|
Trouw, 1 maart 2003 |
|
|
|
|
|
Een zeeschip wegzakkend in een weiland |
|
|
|
|
|
T.
van Deel |
|
|
|
|
|
Van
zijn fameuze roman 'Publieke werken' is de kiemcel bekend. Thomas Rosenboom
heeft er nooit geheimzinnig over gedaan dat de twee door het Amsterdamse
Grand Hotel Victoria ingesloten zeventiende-eeuwse huisjes zijn verbeelding
hebben aangewakkerd. Waarom staan ze daar nog, hoe hebben ze een bres kunnen
slaan in de onstuitbare verrijzenis van het reusachtige hotel? Ze zijn het symbool
van een of andere tegenkracht, van een ideaal wellicht, of mogelijk ook van
een debacle. De roman die
is ontsproten aan dit beeld van onverzettelijkheid, en van nog veel meer, is
de vertellende uitwerking ervan. Om die te kunnen geven moet er heel wat
voorwerk worden verricht, er moeten mensen bedacht worden die iets nastreven,
hun omstandigheden moeten vorm krijgen, in boeken of archieven moet van alles
worden nageplozen. Als je, zoals Rosenboom heeft gedaan, een personage
vioolbouwer laat zijn, dan zul je ook moeten weten hoe de vioolbouw of
-reparatie in z'n werk gaat. Het documenteren, in de ruimste zin van het
woord, behoort tot de essentiële aspecten van het schrijven: wie niet weet,
niet goed weet waarover hij gaat schrijven, kan niet schrijven. Rosenboom
weet het altijd en daar hebben we tientallen, magnifieke bladzijden vioolbouw
aan te danken. Ik moest bij
het lezen van Rosenbooms nieuwste roman, 'De nieuwe man', een wat matte
titel, denken aan de kunst van het verwerken van documentatie in een verhaal.
Het is niet gemakkelijk om alles wat je te weten bent gekomen op het gebied
van vioolbouw op een aannemelijke, natuurlijke manier in een verhaal onder te
brengen. Het wordt gauw zoiets als het etaleren van kennis. Bij Rosenboom is
daarvan niets te merken, hij staat boven zijn nieuwverworven stof en neemt
die, met jargon en al, volkomen vanzelfsprekend op in zijn altijd
weloverwogen stijl. 'De nieuwe
man' heeft als decor, situering of kiemcel een scheepswerf aan het
Damsterdiep in Groningen in 1920. De eerste twee hoofdstukken beschrijven de
nog florissante tijd, acht jaar daarvoor, als er nog genoeg werk is en
directeur Bepol, de hoofdpersoon, een grote groep arbeiders in dienst heeft.
Maar tegen de zomer van 1920 kelderen de vrachtprijzen en komt er de klad in
de scheepsbouw. Het Damsterdiep is bovendien al enige tijd uit de gratie,
vanwege het nieuwe Eemskanaal dat Groningen direct met Delfzijl verbindt.
Alle vooruitzichten voor de zestigjarige Berend Bepol zijn dus slecht. De manier
waarop Rosenboom de lezer invoert in de wereld, de bedrijfs- en ideeënwereld
van zijn hoofdfiguur is magistraal. De schrijver beheerst de wereld die hij
wil uitbeelden; hij heeft alles wat hij over scheepsbouw, economische
ontwikkelingen, arbeidssituaties, politieke omstandigheden, heeft gelezen
zich ook werkelijk zodanig eigen gemaakt, dat hij ermee schrijven en wij
ermee lezen kunnen. ,,Het was een prachtig, strak naar bestek gebouwd schip
geworden, volgens de strenge deugdelijkheidseisen van classificatiebureau
Veritas, met een zachte zeeg en een heerlijk geveegd achterschip, op kiel
gebouwd zodat volzee zonder zwaarden kon worden gezeild.'' Niet iedereen zal
de scheepstermen kennen, het woordenboek moet er mogelijk aan te pas komen,
maar het is ongetwijfeld de taal van scheepsbouwer Bepol, door wiens ogen we
het schip, en vrijwel alles in deze roman, bekijken. In zijn
Groningse lezingen over het schrijven, vorig jaar gebundeld onder de titel
'Aanvallend spel' en druk bediscussieerd in deze krant, benadrukt Rosenboom
het belang van documentatie. Pas wie zich goed documenteert en daarbij ook te
rade gaat bij eigen ervaring en observatie, is in staat een geloofwaardige
realiteit uit te beelden. 'De nieuwe man' voldoet perfect aan dit criterium.
Trouwens ook aan de eis dat de hoofdpersoon iemand moet zijn die voor een
probleem komt te staan en ernaar streeft dat op te lossen, maar in de
slotfase van dit streven zijn doel voorbijschiet, krachten oproept die hij
niet kan beheersen en die zijn ondergang betekenen. Berend Bepol,
de romanfiguur die het boek domineert, heeft in de aanvang, als hij zijn
werkzame en goeddoende leven overziet, nog maar twee 'bedrijven' zoals hij ze
noemt (hij is dol op beeldspraak) voor de boeg op 's levens schouwtoneel: het
huwelijk van zijn dochter Ilse en zijn eigen opvolging. In een flits van
hoger inzicht, maar in feite de kiem van het drama dat zich noodwendig gaat
ontwikkelen, combineert hij die twee bedrijven en regelt hij het huwelijk van
zijn dochter met de meesterknecht Niesten, een stugge, ondoorgrondelijke man
van dertig, die al jong als weeskind bij hem werkzaam was. Vanaf dat ogenblik
draait alles om deze twee mannen, de oude en de nieuwe man, de ervaren
directeur die over niets liever mijmert dan over de toekomst, en de zwijgzame,
beoogde opvolger, die zucht onder de weliswaar goedbedoelde, maar drukkende
bemoeizucht van Bepol. Net als in
'Publieke werken' heeft in 'De nieuwe man' het hoofdpersonage een plotseling
streven dat hem geheel en al in beslag neemt. Bepol, op zijn zestigste,
realiseert zich dat hij een leven achter de rug heeft waarin het hem voor de
wind is gegaan, hij heeft nooit tegenslag gekend, maar hij heeft ook nooit
werkelijk 'iets gedaan, behalve kijken naar de dingen die vanzelf gingen,
waardoor hijzelf nog minder hoefde te doen'. Dan komt hij tot het inzicht dat
er een verandering nodig is die ook op de werf een verandering betekent. Heel
ironisch laat Rosenboom hier direct op volgen dat die verandering zich
vrijwel meteen voordeed in de vorm van een recessie in de scheepsbouw. Op het
ogenblik dat Bepol zijn dochter uithuwelijkt aan zijn knecht Niesten en
daarmee een opvolging regelt, althans toezegt, in de bedrijfsvoering, ligt de
scheepsbouw vrijwel stil. Hij houdt zijn arbeiders aanvankelijk aan, want er
moet een huis voor het nieuwe stel gebouwd worden, pal tegenover het zijne,
maar daarna kan hij ze eigenlijk niet meer gebruiken. Er ontspint
zich tussen Bepol en Niesten een soort koningsdrama wanneer de laatste, door
Bepol ertoe aangezet om in Duitsland werk voor de werf te zoeken, terugkomt
met een prachtige, maar ongebruikelijke opdracht, namelijk het bouwen van een
motorzeesleepboot. Bepol heeft dan net een paar baggerschuiten op de helling,
uit nood geboren, en hij weigert de hellingen ter beschikking te stellen van
het nieuwe project. In feite wenst hij niet opzij te gaan voor zijn opvolger
of misgunt hij hem zijn succes. Dan gaat Niesten zijn sleepboot gewoon bouwen
in de nabijgelegen paardenwei, vlak aan het Damsterdiep. Daarmee hebben
beiden hun lot bezegeld, al had het misschien nog voorkomen kunnen worden als
Bepol niet had aangedrongen behalve de aanbouw ook de afbouw, met motor en
al, te mogen verzorgen. Het is voor
iedereen die deze fenomenale roman leest, overduidelijk dat dit tonnenzware
zeeschip in het weiland, op een zeker moment al enigszins met zijn achterkant
in de grond verzakt, met geen mogelijkheid tewatergelaten kan worden. De twee
mannen, de oude en de nieuwe, hebben hun krachten overschat, ze hebben de
klassieke hybris, de overmoed, vertoond die voor de val moet komen. Hoe zich
hun val voltrekt is, zoals alles in de roman, een heel ander verhaal, dat
zich niet laat samenvatten, maar alleen gelezen kan worden in de woorden van
Rosenboom. Hij is een
doorgewinterde ambachtsman, die hoofdstuk na hoofdstuk de spanning opbouwt,
in mooie, vaak listig uitgerekte scènes, een werkwijze die aan schilderen
doet denken. De hoofdpersoon, Bepol, is wel een grage en bloemrijke prater,
maar hij is vooral een kijker, een loerder, een voyeur, en veel beschrijvingen
in het boek bevatten datgene wat hij waarneemt. De huizen van de twee
antagonisten, Bepol en Niesten, staan tegenover elkaar zoals zij zelf
tegenover elkaar staan. In zijn
lezingen over het schrijven maakt Rosenboom ook gewag van de mogelijkheid om
het realisme van het verhaal wat te verdraaien door middel van overdrijving
of contrastwerking. Die beide zijn volop gegeven met de twee tegenspelers,
maar ze worden ook uitgebuit met behulp van anderen of door het taalgebruik,
dat niet alleen heel zorgvuldig is, maar ook een neiging tot wijdlopigheid en
detaillering heeft die volkomen past bij de ironische distantie die de
verteller blijkens zijn toon in acht neemt. Misschien is
'De nieuwe man' compositorisch wel aantrekkelijker nog dan 'Publieke werken'.
In die laatste roman wisselden twee verhaallijnen elkaar af die pas op het
laatst bij elkaar kwamen. De nieuwste roman heeft maar één verhaallijn,
natuurlijk met de nodige zijlijnen, en moet de spanning dus helemaal in
zichzelf opbouwen. Het razendknappe is dat ook de zekerheid van de totale
mislukking van deze scheepsbouw bij de lezer het spanningsgevoel absoluut
niet vermindert. Dat kan niet anders dan aan Rosenbooms stijl en opzet
liggen. De beeldende
kracht van zijn manier van vertellen is groot. Toen ik de roman uit had en ik
hem in mijn geest nog eens wilde overzien of doornemen, sprongen er talloze
tableaux naar voren. Ik zag de stenenvergruizers bezig in hun armzalige
keten. Ik zag de overkant van het Damsterdiep met de mensen die naar het van
stapel lopen van een nieuw schip komen kijken. Ik zag de muziekkapel
uitrukken ter feestelijke ondersteuning. Ik zag Niesten het kantoor van Bepol
binnenkomen en om loonsverhoging vragen. Ik zag, en hoorde, de hamerslagen en
de werkers op de werf. Ik zag de roerende inwijding van een bank, een
toekomstgericht gebaar van Bepol, die met deze bank het toerisme denkt te
bevorderen. Ik zag de arme Ilse en haar moeder Agaath, ik zag alles, ook het
afgebouwde, nooit het water bereikte schip daar kolossaal in het weiland
liggen. Dat laatste beeld moet wel de kiemcel zijn geweest van deze roman, al
weet ik niet of het op werkelijkheid berust, zoals de huisjes in het
Victoria-hotel, of op verbeelding. Het doet er
ook niet toe: in de roman zijn alle opgenomen elementen in een pakkende
samenhang gebracht die zijn uitwerking niet mist. Een meesterwerk, niet
minder dan dat. |
|