NRC Handelsblad, 30
september 2005
Mee met de
bierboer
`Nooit gaat dit over' is verschenen bij uitg.
Querido,
Monique Snoeijen
|
Het nieuwe boek van André Sollie is een
liefdesgeschiedenis van een homoseksuele jongen aan de Belgische kust. ,,Het kan me niet schelen wat kinderen van mijn werk
vinden.'' |
|
|
|
Stel je zou
kinderboekenschrijver André Sollie
(58) - vaal rood T-shirt, lange achterovergekamde grijze krullen - neerzetten
op een bankje in een speeltuin. Best kans dat de verzamelde moeders denken
dat het een man ver van huis is - type zeebonk. Vroeger had hij boven een
enorme snor een kaalgeschoren hoofd - type leernicht. ,,Dat
is de buitenkant'', zegt Sollie. ,,Van
binnen ben ik een oud wijf.'' Zijn huis ziet er van
binnen zo uit: gebloemde kussens, rose kleedjes,
poppen in alle soorten en maten, theeserviesjes, lampenkapjes, mandjes met
schelpen - klein en knus. Alleen de vele stapels boeken en her en der een
homo-erotische ansichtkaart verraden dat hier niet een oude tante woont. Het huis van André Sollie in een buitenwijk
van Antwerpen is een burcht van geborgenheid. Zit het bezoek wel goed? Niet
te koud zo? Misschien alvast wat eten? Of liever eerst een wandeling door het
park? Dan, als echtgenoot Wim boodschappen gaat
doen - om te voorkomen dat hij net als de oude mevrouw Lampo,
vrouw van schrijver Hubert Lampo,
het gesprek overneemt - begint André Sollie te vertellen en houdt de eerste uren niet meer op.
Hij spreekt over zijn jeugd, zijn ouders, over liefde, over zijn debuutroman
en over wat dat nou is, een kinderboekenschrijver, maar vooral over woorden
en de kracht daarvan. ,,Wim
zegt vaak: ik zou willen dat je praat zoals je schrijft.'' Als Sollie schrijft is hij streng, sober, verstild. Het pas verschenen Nooit
gaat dit over, een liefdesgeschiedenis van een homoseksuele jongen ergens aan
de Belgische kust, is de eerste jeugdroman van Sollie.
Eerder tekende hij voor kindertijdschriften en damesbladen, schreef versjes,
liedjes en gedichten voor tieners, bedacht de woorden bij twee prentenboeken
met illustraties van Ingrid Godon
(Wachten op Matroos, Gouden Griffel 2001 en De bus naar Hawaii,
2003) en maakte vorig jaar het prentenboek Dubbel Doortje
(volgens de Penseeljury een van de tien beste prentenboeken) waarvoor hij
voor het eerst zowel de illustraties als de tekst maakte. Het schrijven van Nooit
gaat dit over is voor het versnipperde talent Sollie
,,een revelatie'' geweest. ,,Als ik in een
woordenboek bladerde om me te vergewissen van de betekenis van een woord, dan
dacht ik: dit is het liefste dat ik doe. Ik kan meer
vertellen met woorden dan met beelden. Zoveel woorden - en dan de juiste kiezen. Er hebben wel vaker in boeken jongens
bij elkaar op een motor gezeten, maar het gaat om de manier waarop je iets vertelt.'' Dit is de manier waarop Sollie dat vertelt: Pim zit achterop het duozadel en gilt iets onverstaanbaars terug. Zijn armen
een lasso om zijn prooi, zijn vingers gevlochten als in een vurig gebed.
(...) Akkers zover je kunt zien. De sloot staat kurkdroog en hij is twee
jongens breed. In Nooit gaat dit over
zitten veel ervaringen van Sollie zelf. Net als
hoofdpersoon Pim verkleedde hij zichzelf vroeger
als meisje. Dat had niets met genderverwarring te
maken, maar alles met het verlangen naar jongens. ,,Ik
heb altijd gedroomd van een prins op een wit paard. Dat is nooit begonnen,
dat was er altijd. Het maakte me niet angstig of verlegen, het was iets heel
gewoons. Maar omdat ik om mij heen geen toekomstbeelden zag, dacht ik op een
naïeve manier dat, op een dag, ik wel zou muteren in een meisje zodat het
mogelijk zou zijn om jongens te begeren en door jongens begeerd te worden.
Dat was wel iets zorgelijks voor mij, dat muteren. Wat zou er dan gebeuren?
Het was een hele opluchting toen ik ontdekte dat er geen goocheltrucs of
toverstafjes aan te pas hoefden te komen: de jongensliefde bestond!'' De mannenliefde is voor Sollie overigens nog altijd zo'n
vanzelfsprekend gegeven dat hij - hand op zijn hart - bij het schrijven van
Wachten op matroos, over een vuurtorenwachter die met zijn vriend matroos een
wereldreis wil maken, geen moment heeft vermoed dat het boek in Engeland
opschudding zou veroorzaken omdat het te nadrukkelijk over de homoliefde zou
gaan (met de vuurtoren als fallussymbool). Het idee voor het verhaal was
bovendien van illustratrice Ingrid Godon. ,,Zij is gek van matrozen
en verzamelt vuurtorens.'' In Engeland gaf de uitgever het boek de titel Hello sailor mee - ,,toch gewoon straathoektaal voor prostituee'' - en
presenteerde het prentenboek als een middel om het thema homoseksualiteit
bespreekbaar te maken. ,,Ik heb vaak gedacht, arme arme
Engelse homofielen die met het boek onder de arm
huiswaarts zijn gewandeld om te ontdekken dat er niets te beleven viel, geen
blote bovenarm, niks.'' Belga's en frituur De wereld in Nooit gaat
dit over baadt, zoals Sollie het zelf zegt, ,,in artificieel licht''. De bladzijden ruiken naar bier, Belga's en frituur; ze zijn verlicht door jukeboxen,
draaimolens en de flikkering van zilveren bekers gewonnen bij het wielrennen.
Het is het kunstmatige licht van Sollies eigen jeugd. Hij is geboren in een
achterafstraatje in Mechelen. ,,Nog
altijd heb ik een groot verlangen naar tavernes in
buitenbuurten. Ik voel me aangesproken door die gemoedelijke gewonigheid. Betonnen schuttingen, wasdraad met was,
gebloemd zeil op tafel, kopjes zonder schoteltjes - klein Vlaanderen. In zo'n omgeving, in een entourage waar geen verwachtingen
zijn, valt alle ballast van me af. En de emoties zijn er groot, nog niet
afgeblokt door omgangsvormen. Iets is al gezegd voordat er over na is
gedacht.'' Dit boek wilde hij al
heel lang schrijven, zegt Sollie. Hij had geen
plot, geen personages, geen begin en geen eind, maar wist wel dat het over
een jongen moest gaan die naar vrijheid snakt, over de dualiteit tussen
geborgenheid en vrijheidsdrang. ,,Weg. Mee met het
circus de wereld rond. Mee met de bierboer. Dat verlangen had ik werkelijk
als kind. Dan zat ik op een zonnige zomerdag in de klas, terwijl de
alledaagse geluiden binnendrongen, paardenhoeven, gerinkel van kratten, dan
wilde ik het liefst mee op die hoge bok.'' Er waren veel versies
van Nooit gaat dit over. ,,Ik heb de jongens nog
naar Palermo laten gaan, een kreeg er een kind en
er was ook nog sprake van een Chinese schoonmoeder. Maar mijn redacteur heeft
mij duidelijk gemaakt dat je niet al te veel kronkels moet maken en het
liefst de gedachten van één persoon moet volgen. Dat had ik echt niet door.
Een goede redacteur, dat is wat hoor.'' Sollie is niet opgegroeid met kinderboeken.
Hij was een dromer. Altijd bezig met zingen, dansen, tekenen en toneel of in
de weer met doeken en spelden en zichzelf als paspop. Maar lezen deed hij
niet. ,,We hadden thuis een plankje in de wandmeubel
met in leer gebonden ruggetjes. Het heeft echt een poosje geduurd voordat ik
ontdekte dat die aan de achterkant open konden.'' Wel zat hij met zijn ouders
op zaterdagmiddag op de sofa klaar voor de televisie-serie
Ja Zuster Nee Zuster. ,,Ik herinner me alles in
kleur.'' Later raakte hij in vervoering van Jasperina
de Jong. ,,Dat het Nederlands zo mooi was, dat het
zo goed gezongen kon worden - het was voor mij de ontdekking van de kracht en
de schoonheid van het Nederlands.'' Toeval Maar omdat tekenen
volgens zijn ouders nog het minst onbetrouwbare talent van André was, leek het hun het beste als hij een grafische
opleiding aan het St. Lukas in Brussel ging volgen.
Hij ging later ,,per toeval'' voor een jong publiek illustreren en raakte als
vanzelf ,,ondergedompeld'' in de kinderboekenwereld.
Maar Sollie denkt nooit aan kinderen als hij
schrijft of tekent. ,,Het kan me eigenlijk niet
schelen wat kinderen van mijn werk vinden'', zegt hij - en slaat meteen een
hand voor zijn mond, geschrokken van zijn eigen opmerking. Maar waarom dan toch boeken
voor kleuters, tieners en nu ook jongvolwassenen? ,,Ik
zal maar niet zeggen, net als Annie (M.G. Schmidt, MS), dat ik altijd acht ben gebleven, maar toch
- het klinkt pathetisch, er is wel altijd een kinderlijke verwondering
blijven bestaan.'' `Nog even over mijn
belangstelling voor poppen', zal Sollie enkele
dagen later in een e-mail schrijven, `eigenlijk is die wel echt en eerlijk,
hoor'. De vraag was geweest of de poppenverzameling in zijn huis een vorm van
camp was. `Het hoort vast bij dat verlangen terug te keren in de tijd, en
misschien heeft het ook gewoon met begrippen als `veilig' en `onschuld' te
maken. De campfactor is dan een welkom alibi.' Een schrijver die zo
nadrukkelijk het verleden koestert, die schrijft misschien welhaast vanzelf kinder- en jeugdboeken. ,,Weet
je wat mijn droom is?'' zegt Sollie. ,,Ik heb een bijna natte droom dat het prentenboek
uiteindelijk wordt gezien als een artistiek product, een vorm om zo mooi
mogelijk een boodschap of idee over te brengen die ook van waarde is voor
volwassenen. Ik zie volwassenen ook steeds vaker naar prentenboeken grijpen.
Zelf koop ik me arm.'' Af en toe, in Frankrijk bijvoorbeeld, ziet hij wel
eens zo'n gedroomd prentenboek. Het ziet er er vaak eenvoudig uit: weinig tekst, grote vormen, lege
vlakken, de lezer moet zelf ook een stap zetten. Dat het
lezen van een prentenboek een creatieve ervaring is, dat zou Sollie willen. Misschien, zegt hij, werkt hij zelf
nu wel aan zo'n boek. Dromerige, abstracte gouaches
moeten het worden. De tekst zal gaan over teleurstellingen in het leven die
bij nader inzien wel meevallen. ,,Voor wie het
bedoeld is? Ik heb werkelijk geen idee.'' |