Humor is het beste harnas
Het derde Harry Potter-deel is uit!
JUDITH EISELIN
Met een luide plop verandert een dik wit konijn in een hoge hoed. En weer terug. En weer terug. Harry Potter, tovenaarsleerling, koopt met zijn vrienden spullen in voor het nieuwe jaar op Hogwarts, de Hogeschool voor Hocus Pocus. De ‘Magical Menagerie', waar het konijn te koop is, is een van de heerlijke winkels in een toverwinkelstraat ergens onder of in Londen. Er is een winkel voor toverstaffen, een voor koperen ketels, een voor puntmutsen en tovercapes. In een boekwinkel gaan in een kooi in de etalage verschillende exemplaren van het ‘Monster Boek over Monsters' elkaar te lijf. Wild happen hun omslagen naar elkaar. De boeken gaan voor elkaar op de loop, voortschuivend op hun kaften als een merkwaardige kreeftensoort.
De derde Harry Potter is uit! Heel Engeland verdringt zich in de boekhandels. De Schotse schrijfster J.K. Rowling verbreekt met Harry Potter and the Prisoner of Azkaban alle bestseller-records. Ook in Nederland is het moeilijk nog een exemplaar te bemachtigen. Wie eenmaal een Potter-boek heeft gelezen, kind of volwassene, is gedoemd de komende jaren steeds opnieuw trappelend van ongeduld op het volgende deel in de serie te wachten. De boeken zijn geestig, spannend en soms ook ontroerend. Gelukkig gaat de serie zeven delen tellen.
Rowling doet in haar boeken over Harry Potter een appel op universele (kinder)fantasieën. Harry is een wees, een onhandig jongetje met een bril en piekhaar, die opgroeit bij een weerzinwekkende oom en tante. Eenzaam en onbemind slijt hij zijn dagen als een soort Assepoester. 's Nachts slaapt hij in de bezemkast onder de trap. Maar Harry is niet zomaar een jongetje. Harry is een levende legende, wereldberoemd in een universum parallel aan het onze, in de wereld van magie en hekserij.
Op zijn elfde krijgt Harry een oproep van de kostschool Hogwarts. Deze opleiding tot tovenaar vindt plaats in een kasteel vol spoken, oneindige wenteltrappen en zich verplaatsende lokalen. Harry blijkt de zoon van een hoogbegaafd tovenaarsechtpaar die als baby de aanval van de Meester van het Kwaad, Voldemort, doorstond; zijn ouders sneuvelden. Iedereen met maar een greintje magie in zijn lijf, kent Harry's geschiedenis. Behalve Harry zelf. Deze onwetendheid maakt hem tot een uitstekende gids voor de lezer die, net als hij, staat te kijken van alle klopgeesten, bewegende schilderijen en de internationale toversport Quidditch (Zwerkbal in de Nederlandse vertaling van Wiebe Buddingh') op Hogwarts.
In elk nieuw Potter-boek overleeft Harry een aanslag van Voldemort. De spanning die Rowling tot nu toe steeds weet te wekken, heeft weinig van doen met de uitkomst van de confrontatie. Potter is natuurlijk onoverwinnelijk. Maar de wegen van het Kwaad zijn dermate ondoorgrondelijk, dat de lezer met Harry steeds weer de verkeerde verdenkt. Niets is wat het lijkt, zelfs niet als je met dat uitgangspunt begint te lezen. Ingenieus strooit Rowling aanwijzingen door haar verhaal, wijst stelselmatig de verkeerde kant op.
The Prisoner of Azkaban draait om de ontsnapping van ene Sirius Black uit Azkaban, een gevangenis die, behalve door tralies, beschermd is door talloze banvloeken. Harry is inmiddels dertien jaar oud en derdejaars op Hogwarts. Black is een gevreesd dienaar van het kwaad. Hij zoekt Potter. Black vermoordde eens op klaarlichte dag dertien mensen. Zelfs Muggles, mensen die niet kunnen toveren ( ‘Dreuzels' in de Nederlandse vertaling), kennen Black, al hielden ze de slachtpartij voor een gasexplosie. Het Ministerie van Magie had daar nog een harde dobber aan en moest talloze ‘Vergetelheidsspreuken' uitdelen. Na de ontsnapping is Hogwarts bij wijze van voorzorgsmaatregel omringd door de wachters van Azkaban. Deze wachters verkillen al wat goed is. Harry's toverwereld lijkt genoeg op de onze om geloofwaardig te blijven. Toveren is een gave, maar ook een kunst die je je tijdens lange en soms saaie schooljaren eigen moet maken. Voor tovenaars zijn Muggles vaak een even groot raadsel als andersom. Rowling weet aannemelijk te maken dat in de ogen van iemand die kan heksen dingen als de telefoon en de metro bijna ‘magisch' te noemen zijn. Het grote verschil met andere kinderboeken over tovenarij is dat zij de consequenties van het leven in een toverwereld tot in de uiterste consequenties doorvoert. Het wordt gewoon, dat mensen zich verplaatsen door in een haardvuur te stappen. Het is normaal om je in een kraai te kunnen veranderen, en niet zozeer spookachtig. Tovenaars blijven in de eerste plaats mensen, die moe kunnen worden, afgunstig, verliefd. En ze kunnen dood gaan.
Rowling knipoogt in haar derde boek naar de beroemde (kinderboeken)auteurs waarmee zij door de kritiek vergeleken is. Roald Dahl echoot behalve in de vele woordspelingen en melige, maar goedgevonden alliteraties bijvoorbeeld door in het magisch snoep dat de kinderen eten. Het lijkt recht uit de fabriek van Willy Wonka te komen: ‘Ice Mice (hear your teeth chatter and squeak!), ‘peppermint creams shaped like toads (hop realistically in het stomach!), fragile sugar-spun quills and exploding bonbons.'
C.S. Lewis eert Rowling met het hoofdstuk ‘The Boggart in the Wardrobe.' Tijdens het vak ‘Defence against the Dark Arts', waarin de leerlingen elke les opnieuw met een of ander grimmig fabel-, griezel- of sprookjesdier worden geconfonteerd, dienen zij een voor een een kastdeur open te trekken. Daar verschijnt de ‘Boggart', in de gedaante van wat elk van hen afzonderlijk het meest vreest. Tegenover een spinnenvrezer staat ineens een reusachtige spin, maar de Boggart kan bijvoorbeeld ook de gedaante van de meest gehate leraar aannemen. ‘Riddikulus!' moet de leerling dan roepen, met geheven toverstok, denkend aan iets grappigs. Alleen humor kan angst overstijgen.
Rowling verenigt in de Potter-boeken zo ongeveer alles wat mensen ooit over tovenarij hebben bedacht. Haar vindingrijkheid en haar fantasie lijken onafzienbaar. Ze harkt sprookjeselementen, bijgeloof, bekende waarzeggersattributen (zoals kristallen bollen), vampiers, de heksenjacht uit de veertiende eeuw, kinder- en grote mensenangsten bijeen. Het wordt allemaal de normaalste zaak van de wereld, van Harry's wereld. Ze leunt hierbij sterk op het traditionele Engelse kostschoolverhaal. Wie Enid Blyton erop naslaat, staat ervan te kijken hoezeer de wereld van Pitty en de Dolle Tweeling lijkt op die van Harry Potter. Vier afdelingen met leerlingen strijden om het schoolkampioenschap. Goed gedrag levert punten op, het overtreden van schoolregels leidt tot aftrek. Onder de leerlingen zijn alle vereiste types te vinden: van de studiebol en de meeloper tot de achterbakse, arrogante kwezel en de loyale beste vriend. Zo ook onder de leraren; klassiek is in dit derde deel de onorthodoxe docent, geliefd door zijn leerlingen, verguisd door zijn collega's, die uiteindelijk het veld moet ruimen. Alleen is het schoolmotto op Hogwarts ‘Drago Dormiens Nunquam Titillandus' (‘Kietel nooit een slapende draak') en bestaat het curriculum van de leerlingen uit vakken als Transfiguratie, Voorspellen, Spreuken en Dreuzelkunde.
J.K. Rowling: Harry Potter and the Prisoner of Azkaban. Bloomsbury, 317 blz. F45,75. De Nederlandse vertaling (Harry Potter en de Gevangene van Azkaban) verschijnt begin 2000 bij De Harmonie.