Trouw, 27 april 2002

 

Gegrepen door de Vliegende Hollander

 

PETER HENK STEENHUIS

Voor schrijvers is het aanlokkelijk mythes te zien als oerverhalen die telkens opnieuw, telkens net even anders verteld worden, maar wel zo vaak en zo indringend dat ze zijn gaan behoren tot het collectieve geheugen. Helaas is ons geheugen niet zo sterk, zodat de mythes er na verloop van tijd uit wegzakken, om deel te gaan uitmaken van het collectieve onbewuste. Totdat er opnieuw een getalenteerde verteller opstaat, die de mythe tijdelijk doet herleven.

Vraag is dan altijd: zet de auteur de mythe naar zijn hand of trekt de mythe zichzelf, aan de hand van de schrijver, uit het moeras van de vergetelheid omhoog? Dat laatste lijkt onwaarschijnlijk, maar zeggen we niet ook dat we gegrepen worden door een gedachte, een verhaal? Het is aannemelijk dat ook vertellers gaandeweg hun vertelling gegrepen worden door een mythe, de oerversie van hun eigen verhaal. Dit zou ook de mysterieuze, veelgehoorde opmerking van auteurs verklaren dat 'romanpersonages een eigen leven zijn gaan leiden'.

De Vliegende Hollander is zo'n literaire mythe die altijd meevaart op fictieve zeetochten. Zo ook op 'De hydrograaf' van Allard Schröder, waarin een kok de legende over de verdoemde Hollandse kapitein aanstipt: ,,Hij was, Joost mocht weten waarom, door de duivel vervloekt. Die Hollander zou pas van zijn eeuwigdurende zwerftocht worden verlost als een vrouw zich uit liefde voor hem zou opofferen.''

Oppervlakkig gezien vertelt 'De hydrograaf' de geschiedenis van Franz von Karsch, een graaf uit Pommeren, die aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog in Hamburg scheep gaat om de wetten van de zeegang te doorgronden. Zijn leven zit in het slop, er dreigt een zouteloos huwelijk, tijd om het ruime sop te kiezen. Maar in plaats van 'de wetmatigheden van zeegang en golfslag te analyseren en door middel van wiskundige modellen te beschrijven', raakt Karsch vrij snel nadat de valreep van de viermaster 'Posen' is opgetrokken, verzeild in een liefdesaffaire.

In thematisch opzicht is 'De hydrograaf' verwant aan Louis Ferrons jongste roman 'Het overspelige gras', eveneens onlangs bij 'De Bezige Bij' verschenen. Beide boeken beschrijven de ondergang van een wereld van gisteren. Bij Ferron wordt het avondland bevolkt door de Achterhoekse geldadel; bij Schröder is de hydrograaf een graaf uit het Duitse Pommeren, voor wie 'Immer Haltung, mein Jungen!' het devies was.

Schröders graaf past niet in een wereld die zal worden ingericht naar de smaak van de gewone man. Zoals een salpeterhandelaar, een van zijn medereizigers, het uitdrukt: ,,We gaan afrekenen met jullie decadentie, jullie Schöngeisterei, jullie mystiek, jullie opgeblazen filosofen. We zullen voorgoed afrekenen met jullie Wagner en jullie Beethoven en hoe die herrieschoppers ook allemaal heten, we zullen alleen nog maar operette toestaan. De hele dag operette. De hele godganse dag 'Du, du nur du allein...'''

Groot verschil tussen beide boeken is dat Ferron cultuurkritiek bedrijft: zijn roman onderzoekt een houding, een mentaliteit. Voor Ferron vertegenwoordigt de Pruisische adel waarden als plicht, trouw, gehoorzaamheid aan je geweten, en die zijn te waardevol om zomaar door de gewone man bij het grofvuil te laten zetten.

Allard Schröder gebruikt culturele tegenstellingen om zijn personages te typeren, van cultuurkritiek is bij hem geen sprake. Want ondanks alle zwaarwichtige discussies hebben Karsch en zijn medepassagiers de maatschappij achter zich gelaten toen de valreep werd opgetrokken en het scheep in zee stak.

'Valreep' -Schröder laat deze prachtige, nautische term vaak vallen. Niet om te laten zien dat hij zich de passende terminologie eigen heeft gemaakt, maar om te benadrukken dat wie over de valreep gelopen is een andere wereld is binnen gegaan. De valreep is de drempel naar de verhaalwerkelijkheid van deze roman, die nog het meest weg heeft van een operette waarin de hele godganse dag 'Du, du nur du allein...' klinkt.

Deze 'du' is een Hollandse schone, 'een rijzige blonde vrouw in een sitsen jurk'. Zij is in Lissabon aan boord gekomen en houdt zich schuil in haar hut. Vanaf haar entree dingen Karsch en zijn reisgenoten naar de gratie van deze mysterieuze Asta Maris, van wie ze aanvankelijk weinig meer te weten komen dan dat haar koffer is 'volgeplakt met etiketten van hotels en scheepvaartmaatschappijen uit de hele wereld', en dat haar paspoort bol staat van de buitenissige stempels.

Tussen de mannelijke reizigers ontstaat rivaliteit: wie weet het meest van deze ongrijpbare vrouw, waarom zwerft zij over de wereldzeeën, is zij pianiste, actrice? En zou een van hen haar weten te schaken? Karsch kijkt nauwelijks meer om naar zijn wetenschappelijke arbeid en slijt zijn dagen in een hangmat, het dek afspeurend in de hoop de Hollandse in het vizier te krijgen. Als ze het gezelschap van Karsch kiest, praten ze over niets bijzonders, waardoor er een 'aangename dampkring van alledaags gekeuvel' rond hen ontstond waarin beiden zich graag koesterden. ,,Haar gezelschap gaf hem een gevoel van lichtheid, dat nieuw voor hem was.''

En dan, als Kaap Hoorn nadert, blijkt 'De hydrograaf' allang in de ban te zijn van de mythe van de Vliegende Hollander. De viermaster van Karsch en de zijnen komt in een 'vliegende storm' terecht: 'Natte sneeuw, zeven beaufort uit een vuile hoek en meer op komst'. Iedereen moet binnenblijven, passagiers wordt aangeraden rondslingerende spullen in de hut op te ruimen en zonodig vast te zetten. Het weer wordt nog slechter, de lage stand van de barometer inspireert Schröder tot de mooiste en meest angstaanjagende alinea van het boek: ,,Er scheurde een zeil dat knallend opzwiepend zich trachtte los te rukken van de ra. Even later scheurde er nog een. Matrozen werden de mast in gestuurd om de opstand te beteugelen. Glinsterend in hun oliegoed als spreeuwen op een telegraaflijn bogen ze zich over de ra's om zeil te bergen.''

Achter het verhaal duikt ineens de Vliegende Hollander op, ook in die mythe betrof het een kapitein die in een vliegende storm terechtkwam toen hij een kaap naderde, in zijn geval Kaap de Goede Hoop. De kapitein zweerde dat hij erin zou slagen om de Kaap heen te zeilen, al zou hij tot de Jongste Dag moeten varen. De duivel ging op de eed in, en bood de kapitein zijn diensten aan, op voorwaarde dat hij dan eeuwig over de oceanen zal moeten zwerven. De ene versie van de mythe luidt dat de kapitein nooit een haven zal aandoen, in de andere versie krijgt hij permissie eens in de zeven jaar aan land te gaan om een vrouw te zoeken die hem eeuwig trouw zal blijven, waardoor de vloek zal worden opgeheven.

Zou ook de kapitein van de Posen zijn ziel aan de duivel hebben verkocht? Of varieert Schröder op de klassieke versie, en heeft hij de Vliegende Hollander van gedaante laten veranderen en tot vrouw gemaakt? Dat zou kunnen betekenen dat deze vrouw geen gevierde pianiste is, geen roemrijke actrice, maar een verdoemde, die over de wereldzeeën moet zwerven tot zij een man ontmoet die haar eeuwig trouw zweert. Daarom zitten haar koffers zo vol etiketten geplakt, staat haar paspoort vol stempels.

Maar wat betekent deze wending van het verhaal? In de klassieke mythe wordt de Vliegende Hollander gezien als een Ahasverus, de eeuwig zwervende jood van de oceanen. Het lijkt erop dat 'De hydrograaf' meer is dan een plezant verlopen zeereis vol gemoedelijk gekeuvel, geroddel, windstille verveling en oplaaiende verliefdheid. De operette die het boek schijnt te zijn heeft een tragische schaduwzijde, die van de reizigers op de Posen vluchters maakt. Maar het knappe is dat je onmogelijk twee of drie passages kunt aanwijzen waar deze omkering haar beslag krijgt. Ongemerkt legt de Vliegende Hollander zijn vingers rond de nek van het verhaal, en als er aan zijn ijzeren greep geen ontkomen meer is, knijpt hij.

 

Hosted by www.Geocities.ws

1