Schrijver Reve, Gerard
Titel Brieven aan Simon C. 1971-1975
Jaar van uitgave 1982
Bron NRC Handelsblad
Publicatiedatum
14-01-1983Recensent Reinjan Mulder
Recensietitel De noten van een Revoloog
Hoeveel heeft Gerard Reve aan zijn vroegere "chef en leermeester" Simon Carmiggelt te danken? In Mooi kado, het boekenweekgeschenk van 1979, publiceerde Carmiggelt een brief die hij op 28 november 1973 aan Reve schreef. Ter gelegenheid van Reves vijftigste ve@aardag (14 december) zou Carmiggelt een toespraak moeten houden en in zijn brief stelt hij voor om bij die gelegenheid enige onthullingen te doen over de rol die hij gespeeld heeft in de op dat moment al befaamde correspondentie tussen beiden. Carmiggelt wil de aanwezigen op een dwaalspoor brengen. FEj wil een gefingeerde brief van hem zelf voorlezen over vreemde, toevallig gevonden teksten en daarna moet Reve een brieff-ragment voorlezen over hetzelfde onderwerp dat wel echt is. Iedereen zal gaan denken dat Carnliggelt Reve onderwerpen aan de hand doet en deze gespeelde meester-leerlingverhouding is beiden op het lijf geschreven.
De huldiging op de veertiende december schijnt niet zo verlopen te zijn als Carniiggelt zich had voorgesteld. Er is wel iets anders gebeurd. In zijn brief suggereert hij Reve nog om het voor te lezen brieffragment eerst verder uit te werken. Carmiggelt schrijft: "Nflsschien kun je hier ook nog iets omheenweven over het binnenvallen in telefoongesprekken die niet voor je bestemd zijn. Zou er ook iets in zitten als je me op de vraag 'wat je literaire plannen zijn' een lange lijst van dolzinnige titels schrijft die je van plan bent?" In het vorige maand verschenen Brieven aan Simon C. 1971-1975 bli kt dat Reve deze laatste suggesties wel heeft overgenomen. Niet in het oude brieffragment, maar in een nieuwe brief, die hij op 30 november, twee dagen later dus, aan Carnliggelt terugschrijft. De brief begint met een zeer lange opsomming van titels die op komst zijn en vervolgt dan met een komisch verslag van een verkeerd verbonden telefoongesprek dat die ochtend gevoerd is. Het onderwerp van de brief, een van de leukste uit de bundel, is rechtstreeks door Carmiggelt ingegeven. Ifisschien is het inderdaad gegaan zoals hierboven beschreven is. Ifisschien geeft Carnfiggelt Reve af en toe onderwerpen die in zijn brieven worden verwerkt. Maar toch... Als Carn-ággelt de lezers negen jaar geleden op een dwaalspoor wilde brengen door een gefingeerde brief aan Reve voor te lezen, wie garandeert ons dan dat hij iets dergelijks in 1979 niet weer heeft willen doen? Wie garandeert ons dat Carmiggelt zijn suggesties niet heeft bedacht op het moment dat hij de nu in boekvorm gepubliceerde brief van Reve al in zijn bezit had? Wat was er eerder, de vraag of het antwoord7
Documentaire pretentie
Ik geef toe dat deze kwestie voor het boek van weinig belang is en ik zou er niet bij stil zijn blijven staan wanneer Brieven aan Simon C. louter als literaire bundel was gepresenteerd. Maar dat is niet het geval. Het boek heeft ook documentaire pretentie. Drie kwart van de brieven die er in staan waren al eerder in De Taal der Liefde en Het Lieve Leven gepubliceerd, ze zouden zelfs
geen afzonderlijke bespreking rechtvaardigen als ze nu niet redactioneel bewerkt en geannoteerd waren door Sjaak Hubregtse. Zijn aandeel is nieuw.
Wie is Sjaak Hubregtse? Het Parool, waarin Hubregtse op 5 november een paginagrote bespreking aan zijn eigen boek wijdde, noemt hem een Reve-expert, een Revoloog. Ffij doceert Nederlandse taal- en letterkunde en boekgeschiedenis aan een Academie voor bibliotheek, documentatie, boekenvak en uitgeverij, hij is daar de opvolger van Kees Fens, en hij werkte mee aan diverse Reve-boeken.
Hubregtse wekt nu de indruk de feiten achter de brieven van Reve te hebben opgespoord. Achterin het boek zijn zeven pagina's met noten opgenomen. Diverse zinnen en verwijzingen heeft hij toegelicht met namen, data, titels en bronnen. Zo vermeldt hij, wanneer de Melancolia affaire ter sprake komt, uitgebreid wat die affaire inhield wie er wanneer bij betrokken waren, wat er over gepubliceerd is en ook wat er in die publicaties onjuist is. Wanneer een brief van Reve correspondeert met een brief van Carmiggelt in Mooi kado, vermeldt Hubregtse aanvankelijk trouw op welke pagina de betreffende brief te vinden is. Hoewel hij weet dat Reve zijn brieven zelf door weglatingen en aanvullingen verandert, wekt hij de indruk dat alles wat in het boek staat naar de werkelijkheid verwijst en daar wil hij graag zijn revologisch licht over laten schijnen.
Wie nu echter, aangemoedigd door de pretentie van het boek, opzoekt wat Sjaak Hubregtse heeft geschreven over de verhouding tussen beide schrijvers in november 1973, in de verwachting daar eindelijk iets van belang te vernemen over de betekenis van Carniiggelt voor de geschriften van Reve, komt bedrogen uit. EEer zegt Hubregtse niet alleen niets over de feiten die aan de brieven ten grondslag liggen, hij stelt de vraag ernaar niet eens. Juist nu een noot ons echt wijzer had kunnen maken, laat de Revoloog het afweten.
Nodig of nuttig
"Waar dat nodig of nuttig leek, werd een voetnoot toegevoegd" is in de Redactionele aantekening achter in het boek te lezen. Hubregtse had beter kunnen schrijven dat hij noten (geen voetnoten) had aangebracht waar hij tijd en zin had. Nadere bestudering van de noten leert dat hij overal nogal willekeurig te werk is gegaan. De ene keer vermeldt hij precies welke recensie van wie in welke krant heeft gestaan, de andere keer (bijv. op bladzijde 224) laat hij het weg. De ene keer noemt hij de datum van televisieuitzending waarin Reve is opgetreden, de andere keer niet. De ene keer geeft hij aan wanneer in welk blad een voorpublicatie uit een boek heeft gestaan, de andere keer zoek je tevergeefs. Het lijkt of Hubregtse heeft toegelicht wat hij toevallig wist of bij de hand had en de rest in het midden heeft gelaten.
Wat Reve misschien aan Carmiggelt te danken heeft gehad is zijn koninklijke onderscheiding op Koninginnedag van het jaar 1974. Al op 29 oktober van het voorafgaande jaar dicteert hij zijn kunstbroeder schriftelijk een brief die deze aan de minister van CRM moet sturen. Carn-figgelt moet daarin aandringen op een lintje voor Reve en hij moet besluiten met de zinnen: "Ten overvloede moge ik onder Uw aandacht brengen dat Gerard Reve een overtuigd monarchist is, die de onderscheiding met gepaste bescheidenheid zou aanvaarden en op zeer hoge prijs zou stellen. Met strijdersgroet, Uw Simon Carmiggelt." In een goede geannoteerde uitgave had ik willen lezen of een dergelijke brief het Ministerie ooit bereikt heeft.