Schrijver Reve, Gerard

Titel Op weg naar het einde

Jaar van uitgave 1963

Bron De Groene Amsterdammer

Publicatiedatum 15-02-1964

Recensent Gerdy Pendal

Recensietitel G.K. van het Reve en de kerkgang

In tegenstelling tot de anti-revolutionaire senator Algra laat het studentenblad van de Vrije Universiteit zich zeer lovend uit over G.K. van het Reve. Dit naar aanleiding van zijn jongste boek "Op weg naar het einde", te onzent reeds besproken door C.J. Kelk in het nummer van 4 januari. In "Pharetra" geeft Koosje Koster de heer Gerard Kornelis de naam Revius mee. Zij vindt het overigens niet nodig de aldus gesuggereerde overeenkomst met de grote 17de-eeuwse dichter nader toe te lichten en we zullen deze dus maar in het vage omschrijven als: Revius een religieus mens - Van het Reve óók een religieus mens. Ik zeg: mens, Koosje Koster zegt: "In deze brieven betoont Van het Reve zich een gelovig christen en homoseksueel." Evenveel zin heeft het om, bijvoorbeeld in een getuigschrift, te spreken over "een uitstekend boekhouder en roodharig". Aangezien we langzamerhand worden doodgegooid met gezeur over hetro, homo-, [email protected] bi-, enz. -seksueel, zou ik willen voorstellen het hele woord seksualiteit met al zijn vegetaties af te schaffen. Opdat de zaak, waar die woorden voor heten te staan, ophoude met een schreeuwerig dictatortje tegenover ons te zijn en weer eenvoudig een deel van onszelf worde. Zodat G.K. van het Reve (eventueel) een gelovig christen kan zijn, tout court. Maar n-fisschien zit de moeilijkheid hem daarin dat je bij het woord "boekhouder" tenminste weet wat bedoeld [email protected] terwijl de term "gelovig christen" talloze vraagtekens oproept Die combinatie "gelovig christen en homoseksueel" geeft te denken: is een christen dan soms geen mens, compleet met zijn geslachtelijkheid en al? Is het niet merkwaardig, dat juist door iemand uit gereformeerde kring een onderscheiding wordt gemaakt? Wel, dit is een iásselijke insinuatie. Gereformeerden zijn ook maar kinderen van hun tijd. De vraag, die ik u wil voorleggen luidt: is G.K. van het Reve een "kind van zijn tijd", of beleeft hij de wereld inderdaad meer in de trant van wijlen Revius? Als tekst voor mijn meditatie kies ik nu een gedeelte uit de "Brief uit Amsterdam":

"Bij een protestantse dienst word ik dol van verveling, krijg ik een droge keel en overvallen mij lichte duizelingen, terwijl ik daarentegen van een katholieke mis, tenminste als hij niet te idioot lang is uitgesmeerd, heel aardig opkikker, en seksueel weldadig geprikkeld word. Ziehier weer een van de met religie, althans voor mij, onlosmakelijk verbonden onderwerpen, waarover het rffij niet gelukt is met anderen mondeling met enige vrucht van gedachten te wisselen."

Niet mondeling, wel op een andere wijze? Het is nauwelijks aan te nemen dat Van het Reve

denkt dat hij een unicum in de geschiedenis is. Wel is hij, in deze tijd, een uitzondering.

Hoe was het vroeger? Ik bezit een grammofoonplaat met muziek uit de 14de eeuw. Op de ene kant van die plaat staan gezongen gebeden, op de andere liefdesliederen . Gesteld nu, dat iemand van tevoren niet weet welke kant de muziek voor God en welke die voor de aardse geliefde

bevat, en gesteld dat iemand alleen let op de klank en niet op de tekst van de liederen, dan zal het hem zeer zwaar vallen, zo niet omnogelijk zijn, een onderscheid op te merken. Dat ligt niet aan die luisteraar, er is geen onderscheid. De gebeden zijn liefdesliederen, de liefdesliederen eenzelfde overgave als de gebeden. Ze klinken zo verheven, die "wereldlijke " liederen, vinden wij. Ze hebben inderdaad bepaald een ander niveau dan wat wij aan "Als wij samen bruiloft vieren" e.d. uit radio- en TV-kastjes plegen te horen. Keurige tekst overigens van die moderne liedjes, daar wordt wel voor gezorgd. Een oud lied als het volgende zou waarschijnlijk voor uitzending verboden worden:

Vray Dieu, qui me conforiera, Quant ce faulx villain me tiendra en sa chambre seulle enfermée?

11 me fausist ung vert gallant, Qui me frotat la nuyt souvent, Et qui dorniist la fresche matinéc.

(Waarachtig God, wie zal me troosten - als die ellendeling me eenzaam in zijn kamer opsluit? Ik heb een jeugdige galant nodig. die me 's nachts dikwijls tegen zich aanwrijft - en die pas de volgende ochtend gaat slapen.) U moest de devote melodie, waarmee dat lied gezongen [email protected] eens horen! Het lijkt ons, 20e-eeuwers, haast ongepast. Bij zoiets hoort een olijk deuntje, dat vooral niets weg mag hebben van kerkmuziek.

Men spreekt wel van "de in de Nfiddeleeuwen gebruikelijke vennenging van wereldlijke en geestelijke motieven"; ten onrechte, men behoorde te spreken over: het nog niet uiteen gevallen zijn enz. Zonder bezwaar konden er twee versies bestaan van "Nu daghet in den Oosten", een "geestelijke " en een "wereldlijke " (die tennen deugen niet). De "minne " in Hadewijchs gedichten bestaat niet op een essentieel andere vájze dan de liefde in de hoofse lyriek. En ook later, in de 16de eeuw, konden de eerste protestanten zonder bezwaar melodieën overnemen van tot dan toe "profane" liederen voor hun nieuwe, kerkelijke gezangen. Het beroemde "O Haupt voll Blut und Wunden " heeft de wijs van een liefdeslied . Maar een "geestelijk " lied is niet iets anders dan een hefdeslied. Die benan-dng "geestelijk" is uitermate bedrieglijk, ze verdeelt, ze snijdt de mens in stukken. De eerste christengemeente was niet op die manier "geestelijk"; en de psalmdichters waren dat niet.

"Nu zal niijn ziel, nu zullen al mijn zinnen, o God, mijn sterkt", U hartelijk beminnen " (Psalm 18).

Wanneer, en waarom, zijn die zinnen dan verbannen? Waardoor de bruid, die de Kerk van Christus zegt te zijn, steeds meer ffigide geworden is. Zodat iemand nu, bij een protestantse kerkdienst "dol van verveling " kan worden? Aan een antwoord op het waarom? waag ik mij niet. Dat is meer iets voor prof J.H. van den Berg. Wat het wanneer betreft - het moet gekomen zijn in die tijd waarin de grote componisten zich niet meer bezighielden met amusementsmuziek. Bach en Mozart achtten zich nog niet te goed om ter vennaak van het volk te schrijven (toch is er bij deze componisten al een duidelijk verschil te horen tussen hun "ernstige" werken en hun amusementsmuziek), maar Beethoven is door en door serieus. Om van Wagner maar te zwijgen. In de jazz, ja, komt de eenheid van wat wij voor het gemak maar geest en lichaam zullen noemen, weer terug. Jazz is ook niet fundamenteel anders van karakter dan de spirituals, integendeel.

De katholieken hebben meer dan de protestanten begrepen dat in de kerk ruimte moet zijn voor de gehele mens, of het is geen kerk. Wellicht gaven ze God daarom ook een vrouwelijk gezicht: Maria. Een teken van zwakte is dat laatste natuurlijk wel.

Het is, uit de brieven van Paulus, bekend, dat de bijeenkomsten van de eerste christengemeenten soms ontaarden in orgieën; dat de "liefdesmaaltijden " soms uitliepen op zeer vleselijke liefdesfestijnen . Gebeurde zoiets nog maar eens in de tegenwoordige kerkdiensten! Ik zeg dit niet om enige zelfzuchtige reden, want ik ben een vreesachtig en kleingelovig mens, die - zou de

mogelijkheid voor zulk een orgie bestaan - nog slechts gewapend in de kerk zou durven komen, om daar een plaats te zoeken, vlak bij de ingang of liever uitgang. Ik ben van mening dat het, bij zo'n ontucht, geweldig uit de hand zou lopen, maar, lezer, wanneer iets uit de hand loopt, wijst dat erop dat er in elk geval iets in die hand was. Terwijl nu de hemel verduisterd wordt door tientallen vogels in de lucht, die allemaal pretenderen de Heilige Geest te zijn.

 

Hosted by www.Geocities.ws

1