Meervoudige hoogmoed Jeroen Vullings
Amsterdam, het Centraal Station. De reiziger stapt uit de trein op het perron, neemt de trap naar beneden, baant zich een weg door de mensenmenigte langs allerlei schreeuwerige winkeltjes in de aankomsthal. Hij passeert de daklozenkrantverkoper bij de ingang van het station, loopt rechtdoor, richting Damrak. Nadat hij het zebrapad overgestoken is, staat hij meteen voor de toegangsdeur van het monumentale Victoria Hotel. Hij zwenkt iets naar links, maakt een flauwe bocht, zet z'n eerste stappen op het Damrak en beseft dat hij in Amsterdam loopt. De vraag is alleen of hij op die korte route oog heeft gehad voor de architectonische anomalie, waarvan Thomas Rosenbooms vierde boek de ,,geschiedenis'' beschrijft.
Voor mij is in ieder geval de juistheid van K. Schippers' tweeregelige gedicht ,,Bij Loosdrecht'' wederom gebleken: ,,Als dit Ierland was,/ zou ik beter kijken.'' Ontelbare keren ben ik het negentiende-eeuwse Victoria Hotel gepasseerd, maar het is mij nooit opgevallen dat het gebouw aan de voorkant twee zeventiende-eeuwse geveltjes bevat. Fascinerend genoeg is het hotel om de een of andere reden om die huisjes heen gebouwd. De roman Publieke werken evoceert de door Rosenboom bedachte toedracht in de tijd dat de publieke werken gestalte kregen. In korte tijd verrezen in Amsterdam het Concertgebouw, het Rijksmuseum, het Amstel Hotel, het American Hotel en het Centraal Station.
In een interview liet Rosenboom los dat hij de historische roman niet beschouwt als een contemporain verhaal in een historisch decor. Juist het verwijderd zijn van de eigen tijd is volgens hem zo aantrekkelijk aan dit genre. Het verzinken in een ver toen. Zijn roman Gewassen vlees (1994) situeerde hij in de achttiende eeuw, Publieke werken in het Amsterdam en het Drentse Hoogeveen van de late negentiende eeuw.
Niemand zal ontkennen dat die boeken tot in iedere vezel de respectieve tijdsperiode ademen. Ik vermoed dat Rosenboom met zijn uitspraak doelt op de ervaring van de schrijver (om zulke boeken te creëren), niet op die van de lezer. Rosenboom documenteert zich tot hij álles weet over de periode naar keuze. Dat staat z'n creativiteit niet in de weg: voor Gewassen vlees schiep hij een archaïsch aandoende, ,,historiserende'' taal, die bij lezing volstrekt passend en natuurgetrouw aandoet. Ook in Publieke werken wemelt het van uitdrukkingen en formuleringen als ,,maart guur, volle schuur'' en ,,zwaar bij drank'', maar Rosenboom toont zich een minder arcadisch en verkrampt schrijver dan vroeger.
Hoe prettig het ook moet zijn voor de schrijver om zich in zijn werk onder te dompelen in een andere tijd, de lezer ervaart Rosenbooms historische romans als zeer eigentijds. Daarbij bedoel ik niet het enige anachronisme dat ik heb kunnen vinden: Rosenboom heeft het over een ,,omgebogen judobeweging'', terwijl die sport in Nederland pas in de twintigste eeuw - lang na het voor WOII zo populaire jiujitsu - geïntroduceerd werd. Een voorbeeld van eigentijdsheid: de behoefte aan suiker van Willem Augustijn in Gewassen vlees doet sterk denken aan de modernere verslaving aan cocaïne. Los van de intrige en de vloed anekdotische gebeurtenissen gaat Publieke werken over de persoonlijke en maatschappelijke gevolgen van kinderloosheid.
De schrijver sprak zich hier expliciet over uit in Vrij Nederland: ,,In mijn omgeving onderscheid ik twee soorten mensen. Mensen die kinderen hebben en mensen die geen kinderen hebben. De mensen met kinderen zijn in mijn ogen de echte volwassenen. Ze dragen hun verantwoordelijkheid, dag in, dag uit. Ze jagen niet uitsluitend hun eigen genot na, schuiven niet steeds zichzelf naar voren. [...] Het weerspiegelt mijn gevoel. Ik heb zelf geen kinderen, en ook geen baan die mij aan de maatschappij bindt. Daardoor ben ik de laatste jaren een steeds sterkere weerzin gaan voelen tegen mijn beroep.''
Publieke werken is een geschiedenis van meervoudige hoogmoed. De Drentse apotheker Christof Anijs, in de zestig, acht zich minder dan de nieuwe, jonge, wél universitair geschoolde apotheker. Maar hij laat zich niet kisten. Met een heilig geloof in de wetenschap en de vooruitgang schrijft hij zonder doktersrecept medicijnen voor, hult zich in een gestolen witte doktersjas van de plaatselijke arts en geneest de arme turfstekers in de omgeving. Niet alleen snijdt hij tongen open van behoeftigen met spraakgebreken en biedt hij een kind en een hond zware, uiterst ongeschikte pillen aan. Hij verricht /*hij */zelfs een punctie met een besnijdenismesje bij een moeizaam barende vrouw, waardoor de vrucht dood ter wereld komt. Zijn bedoelingen zijn goed, maar zijn megalomanie is immens. */Hij vergelijkt Hij vergelijkt /*hij */zich met Mozes als het hem lukt de turfstekers met hun gezinnen als landverhuizers naar het beloofde land Amerika te verschepen. Als personage lijkt hij een tweelingbroer van Meneer Homais, de Voltaire-lezende pharmacien uit Flauberts Madame Bovary.
Anijs' Amsterdamse neef Walter Vedder is even hoogmoedig. Net als Anijs is hij selfmade en ongediplomeerd, van schrijnwerker is hij opgeklommen tot vioolbouwer. Ook hij waant zich een man van de wereld, en tegelijk voelt hij zich niet erkend door zijn medemensen. Reden waarom hij halsstarrig de onderhandelingen saboteert met de firma die het Victoria Hotel wil bouwen op de plaats waar onder andere zijn zeventiende-eeuwse huisje staat. De zaakgelastigde van die onderneming komt met een genereus bod: twintigduizend gulden, terwijl de feitelijke waarde van het pand vijfduizend gulden bedraagt. Vedder blijft echter vijftigduizend gulden vragen, een onmogelijke prijs. Hij ziet zijn gebrek aan flexibiliteit als ,,onderhandelingen'' en het nee van de tegenpartij als ,,spel''. Tragisch daarbij is dat hij ook de onderhandelingen voert voor zijn naaste buren, twee simpele Elsschot-achtige oudjes die blind op hem varen en net als hij uiteindelijk met lege handen eindigen. Het been (!) van de met haar gezondheid sukkelende buurvrouw wordt zelfs afgezet. Die financiële machinaties zijn huiveringwekkend eigentijds voor wie al getekend heeft voor een nieuw huis, maar zijn oude woning nog in recordtijd moet zien te verkopen.
Rosenboom benoemt het gedrag van de twee neven als ,,jongensachtig''. Ze interpreteren de tekens van de buitenwereld voortdurend verkeerd, lijden onder hun kinderloosheid ten gevolge van onvruchtbaarheid. ,,Ach, geen kinderen...! Hoe vaak gebeurt dat niet, dat juist de mensen met het ruimste hart de kinderzegen ontzegd blijft?'' Vedder droomt zelfs van een gezinsverband. Als hij in gesprek raakt met een weduwe en haar zoontje, nemen zijn gedachten meteen de volle vlucht: ,,Alles was zo veranderd, en zo plotseling en volledig, hij was zelf ook veranderd. De late zon op zijn gezicht: zo rustig! De tijd: veel later... De hand van de weduwe op zijn onderarm: zo licht bevond hij zich, het was alsof hij danste, en daarbij, terwijl het pad tussen de paarden aan de repels door hem wel een wandellaan toescheen, voelde hij niet alleen de jonge moeder aan zijn arm, maar ook het kind dat zij aan haar andere arm meevoerde. Het was een immens, mannelijk gaan, en vol eerbied, geheel vanzelfsprekend weken de mensen uiteen: hij was een gezin geworden.''
Ze bemoeien zich, op de drempel van de vooruitgang, met zaken die boven hun macht liggen, grote publieke werken als het hogere zakendoen, de bestrijding van armoede en ziektes. Daar blijken ze niet geschikt voor, maar toch zijn ze door die jongensachtigheid in staat tot grootse dingen. Die armoedige landverhuizers komen ter bestemming aan en zijn Anijs en Vedder eeuwig dankbaar. Vedder komt er zelf beroerd van af: het Victoria Hotel bouwt gewoon om z'n huisje en dat van zijn bejaarde buren heen, hij krijgt geen geld, terwijl hij al een garantie van vijftigduizend gulden heeft gedaan om de overtocht van de turfstekers naar Amerika te bekostigen. Net op tijd sterft hij. Anijs belandt in het ziekenhuis, zijn vrouw loopt van hem weg, hij is door de medische tuchtraad ontheven van de apothekerij, maar aan het eind van de roman lacht het amoureuze geluk hem toe.
Rosenboom blijft, zeker na de dood van W.F. Hermans, de gemeenste schrijver die ik ken in het Nederlandse taalgebied. Wat hij zijn personages aandoet, hoe hij ze laat rondwentelen in hun eigen beperktheden, hoe hij ze ziende blind naar de ondergang voert en menselijker dan menselijk toont, is ronduit duivels. Lezing van zijn achteloos superieure roman dwingt tot een schielijke blik in de eigen psyche en een bekentenis: ik heb genoten.
THOMAS ROSENBOOM, Publieke werken, Querido, Amsterdam, 488 blz., 950 fr.