
Het Boek Van Violet En Dood is niet de definitieve roman
van Gerard Reve
![]()
Een
gehavende matroos op de boot naar Stavoren
![]()
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]()
Reinjan
Mulder
NRC
Handelsblad
1Maart 1996
Het Boek
Van Violet En Dood, het nieuwe boek van Gerard Reve dat deze week verschijnt, is niet het lang verwachte
'Boek Van Het Violet En De Dood'. Na een paar bladzijden hoeft niemand daar nog
op te hopen. Het mythische boek dat Gerard Reve nu al meer dan dertig jaar aankondigt en dat alle
andere boeken (behalve de Bijbel) 'overbodig' zou moeten maken, moet nog altijd
geschreven worden - en zal dus wel nooit meer worden geschreven. Toch is er
genoeg reden tot tevredenheid. Het Boek Van Violet En Dood, zoals dat nu is
uitgekomen, is niets meer, maar ook niets minder dan een nieuwe aflevering in
de reeks semi-klassieke, semi-autobiografische romans die Reve
sinds het midden van de jaren zeventig heeft geschreven. En in die reeks, die
begon met Een Circusjongen (1975) en tot nu toe doorliep tot Bezorgde Ouders
(1988), is het zeker niet de slechtste aflevering. Wie nog op een geheel nieuwe
fase in Reve's nu vijftigjarige schrijverschap zit te
wachten, zal weer teleurgesteld zijn. Maar Het Boek is wel één van Reves meer onderhoudende romans van de laatste jaren. Het
heeft een eigen thematiek, het bevat honderden komische tot zeer komische
verwikkelingen, en het heeft een toon en een stijl die, op zijn minst, de
aandacht trekt.
Reve zelf zal wel weer de laatste zijn om van een
vernieuwing te spreken. In Het Boek laat hij de verteller nog eens uitvallen
naar al die schrijvers die 'van alles verzinnen en God weet wat voor onzin
opschrijven in de hoop de recensenten te behagen'. Voor Reve
is verandering nergens goed voor: 'alles wat nieuw en origineel is, is slecht
en waardeloos'. Maar dat blijkt niet meer te zijn dan een frase, een cliché
zonder veel inhoud dat de schijnheilige, quasi-bescheiden retoriek van de
schrijver moet ondersteunen. Want Reve blijkt nog
altijd één van de meer beweeglijke geesten van zijn generatie te zijn. Er komt
in zijn boek natuurlijk veel voor wat we al uit eerder werk kennen. Ontelbaar
zijn de verwijzingen naar de schijnbare willekeur in het leven en de wanhoop
waarmee de schrijver aan het werk gaat, er wordt weer een groot register van
stijlen bespeeld, en er wordt weer flink afgegeven op intellectuelen en
cultuurdragers die wat zekerder van hun zaak zijn dan de wankelmoedige ik-figuur.
Maar binnen
dat patroon is er toch wat nieuws te beleven. Net als sommige eerdere romans
van Reve is Het Boek opgezet als een raamvertelling.
Het overkoepelende verhaal heeft weinig om het lijf. In de
woorden van de proloog: 'ik zie iemand, ik zie die iemand nog één of twee keer,
en daarna verdwijnt hij op tragische wijze.' De handeling zit eerder in
de in elkaar overlopende herinneringen van de verteller. Terwijl het boek een
periode van enkele dagen bestrijkt, de tijd voordat de 27-jarige, bij een
ongeluk omgekomen buurjongen van de verteller begraven wordt, gaat de verteller
zelf in zijn verbeelding na wat hij nog voor de jongen had kunnen betekenen.
Hij fantaseert over hun ontmoetingen en herinnert zich, half mystificerend,
enkele jongens uit zijn omgeving die eveneens vroegtijdig en tragisch aan hun
einde kwamen.
Dat is, in
deze vorm, een nieuw element binnen het werk van Reve.
Hij laat zijn verteller het verhaal opdissen van zijn vrijmoedige geliefde Alain uit Parijs, hij herinnert het verlegen opgroeiende
zoontje van een vriendin uit Friesland, en een gehavende matroos op de boot
naar Stavoren.
Een tweede
thema, dat nog nooit in deze vorm werd uitgewerkt, is het onbegrip waar
katholieken volgens Reve in deze tijd op stuiten.
Sinds de schrijver in 1966 toetrad tot de rooms-katholieke kerk is hij, volgens
het boek ten minste, eigenlijk nooit meer helemaal
serieus genomen. In een aantal sprekende fragmenten die aan dit onrecht zijn
gewijd, maakt Reve duidelijk dat iemand die zich in
deze tijd tot het katholicisme bekeert, het risico loopt volledig alleen te
zullen staan.
Ik moet
zeggen dat deze stelling mij niet geheel onzinnig
voorkomt. De groteske humor waarmee Reve vaak over
zijn geloof heeft geschreven is misschien voornamelijk door overmacht
ingegeven. Hoe anders kun je in deze tijd nog over geloof spreken, dan in
absurde en komische termen?
De scènes
en wilde uitvallen die Reve's vermeende uitstoting
uit de Nederlandse cultuur illustreren behoren tot de hoogtepunten uit Het
Boek. Reve beschrijft bijvoorbeeld hoe zijn ik-figuur als schuchtere redactiesecretaris van het
tijdschrift Tirade in 1967 op een redactievergadering ten overstaan van twaalf inquisitoren verantwoording moest afleggen over zijn
vrijwillige bekering. Volgens de romanschrijver Henk M.(eijer?)
'die wel degelijk lezen en schrijven kon' zou Reve's
stap tot gevolg hebben dat hij voortaan door de Kerk 'in de gaten' zou worden
gehouden.
Nog
ergerlijker vindt de verteller het gedrag van de medewerkers die op het
kritieke moment helemaal niets te zeggen hebben. Ook zij krijgen er in het boek
ongenadig van langs, de volgens Reve naar dood
stinkende 'zenuwlijder' Aad Nuis,
de 'speekselkundige' fluisteraar Remco Campert en de 'laffe, stiekeme lasteraar en konkelaar' Kees Fens.
Vergeleken
met Reve's laatste roman Bezorgde ouders uit 1988 is
Het Boek tamelijk luchtig. Liet Reve zijn
hoofdpersoon in zijn vorige roman misschien wat al te vaak tot een irritant kortzichtig en gestoord geraaskal over buitenlanders en
steuntrekkers vervallen, in Het Boek vertoont hij aanzienlijk minder
pathologische trekken. De verteller laat weliswaar ongevraagd weten dat hij
geheel achter de held uit 'het boek over die Bezorgde Ouders' staat, maar de
fascistoïde demonen hebben hem nu, Goddank, veel minder in hun macht. Reve lijkt in dit opzicht sinds 1988 relativerender
geworden, en meer ontspannen.
De
keerzijde van deze verandering is dat Reve sinds zijn
vorige roman ook wat losser is gaan schrijven. De toon is oubolliger
geworden en de stijl is hier en daar chaotischer. In Het Boek lijkt Reve nog weer een stap verder te gaan in de richting van
het oeverloze gezwam 'dat nergens goed voor is'.
Dat pakt,
wat mij betreft, niet altijd even goed uit. Had zijn 'geoudehoer'
vroeger nog altijd een duidelijke stilering die in niet geringe mate bijdroeg
aan de spanning van het boek, nu ontaardt het soms in kleurloos geneuzel zonder
meer. Het Boek is soms bladzijden lang gevuld met opeenstapelingen van lange,
kluchtige, op zichzelf staande zinnen die als zodanig wel leuk zijn maar
verder, het moet maar gezegd, tot niets leiden.
Daar komt
nog bij dat Reve's zinnen steeds vaker dezelfde,
lelijke structuur hebben: twee of drie schijnbaar losstaande mededelingen die
argeloos door de voegwoordjes 'maar', 'want' en 'terwijl' aan elkaar worden
geplakt, zonder dat de zin de kans krijgt om sprankelend te worden.
Het enige
wat op dergelijke bladzijden voor kleur zorgt is dat
er soms rechtstreeks een mysterieuze lezer wordt toegesproken. Van tijd tot
tijd komt er een niet nader benoemde 'U' in de tekst voor, van wie we alleen
maar horen dat hij een man op leeftijd is, een intellectueel, belezen,
brildragend, neigend naar pedofilie, en zeergeleerd.
Misschien
had Reve tijdens het afwerken van zijn boek wat
strenger voor zichzelf moeten zijn. In Het Boek staan beslist weer een aantal
prachtige, al dan niet gefantaseerde fragmenten waarmee Reve
voortbouwt aan zijn in Op weg naar Einde en Nader tot U begonnen
privé-mythologie, een beschrijving bijvoorbeeld van zijn tocht als 'jongste
held van het verzet' naar een in Friesland onderdoken vriend. Maar dat soort
stukken was beter tot zijn recht gekomen in een tot het uiterste geperfectioneerde
opbouw en omlijsting. Er zullen nog altijd niet veel schrijvers zijn die
vijftig jaar na hun debuut een boek weten te schrijven dat je zoveel
verrassingen en plezier bezorgt als Het Boek Van Violet En Dood, maar met iets
meer inspanning en aandacht was het een echt, definitief boek geworden.