Schrijver Reve, Gerard

Titel Moeder en zoon

Jaar van uitgave 1980

Bron NRC Handelsblad

Publicatiedatum 19-09-1980

Recensent PM. Reinders

Recensietitel Een kwartier voor God

De bekering van Gerard Reve tot de rooms-katholieke kerk heeft wel niet zoveel stof doen opwaaien als die van Vondel indertijd, maar helemaal onbesproken is zijn stap nu ook weer niet gebleven. In de proloog van zijn nieuwe boek schrijft Reve dat hij veel last van die opspraak heeft gehad en er allerlei antwoorden op heeft gegeven variërend van stuntelig tot agressief en gelaten, en dat het enige zinnige antwoord te zoeken is in een relaas van "hoe het allemaal gekomen is". Ifij bereidt zijn lezers erop voor dat het voor hem een pijnlijk verslag gaat worden, maar daar is niets aan te doen: "Het is het vernederende, belachelijke en beschamende in mijn leven dat er het wezen van schijnt uit te maken".

Een boek met verklaringen moet het dus worden, verklaringen voor zichzelf en voor anderen. In het begin lijkt het nogal eenvoudig. Thuis beschouwen ze Kerstmis als een feest voor de "heersende klasse" en een kerstboom was taboe. Als jongetje stelde Reve zijn eigen kerstboom samen uit weggeworpen restjes engelenhaar en kapotte kerstballen. Zo kunnen de religieuze ontberingen uit de kindertijd iemand op zijn veertigste jaar naar de kerk drijven. Maar meteen al blijkt het minder eenvoudig te liggen, want het verlangen een kerstboom te bezitten wordt meteen gekoppeld aan het verlangen ook de jongen te bezitten die met hem meegaat op zoek naar de kerstversierselen.

Het was niet alleen de dieptepsychologische kerstboom die de oorzaak was maar ook de daarmee onverbrekelijk verbonden erotiek. Bij de talloze kerkbezoeken waarmee hij zich op zijn overgang voorbereidt - lidmaatschap noemt hij het zelf een paar maal -, wordt hij vooral gepakt door de mooie jongens die zonder schaamte geknield liggen voor een schrijn en met wie hij in het kaarslicht van de kerk zou willen vrijen. Pas later wordt hij, zoals hij het zelf noemt, geil op de Moeder Gods. Daarvóór had hij al in een opwelling zijn ziel aan God verkocht voor het bezit van een uitdagende jongen. In een moedeloze en onrustige bui had hij hem op het station gezien: "Hij was het, hij en niemand anders, die ik in n-fijn hele leven, in steden, straten en landen gezocht had". Als het iets wordt, denkt hij, als het werkelijk iets word@ dan word ik rooms-katholiek. Het wordt iets, en vandaar.

Tussen deze verklaringen door geeft hij zoveel andere dat zijn drang naar de kerk steeds meer gaat lijken op een instinctieve reactie waarvan het maar niet duidelijk wil worden of het die van een lemining is (vernedering, schaamte) of van een jong dier dat terug wil in de buidel. Hij beschrijft zijn doop niet omdat het "de gruwelijkste, de ellendigste, de meest vernederende ervafing" uit zijn leven was. Aan de andere kant is hij er zich van bewust dat hij van de ene kerk (de marxistische) in de andere stapt "om niet zonder te zitten". I£j formuleert, en doorbreekt naar eigen zeggen, een paradox over de waardevolle inhoud van de katholieke leer en haar "gebrekkige, verkitschte, infantiele en soms aan godslastering grenzende vertolking", en bekent even later dat hij van de "roomse kitsch" nooit genoeg kan krijgen.

Van de vele en soms tegenstrijdige motieven die hij aangeeft, is het sterkste waarschijnlijk het verlangen om bevrijd te worden van eenzaamheid en melancholie. Het idee van geloof en vermogen tot onvoorwaardelijk liefhebben duikt in allerlei vormen steeds weer op. Zoals hij hoopt dat Maria hem van zijn alcoholisme af zal helpen, verwacht hij ook dat zij zijn melancholie zal doorbreken. In het obligate nummer sadistisch vrijen dat wel lichamelijke bevrediging geeft maar hem uitgeput en verslagen achterlaat, vraagt hij zijn tegenstribbelende partner om "een kwartier voor God" waannee hij de melancholie misschien op een afstand kan houden. Melancholie, eenzaamheid, dood, religie, erotiek - het zijn de ingrediënten waaruit ook al het vroegere werk van Reve is samengesteld. Dit boek onderscheidt zich van de vorige door de poging die bestanddelen tot een hechtere eenheid met elkaar te verbinden en die eenheid dan te laten zien als de essentie van zijn wezen. In vergelijking met Reves laatste twee boeken, Oud en eenzaam en Een circusjongen, is dit boek ongetwijfeld een flinke stap vooruit. Het is waar dat hij zich nog steeds laat verleiden tot uitweidingen die op zichzelf heel amusant of soms zelfs ontroerend zijn, maar die toch afbreuk doen aan de dwingende kracht van het geheel. Het is ook waar dat Moeder en Zoon nog blijft lijden onder het vroegere werk omdat er weer zoveel uit de doeken wordt gedaan dat we allang wisten. Ook is het waar dat Reve in dit boek zijn kansen op een maximaal effect ondergraaft door die merkwaardige mengeling van realiteit en fantasie, van serieuze tegenspraak en roddel, van echte meningen en hansworsterijen, die het in de brievenboeken juist zo goed deed.

Ondanks dit alles is Moeder en Zoon een boek dat zijn spanning veel langer houdt dan zijn voorgangers en dat meer van het complexe karakter van Reve laat zien dan de vorige boeken dat deden - van 'Reve' als fictionele hoofdfiguur, welteverstaan. Bij een boek als dit zou je willen dat je je geheugen schoon zou kunnen spoelen van alle herinnering aan wat je eerder van hem gelezen hebt. Dan zou de bewondering voor het vakwerk, voor de klemmende suggestie van de melancholie en voor de prestatie om zoveel komische munt uit zoveel treurigheid te slaan, waarschijnlijk geen grenzen kennen.

 

Hosted by www.Geocities.ws

1