend aantal korte romans van zo rond de honderd bladzijden op de markt, die men een twintig, dertig jaar gleden nog als 'novellen' gedefinieerd zou hebben. Heeft dat te maken met de geringere leestijd die de hedendaagse lezer zich toestaa@ ondanks de ruimere viijetijdsbesteding, of mist de moderne schrijver het geduld om een boek van langere adem te schrijven ? Hoe het zij, men kan, desgewenst, best een TV-quiz overslaan en de vrijgekomen tijd opvullen met het lezen van een moderne roman, zonder dat men zich tegenover de buren hoeft te verontschuldigen een TV-programma gemist te hebben.
Bij Nijgh en Van Ditmar te Den Haag verscheen Een nieuw huis van Jan van Gelder, een bejaarde laatbloeier, die in 1972 debuteerde met de roman Waar kan men beter zijn, waarin hij zich deed kennen als een ironisch, charmant verteller over de tijd van voor de Eerste Wereldoorlog, historisch aangeduid als de 'belle epoque' - voor rijke lieden van goede stand wel te verstaan, want voor de werkende man was het meer een 'epoque miserable'. In dat boek maakten we kennis met een zekere Joost van Aaden en de half Franse Elly d'Ombreuil -Verinaten, die elkaar, na enige dramatische verwikkelingen met andere personages, vonden. Joost had een korte affaire met het naaistertje Lizzi dat beroerd aan haar eind kwam. Efly nam genoegen met een erotische bevlieging voor een homofiele oom. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog trouwde het paar en leefde lang en gelukkig...... nou ja!
Een nieuw huis kan gezien worden als een vervolg op Waar kan men beter zijn. Intussen zijn we aangeland in het jaar 1930. Joost en Elly zijn dan 16 jaar getrouwd en de ouders van twee zoontjes, Louis en Hennan en een dochtertje Eva. Ze hebben zich geïnstalleerd in een villa 'aan de rand van de stad' (een stad waar vermoedelijk Haarlem mee bedoeld wordt) en afscheid genomen van het ouderlijk grachtenhuis waarin Joost opgroeide en van waaruit hij samen met een adellijke oom van Elly, een bloeiende wijnfirma dreef. De familie is nog steeds in goede doen, houdt er huispersoneel op na en schijnt niet het slachtoffer te zijn geworden van de Wall Street-crisis in 1929, die (ook) zovele Nederlanders ruineerde.
Het verhaal, geschreven in de eerste persoon, wordt verteld door Joost van Aarden en hij doet dat op een ironische, badinerende toon We krijgen weer iets te horen over de intieme aangelegenheden van deze FransNederlandse familie met lichtelijk decadente inslag. Het verhaal draait ditmaal niet om homofilie zoals (grotendeels) in de eerste roman, maar om het huweli k van Joost en Elly en de opvoeding van hun kinderen. Van bigotterie kan men de familie niet belichten. Met een soort lakonieke, sardonische humor, en dus niet zonder enige verbittering en rancune, legt Joost de wankele fundamenten van het huwelijk bloot, dat ondanks alles toch "hecht aaneengesmeed blijft." Elly is een vrouw die zich niet voor 1 00 procent laat vastpinnen op huwelijkstrouw. Ze beleeft met onverhulde openhartigheid haar verliefdheden -buiten-de-pot waaronder die met de veel jongeren, half Amerikaanse playboy en halve oplichter Peter Asquir, nogal inglijpend is. Eigenlijk heeft Joost niet het recht haar te beschuldigen, want zelf koestert hij een diepe genegenheid (met tongzoenen als uiterste grens) voor nicht Marion. Het loopt gelukkig allemaal niet uit de hand, dat zou tegen de bon ton zijn in dit milieu. Een nieuw huis is dan ook een speelsironisch vertelde farniliekroniek, met een navrante inslag, maar toch niet zonder verholen tederheid. De merkwaardige vennenging van 'ouderwets& sfeer en hedendaags bbertijns seksgedrag, benevens rake karakteranalyses (als die van Elly) geven dit boek een aparte bekoring en wekken het vermoeden dat de auteur inderdaad niet zo gewoon is als op het eerste gezicht lijkt, zoals de flaptekst vermeldt.
De sfeer en de tendens in de kleine roman Tabee, New York (Querido, Amsterdwn) van F. Springer komt wel enigszins overeen met die van Een nieuw huis. Het is een, eveneens in de eerste persoon geschreven, verhaal uit het (ook al gegoede) diplomatenmiheu . Ik weet het niet, maar ik vermoed dat men F. Springer (al dan geen pseudoniem) tot onze diplomatenschrijvers moet rekenen, met o.m. Terborgh, Van Oudshoorn en Van Gulik. Hoe het zij, de ik-figuur in Tabee, Ncw York, wordt aangeduid met de naam Rudy. Hij is een vrijgezel van rond de 45 jaar en vice-consul bij het Nederlandse consulaat in New York. Hij werd geboren in Bandoeng waar hij zijn jeugd doorbracht, repatrieerde na de oorlog naar Holland en ging na voltooide studies in diplomatieke dienst.
In zijn functie van vice-consul woont hij op een dag een feest bij van geëmigreerde oud-Indië gasten die zich gevestigd hebben in de stad Avery, op geringe afstand van New York. Op dat feest ontmoet hij zijn jeugdvriendinnetje Dolly, die getrouwd is met 2ijn vroegere schoo@eraadje en rivaal Menno, een vulgaire (knap getekende) opschepper, handelaar in onverkoopbare Italiaanse schoenen. Door allerlei misverstanden, maar ook door lafhartig gedrag van de hoofdpersoon, raakten Rudy en Dolly in de veertiger jaren in Bandoeng uit elkaar. De prille, idylle eindigde in verdriet en verbittering. Het huwelijk van Dolly en Mennis is allesbehalve gelukkig en Dolly is dan ook rijp voor een hernieuwde liefde met Rudy. Maar Rudy is in feite niet de man voor een vaste verbintenis. Efij droomt er wel graag over, maar hij ontvlucht de werkelijkheid en wanneer hij dan ook voor de keus gesteld wordt zich met Dolly te verenigen die genoeg heeft van haar Menno, kiest hij voor de vlucht die hein, gelukkig maar, wordt opgedrongen doordat hij overgeplaatst wordt naar Lagos in Nigeria. Ifij heeft niet de moed de zaak als een man af te handelen en laat Dolly, met haar illusies, ten tweede maal in de steek. De belevenissen in New York (die een goed beeld geven van het gecompliceerde consulaire werk en met humor zijn gekruid) worden doorschoten met flash -backs van tempo doeloe. En al zijn dus de New Yorkse gedeelten met veel verve beschreven, de tempo doeloe-gedeelten zijn interessanter en voegen weer iets toe aan de gestaag groeiende Indische renüniscentie -literatuur. De humor van Springer is minder sardonisch en navrant dan die van Van Gelder, maar even doeltreffend en, in zijn understatement, misschien ook wel sympathieker.
Maar ook hier weer die combinatie van 'ouderwetse! sfeer en moderne sekstoestanden die het boek tot een boeiende en onderhoudende lectuur maken. Het schijnt dat Springers talent (vgl. de flaptekst) met dat van Evelyn Waugh is venijniger en mist toch wel het ontroerende element dat in Springers roman aanwezig is. Springer mag dan stilistisch de mindere van Waugh zijn, hij is menselijk de meerdere en dat lijkt mij belangrijker.
Telt de korte roman van Van Gelder nog 135 pagina's en die van Springer 90 bladzijden, de
roman' van A. Alberts haalt de 73 bladzijden. Ik zie de tijd naken, dat men een kort verhaal een
novelle' noemt en een cursiefje een 'verhaal'. Met het inkrimpen van de publieke belangstelling
voor literatuur schijnen ook de genres in te krimpen. Maar wat geeft het; wordt eikeschors bij 't
pond gewogen, men weegt kaneel bij 't lood, zoals, meen ik, Staring zei.
Er is veel poeha geweest rondom de verschijning van De vergaderzaal van A. Alberts. De auteur heeft er, naar wordt verluid, acht tot tien jaar over gedaan en de uitgever, Geert van Oorschot moest het hem dan ook 'uit handen trekken' zoals dat heet, een status, door vele auteurs als de mooiste (maar vaker niet meer dan een natte) droom beschouwd. Uit dankbaarheid (och mocht het ironie zi . n!) heeft Alberts zijn boek dan ook opgedragen 'Aan Geert van Oorschot de geduldigste en lankmoedigste, kortom de Griseldus onder de uitgevers.' Een enigszins serieuze vergelijking. Griseldus of Griseldis, immers, is een meisje van nederige afkomst in een middeleeuws Italiaans verhaal. Nu wil ik aannemen dat Van Oorschot van nederige afkomst is, maar met een 'meisje' zou ik dit ruige heerschap niet willen vergelijken. In een interview in Elseviers weekblad deelde Van Oorschot aan de interviewer Wim Zaal mee dat het publiek de auteur Alberts nu eindelijk ontdekt heeft naar aanleiding van De Vergaderzaal. Dat is natuurlijk klffiware onzin, om niet te zeggen uitgeversvemeukerij . Het boekje is buiten proporties opgeklutst door de vaderlandse kritiek en de auteur is er mee voor de TV gehaald etc. en dát is de reden waarom De vergaderzaal de bestsellerlijst heeft gehaald en anders niet.
Rond de vijftiger jaren pubficeerde Alberts twee verhalenbundels. De bomen en De Eilanden, die ten onrechte te weinig aandacht kregen. Het waren tempo docloc verhalen die qua sfeer weinig onderdeden voor de romans en verhalen van Maria Dermont en die trefzeker waren in hun functionele eenvoud en stilistische meesterschap. Het is dan ook wèi te hopen dat door de uitgave van De vergaderzaal de aandacht opnieuw op die beide bundels zal vallen, die dat zeker verdienen.
De vergaderzaal is, gezien het vroegere werk van Alberts, een rniskleun. De flaptekst geeft er een diepzinnige interpretatie van die m.i. niet waar gemaakt wordt door het boek zelf. Hoofdpersoon is een directeur-zakeninan een zekere 'meneer Dalem ". Deze man wordt (ik citeer de flaptekst vrij) door het toeval in het midden van een directievergadering geplaatst en dan blijkt hij dit bestaan niet te kunnen voortzetten zonder hierdoor tenslotte ernstig gewond te raken. Van dit proces van verwonding is dit verhaal het verslag.
Dalem dan betreedt de directievergadering waar een aantal andere 'meneren' aanwezig zijn, waaronder uiteraard een president en een secretaris. Tijdens de vergadering wordt Dalem niet goed: hij raakt lichtelijk aan het hallucineren en verlaat overhaast de vergadering. Hij krijgt een asperientje aangeboden van de conciërge, maar wacht dat niet af en gaat de straat op naar zijn eigen kantoor. Ook daar valt zijn vreemde gedrag op en weer snelt hij naar buiten. ffij praat hardop in zichzelf en richt zich tot voorbijgangers. Ifij vertoont alle symptomen van zware overspanning en heeft de vreemdste ontmoetingen met personen op straat en in cafés. Tenslotte belandt hij in een noodziekenhuis, dat ooit een rederijkantoor is geweest, opgericht door zijn grootvader. Ffij springt in het water en wordt eruit gehaald. Hij herstelt en aan het slot vinden we hem terug op de directeursvergadering.
Alberts schrijft opnieuw een functionele stijl en bereikt komische, surrealistische effecten door herhalingen aan te brengen in de dialogen die echter na een poosje gemanierd aandoen. Het verhaal bezit stellig wel een navrante humor, maar ik kan de diepte ervan niet peilen. Het is het zoveelste verhaal van een gestoorde persoonlijkheid en als zodanig haalt het niet bij andere verhalen over dit thema, als die van Arends, Biesheuvel en Van der Ploeg. Het zou nog best te genieten zijn geweest als de uitgever het zonder flauwekul had gebracht. Nu raad ik de lezer aan het boek maar voorlopig te vergeten en te grijpen naar De bomen en De eilanden om te ontdekken dat Alberts wel degelijk tot iets beters in staat is.