NRC Handelsblad, 28 december 2001

 

 

Rel trappen, mop tappen

Gerard Reve: Verzameld Werk, deel 6. L.J. Veen, 768 blz. fl.79,70

Gerard Reve: De Avonden. Facsimile-uitgave van het manuscript en typoscript. De Bezige Bij, 548 blz. fl.75,-

Wilfred Takken

 

Doorgewinterde Revianen lezen in deze donkere dagen, net als ieder jaar, De Avonden. Morgen beginnen ze aan hoofdstuk acht, dat de lotgevallen van Frits van Egters op 29 december 1946 beschrijft. Frits gaat op bezoek bij Bep Spanjaard, die haar blote been aan hem toont (`Niet gek, dacht Frits, donker, bloedrijk vlees') en hem een speelgoedkonijn te leen geeft. Ook vertelt ze van een bezoek aan een alternatieve genezer. Frits zegt: `Voor een tientje ben je van alles af. Hij knijpt in je reet en de kanker vliegt er aan de andere kant uit. Opzij! Triomf der wetenschap.'

`Hé, dat staat er niet', denkt de doorgewinterde Reviaan, en hij begint door zijn stukgelezen exemplaar te bladeren. Inderdaad, het wat grovere citaat komt niet uit de roman zelf, maar uit het manuscript van De Avonden dat onlangs in een facsimile-uitgave uitkwam, in een luxe editie van duizend gulden, en een volkseditie met slappe kaft van 75 gulden. Deze bevat verschillende handgeschreven versies van ieder hoofdstuk, met het typoscript.

Eigenlijk is het meer een hebbeding dan een leesboek want het handschrift van de jonge Reve is praktisch onleesbaar. Het interessantste zijn de aantekeningen van bezorger Marjo Eijgenraam die de aardigste verschillen tussen handschrift en typoscript opsomt.

De belangrijkste wijziging is die aan het begin van het boek. De eerste zin luidde aanvankelijk: ,,Als het in ons vaderland winter wordt, ontkomt zelfs onze goede stad, waarin het een voorrecht is geboren te zijn, niet aan mist, duisternis en vochtige koude.' Dan volgt anderhalve pagina sfeer- en weerbeschrijving van Amsterdam, alvorens Reve zijn held Frits van Egters laat ontwaken. Alsof de onzekere debutant lang aarzelt alvorens te beginnen. Het schijnt dat broer Karel hem aanraadde om deze wat suffe passage te schrappen en meteen ter zake te komen.

Tegelijk met het manuscript verscheen het zesde en laatste deel van het Verzameld Werk. Het bevat 144 publicaties: verhalen, toespraken, dronkemanspoëzie, beschouwingen en journalistiek werk. Van een kinderopstel uit 1932 tot een gelegenheidsboekje voor De Bijenkorf uit 1995.

Sommige teksten hebben vooral curiositeitswaarde, zoals `De geschiedenis van Kraka de spreeuw', dat Reve schreef toen hij tien jaar was. Andere behoren tot zijn beste werk, zoals `Drie woorden' (1980), een herinnering aan Jan de Hartog. Reve ontmoet De Hartog vlak na de oorlog en komt met hem in een gaarkeuken terecht. Een oude, gebrekkige man krijgt zijn bord soep in een zinken teil opgediend, om te voorkomen dat hij morst. De Hartog kijkt roerloos naar het tafereel en mompelt: ,,Dat is God.'

Vaste bezorger Nop Maas heeft zich na ruzie teruggetrokken, en dat is te merken; de aantekeningen bij de teksten zijn slordig en onvolledig, te summier is aangegeven waar de teksten werden gepubliceerd. Dat is jammer want los werk heeft context nodig, die eerder wél uitgebreid werd gegeven in de twee delen Archief Reve waaruit de meeste teksten afkomstig zijn.

Vrijwel alles werd eerder gebundeld, in onder meer Een Eigen Huis, Schoon Schip, en Zondagmorgen Zonder Zorgen. Twee teksten verschenen nog niet eerder in boekvorm: `Brief uit Huize Algra' (lange versie, 1964) en het zelfinterview `Ik heb niet voor niets geschreven' (1985). Verder staan er drie bijdragen in die alleen als bibliofiele uitgave verschenen: `Broer Wolf Zijn Kamer' (1975), `Geen intellectuelenpoëzie' (over dichter Gerard den Brabander, 1985), en `Zalig Pasen'. Het laatste verhaal is een geschrapt hoofdstuk uit Moeder en Zoon (1980), waarin Reve een gesprek voert met Maria, die zich keert tegen het gebruik van huishoudelijke apparaten als wasmachines. Ze babbelt met Reve over de handwas, koffie zetten en haar Onbevlekte Ontvangenis, die ze tot verbijstering van Reve bekent gesimuleerd te hebben.

Het mooie aan dit boek is dat je Reve door de jaren heen aan het werk ziet. Hij begint in de jaren veertig als bange jongeling met het bezweren van de grauwe wereld door deze zo exact mogelijk vast te leggen. In de jaren vijftig is Reve vruchteloos zoekende naar nieuwe vormen en genres; hij schrijft in het Engels, houdt zich bezig met theater en korte verhalen. In de reisbrieven die hij begin jaren zestig schreef voor tijdschrift Tirade zie je hoe hij aanvankelijk nog vastzit aan een afstandelijke, journalistieke stijl. Maar gaandeweg groeit de persoonlijke stijl met ontboezemingen over seks, drank, dood en God.

Uit dit boek blijkt weer eens hoe rijk en veelzijdig Reve's werk is. Hij toont zich een fanatiek essayist, toneelrecensent, moppentapper, relletjestrapper, en ingezonden-brievenschrijver. Opvallend is hoe vlekkeloos en onderhoudend hij altijd schrijft, zelfs in de mindere teksten. Welk genre hij ook beoefent, Reve's brille, humor en strikt eigen stijl schijnen overal doorheen. Daarmee is deze bonte bundel een waardige afsluiting van zijn oeuvre.

 

Hosted by www.Geocities.ws

1