Schrijver Reve, Gerard

Titel Avonden, De: een winterverhaal

 

Jaar van uitgave 1947

Bron Elsevier

Publicatiedatum 13-12-1947

Recensent Godfried Bomans

Recensietitel Een schrikbarend boek

Wanneer wij aan onze kinderjaren terugdenken, geschiedt dit met vertedering. Wij nemen iets waar, waarvan wij ons in die gelukkige tijd niet bewust waren: een vlies over de dingen. Het is 't wazige, 't donzige. waarmee de jonge vruchtjes overwogen zijn, die wij te vroeg uit hun holster pellen. Gaande weg maken wij ons los uit deze geborgenheid en opeens, plof, daar vallen we in de wereld. Het is er kil. Wij zijn eenzaam. Zo eenzaam als wij later nooit meer zullen zijn. Doch allengs schieten wij wortel, de stengel onzer eigen persoonlijkheid verheft zich, dun, aarzelend, onzeker, doch gaandeweg vaster wordend. En eindelijk zijn wij. Er staat iets, dat "ik" genoemd wordt. Ziedaar, botanisch geformuleerd, het pijnlijk proces der "mens "-wording.

Tussen deze twee zijnsvormen gaapt de leegte, die wij "puberteit" noemen. Een leegte is het nochtans niet. Het is een chaos. Zelden is dit vreselijkste tijdperk, dat een mens doormaakt, creatief. Creativiteit veronderstelt zekerheden. En die zijn er niet. De oude gewisheden zijn wankelen en storten in, de nieuwe tekenen zich als vage vermoedens af. Het is de tijd van het experiment. Voor zover de mens in die jaren creatief is, poneert hij zijn halve verworvenheden, ironisch, om de smaad der ontmaskering vóór te zijn. Immers, niet de mededeling wordt als belangrijk gevoeld, maar het hierdoor opgewekte wederwoord, waarnaar gehunkerd en wat tegelijk gevreesd wordt.

Het is duidelijk, dat de fixering der puberteitsbelevenis gewoonlijk alleen door den volwassene kan worden ter hand genomen. Want de eerste voorwaarde tot objectiveren is afstand: het moet "voorbij" zijn. Doch niet te lang. Na het dertigste jaar vormt zich de "mythe" reeds. Zo schreef Tolstoij op 26-jarige leeftijd zijn "Knapentijd ": een meesterwerk. Later beschreef hij het, doch bleef steken. De distantie was te groot.

De vraag waar het mij hier om gaat, is deze, kan dit tijdperk ook beschreven worden door den puber zelf'? In het vrouwelijke is hiervan een voorbeeld: Marie Baschkirtsjef. In het mannelijke was mij geen voorbeeld bekend. Nu is echter door een Amsterdamse jongeman, Simon van het Reve geheten, een boek geschreven, getiteld "De Avonden". Het is zojuist uitgekomen bij "De Bezige Bij ". De schrijver is op het ogenblik 22 jaar. Men kan aannemen dat hij het boek op zijn 21 ste geschreven heeft. Het is in zijn soort een meesterwerk. Ik verzoek u wèl acht te geven op de beperking: "in zijn soort". Want de soort is eenvoudig afschuwelijk. Ik heb zelden een boek gelezen, zó naargeestig, zó zeer van iedere positiviteit verstoken, zó grauw, cynisch en volstrekt negatief, als dit. Het wurgt iemand de keel toe. De wereld is hier gelijk in het begin van het boek Genesis: woest en ledig. Nergens klinkt een stem: "Het worde licht". Hoe komt het, dat men het nochtans in één adem uitleest? Dat de troosteloze atmosfeer er van nog weken nadien als een druilregen om den lezer blijft hangen? Dat hij zich geraakt en gekwetst voelt, beledigd zelfs, en toch een diepe sympathie met den schrijver niet van zich af kan schudden? Is het de volstrekte eerlijkheid van den man? Vermoedelijk. Maar ook dit: Dat hier, met een weergaloze, ofschoon dodelijk kille knapheid een atmosfeer is opgeroepen, die wij met benauwenis herkennen als ook ons eens te hebben toebehoord. Deze prevelende monoloog (er "gebeurt" niets in dit boek dan een voortdurend hardop denken) is een staaltje van een introspectie, van zelfanalyse, van innerlijk doorschouwen, dat verbluffend is van luciditeit. Deze geestelijke vivisectie wordt niet, gelijk bij Tolstoï, uitgevoerd door een zich herinnerende, een terugblikkende, een námiijmerende Neen. Het boek is allerminst een reconstructie. Het is de notulering van een nog plaatshebbend gemoedsleven.

Ik stel mij de mogelijkheid van dit phenomeen zó voort: Simon van het Reve (het autobiographische zijner notities is onmiskenbaar) is enerzijds de beschermende schil van het gezin ontgroeid, doch kan, bij gebreke aan andere sociale contacten, de binding met de ouders niet ontberen. De omhuiving van het jeugdmilieu valt weg, doch wordt door geen nieuwe vorm van bescherming geremplaceerd. De hierdoor ontstane positie is met het woord "radeloosheid" precies getekend. In dit geestelijk klimaat schijnt de gestalte van den vader als een, totaal zinloze bewegingen uitvoerende, marionet, de moeder als een meelijwekkende pop van gelijke importantie. Alles wat zij doen, schijnt de hoofdpersoon: Frits van Egters, zozeer tot op de draad versleten, dat hij bijna elke hunner bewegingen in stilte kan voorspellen. Het uitkomen van deze heimelijke profetieën schenkt den huisgenoot een soort bitter genot, samengesteld uit de zelfvoldoening om de gebleken intelligentie en gevatheid anderzijds, omdat het wéér blijkt op te gaan. Een ieder, die de moed en het vermogen heeft zich in het eigen verleden terug te denken, herinnert zich dit soort geirriteerdheid. Het is afschuwelijk, omdat men, het onbillijke van deze houding inziende, zich ergert òmdat men zich ergert. Een eeuwige cirkel die slechts doorbroken kan worden door de genegenheid te richten op nieuwe objecten: een werkkring, het meisje. Hetzij door een psychisch defect (de schrijver is enigst kind), hetzij door omstandigheden van de oorlog, die een hernieuwde doelstelling belemmeren, slaagt de hoofdpersoon in deze niet. Hij doet er zelfs geen poging toe. Hierin een tijdsbeeld te zien, lijkt mij niet verantwoord. Het blijft een pathologisch geval, maar dan met een meesterschap waargenomen.

Dit meesterschap toont zich in tal van kleine details, die de scherpe en onafgebroken waakzaamheid van den lezer vragen. Hoe goed is niet het telkens herhaalde: "nog zoveel minuten, en dan is het drie uur", "nog zoveel seconden, en dan is het middernacht ", "nog zoveel treden, en dan ben ik boven aan de trap", of de zorg, waarmee, onder het lopen, de voet telkens tussen of precies op de tegel van het trottoir gezet wordt. Het scheppen van dergelijke houvasten komt, zo meen ik, voort uit de behoefte om de lege, geheel zinloos zich voortreppende tijd tòch een soort geleding en structuur te geven. In dit luchtledige krijgen zelfs de louter automatische lichaamsfuncties nog betekenis, daar zij hulpmiddelen worden ter markering van een schrikbarend Nirwana.

Moge het den schrijver gegeven worden zijn door God gegeven talent eenmaal te kunnen aanwenden ter uitbeelding van een werkstuk, dat niet alleen psychologisch interessant, doch ook van algemeen menselijk belang is. Ik wens dit niet alleen om wille van onze literatuur, die vermogens, als waarvan Simon van het Reve blijk geeft, zeer wel kan gebruiken, maar ook voor zijn eigen geestelijke gezondheid, die bij een langer aanhouden van deze gesteldheid ernstig gevaar loopt.

 

Hosted by www.Geocities.ws

1