Leve de boodschapkunst van Lydia Rood

Door Pjotr van Lenteren

 

Lydia Rood
De ogen van de condor
uitgever: Leopold
prijs: € 13,95
206 pagina's
isbn: 9 0258 4984 9

Vanaf 11 jaar. Omslagillustratie Martijn van der Linden.

 

Kunst in opdracht, niet iedereen is er vies van.

Lydia Rood logeerde vorig jaar op verzoek van Stichting Vluchteling een maand tussen ontheemde Colombiaanse jongeren en tekende hun ontwrichte levens op. Het resultaat, De ogen van de condor, is een met veel vaart verteld avonturenboek waar kinderen van kunnen schrikken én leren.

Gek genoeg levert dit soort boodschappenkunst onder kinderboekendeskundigen helemaal geen discussie op. Dat was wel even anders toen Karel Glastra van Loon kort voor zijn dood dezelfde opdracht van Stichting Vluchteling kreeg. Critici schreeuwden moord en brand, omdat de schrijver zich De onzichtbaren bereid had gevonden om iets erg te vinden op bestelling.

In de jeugdliteratuur niets van dat, hoewel de reputatie van de sociale jeugdroman ook wel eens beter is geweest. In de zestiger jaren werd een auteur als Miep Diekmann met haar verhalen over de ellende van arme mensen in andere landen nog bewierookt. Maar sindsdien zijn de topschrijvers zich met andere zaken bezig gaan houden en leiden wereldverbeteraarsboeken een stil bestaan op de achtergrond.

Niet helemaal onterecht, want ze zijn meestal van zo’n bedroevende kwaliteit dat ze het beschrijven niet waard zijn. Peter Hoogenboom wijdt bijvoorbeeld een hele serie aan misstanden in de wereld, die in kneuterig opstelproza op een volstrekt ongeloofwaardige manier worden opgelost. Best lollig, maar nauwelijks serieus te nemen. Zijn laatste is net uit en heet Hete loempia’s, vreemde weeshuizen en een Thaise tweeling. Niemand betwist hoe erg kinderprostitutie is, maar zo moet het dus niet.

Hoe dan wel? Vraag het aan Lydia Rood. Zij laat al een oeuvre lang zien dat belangstelling voor onrecht geen gekwezel op hoeft te leveren. Haar sociale romans maken wereldleed behapbaar voor kinderen en jongeren zonder verzeild te raken in Suske en Wiske-versimpelingen en Kinderen voor Kinderen-romantiek.

En dat hoeft niet eens zo ingewikkeld te zijn. Haar nieuwe jeugdroman De ogen van de condor is in de eerste plaats een spannend verhaal. Ramiro en Miguel wonen in het bergdorpje San Isodoro. Het boerenleven is er dodelijk saai; tot de paramilitairen de vader van Miguel komen vermoorden met een motorzaag.

Ze nemen ook Miguels vijftienjarige zusje mee en Ramiro, die heimelijk verliefd op haar is, besluit haar te gaan bevrijden. In zijn zoektocht raakt hij verstrikt in het onoverzichtelijke geweld van Colombia. Guerrilla? Paramilitairen? Overheidsleger? Kindsoldaten zijn voor een warme maaltijd bereid geen vragen te stellen over het uniform dat ze aanhebben.

Een verhaal vertellen is iets wat je gerust aan Rood over kunt laten. Elk hoofdstuk heeft een cliffhanger, de details zijn beeldend en precies en haar personages zijn de lezer na één regel al dierbaar. Zoals de oma van Ramiro, een Spaanse die zo stom was een Colombiaan te trouwen en maar blijft mopperen over de sliert kinderen die ze baarde, ‘al die navelstrengen’ die haar aan ‘dit klotenland’ verbinden. Raak plastisch taalgebruik is wat Roods proza tot het lekkerste van de Nederlandse jeugdliteratuur maakt.

Jammer is dat ze een nieuw manuscript soms iets te snel te vondeling legt op de stoep van de uitgever, voor ze op haar motor naar een volgend avontuur scheurt. De ogen van de condor kan de vergelijking met bijvoorbeeld haar briljante maar nauwelijks opgemerkte Brief uit Hollanda (Leopold, 2004) niet aan.

Dat boek schreef ze samen met haar man Mohammed Sahli. Het gaat over twee Marokkaanse kinderen van een gastarbeider. De zoon ontspoort door afwezigheid van de vader, die beloofd heeft snel met veel geld en een Mercedes terug te komen, maar jaren lang wegblijft. Langzaam en subtiel wordt duidelijk dat het grote geld misschien wel nooit gaat komen.

In De ogen van de condor staan zwakke zinnen als ‘nou, dat trok ik op den duur niet meer’ of ‘alleen jammer dat er geen moer te eten was’. En met clichés als ‘hoe lang geleden leek het al weer niet dat ze…’ blijft ze soms in vertelkunstjes hangen. Jammer, want Roods kracht zit niet in de literaire vorm, maar wat ze te melden heeft. Ze had zich meer mogen concentreren op de ironie en het vertellen tussen de regels, wat ze in haar beste boeken zo knap doet. Dan maar niet op tijd klaar voor Wereldvluchtelingendag!

Maar de enige échte misser is de foeilelijke vormgeving. Martijn van der Linden presteerde ver onder zijn gebruikelijke niveau met levenloze bruine stripfiguren die kinderen moeten voorstellen. En zo’n zogenaamd handgeschreven lettertype uit de letterbak van de computer kán gewoon niet. Een auteur als Lydia Rood verdient beter. Zelfs als het een keer niet haar allerbeste boek is.

Toch is De ogen van de condor, die paar mitsen en maren daargelaten, dusdanig meeslepend dat het doet verlangen naar méér van dit soort betrokken jeugdliteratuur. Het wordt tijd dat de geëngageerde journalist-schrijver, die naar de andere kant van de wereld gaat om ons te vertellen hoe het daar écht is, zijn verloren waardering terugkrijgt. En of dat dan grote of kleine kunst oplevert, wie maalt daar nou om?

 

 

Hosted by www.Geocities.ws

1