Jean Pierre Rawie, bestseller onder de dichters
POEZIE.Geleende kitsch

Jos Joosten

De Nederlandse oud-minister van Cultuur en oud-europarlementariër Hedy d'Ancona rekende Jean Pierre Rawies bundel Geleende tijd , in een recente Vrij Nederland , tot de beste boeken van 1999: hij was ,,genotvol vormgegeven'', en de ,,inhoud kan die weelde ruimschoots dragen. Eenvoudige perfect kloppende rijmen van een grote diepzinnigheid.'' Daarin staat zij kennelijk niet alleen, want in korte tijd werd Rawies nieuwste meermalen herdrukt.

Smaken verschillen natuurlijk. En ook de fervente liefhebber van de stijlvolle Italiaanse auto kan niet ontkennen dat de Mercedes in zijn genre de absolute top vertegenwoordigt. Al hou je er zelf niet van, je moet toegeven dat je niet om de kwaliteit van uiterlijke vormgeving, technisch kunnen en feitelijke prestaties van het Duitse automerk heen kunt. Zelf houd ik helemaal niet van de poëzie van Jean Pierre Rawie. Daarmee, zo bleek na lectuur van Geleende tijd , houdt de vergelijking met dure auto's van uiteenlopende makelij op. Ook in zijn soort, de traditionele poëzie, maakt Rawie grote troep.

Vreemd dus dat het de laatste tijd niet alleen onder cultuurministers maar ook onder serieuze poëziecritici steeds chiquer staat om je te onttrekken aan de aanvankelijke communis opinio dat Jean Pierre Rawie louter kitsch produceert. In plaats daarvan breekt menigeen een lans voor de poëzie van deze voormalige lichte-verzendichter. Tien jaar na zijn hoogtijdagen is de camp eindelijk ook de literatuurkritiek binnengemarcheerd. Rob Schouten wijdde (in Hoe laat is het aan den tijd ) een heel essay aan Rawies werk, en criticus Maarten Doorman loofde in NRC Handelsblad Rawies nieuwste bundel van harte. Nu is tegendraadsheid een conditio sine qua non voor een beetje criticus of essayist. Toch ontkom je er niet mee aan de vraag of uitgerekend Rawies poëzie de moeite van zo'n herijking waard is. Of is de parmant uitgedragen voorkeur voor zijn werk veeleer modieus gekoketteer?

Een complicerende factor is dat in een discussie over de kwaliteit van Rawies poëzie al snel de tweestrijd tussen ,,elitaire moeilijkdoenerij'' versus ,,eenvoudige algemene verstaanbaarheid'' opduikt. Wie niet van Rawie houdt, zo luidt het verwijt, hoort allicht tot het moeilijkdoenerige kamp. Ik wil die discussie omzeilen en laten zien dat je ook als liefhebber van eenvoud, transparantie of traditie moet vaststellen dat Rawie zich technisch noch inhoudelijk in de schaduw kan stellen van traditionele kopstukken als J.C. Bloem of Ida Gerhardt.

Natuurlijk komt het in alle poëzie in de eerste plaats aan op zuiver taalgebruik en rake vormen die consistent uitgedragen worden - los nog van de inhoudelijke component die de uiteindelijke waardering voor een belangrijk deel mee bepaalt. Wie Geleende tijd leest, moet vaststellen dat deze poëzie ook binnen zijn genre tekortschiet.

De koper heeft bij voorbaat reden om zich bekocht te voelen. Afgemeten aan de schamele hoeveelheid nieuwe gedichten, is de bundel omgekeerd evenredig dikdoend vormgegeven. Geleende tijd bevat drie met Romeinse cijfers onderscheiden afdelingen, die welgeteld vijftien nieuwe gedichten bevatten, en (afdeling III) negen vertalingen. Vierentwintig gedichten in een gebonden boekje van 64 pagina's opdikkend papier, gevat in een zwart-gouden stofomslag: dit laat niets te raden over, hier hebben we met Serieuze Poëzie van doen.

Meteen op de eerste pagina valt op hoe hier stilistisch hopeloos gestunteld wordt. De binnenkomer luidt:

Mijn moeder heeft de foto uitgekozen

die na zijn dood het meeste op hem lijkt.

Natuurlijk snapt elke lezer wat hier min of meer bedoeld wordt in verband met een vaderportret. Alleen, als je wat nauwkeuriger leest, moet je vaststellen dat dit niet zozeer dichterlijk als wel onzinnig is, vooral vanwege de erg ongelukkige plaatsing van ,,na zijn dood''. (Er voor het gemak althans even vanuitgaand dat moeder niet voor een foto koos van een in staat van ontbinding verkerend lijk).

Dit soort slordigheden breekt Geleende tijd op alle niveaus op. Het gedicht ,,Kerkhof'' opent met deze vier regels:

Het hek hangt scheef in het scharnier.

De struiken groeien door het schroot.

Het stilstaand water in de sloot

symboliseert de doodsrivier.

In het eerste en tweede vers beschrijft de dichter concrete waarnemingen ,,van buitenaf'': mét de dichter ,,zien'' we een scheefhangend hek en een wildgroei aan struiken. Die objectieve waarneming wordt in de regels erna in één klap gelijkgesteld met een subjectieve, evaluerende opmerking. Een rare stijlbreuk. Natuurlijk is het je opdracht als poëzielezer eerst te zoeken naar de betekenis van zulk inconsistent woordgebruik. Welnu, zoek wat je wilt: die is er niet. Sterker nog, we mogen vermoeden dat dit slechts het gevolg is van de angst voor maar liefst twee dingen tegelijk. Ten eerste dat de dichter het vereiste quotum aan lettergrepen en rijmwoorden niet zou halen, ten tweede dat de lezer niet zou begrijpen waar dat roestige hek en onkruid tussen schroot voor staan. De eerste twee regels beschrijven (trouwens behoorlijk voor de hand liggende) symbolen voor dood en verval, maar Rawie wil geen enkel risico lopen en expliciteert ze vervolgens nog eventjes. Dit gebruik van ,,symboliseren'' symboliseert de grote zwakte van deze poëzie: wat een dichtregel uit zichzelf zou moeten doen, brengt Rawie al te nadrukkelijk onder zoveel woorden. Dit mag je met recht expliciete lyriek noemen.

Bij het soort poëzie dat Rawie schrijft ergeren slordigheden te meer. Overal steekt de dwang van ritme en rijm de kop op, die hem nopen tot het gebruik van de lelijkste stoplappen en redundanties. Neem ,,Spanjaardslaan'' - alweer een kerkhofgedicht - dat aldus begint:

Al had je er ook verder niets te zoeken,

het loonde zich naar Leeuwarden te gaan

alleen om de begraafplaats te bezoeken,

de dodenakker aan de Spanjaardslaan.

Alles wat in de eerste regel staat, zegt het simpele woordje ,,alleen'' in regel drie al, en is dus overbodig. Hetzelfde geldt voor zo goed als de hele vierde regel: ,,Spanjaardslaan'' lazen we al in de titel en vooral het synoniem ,,dodenakker'' - het eerste zelfstandig naamwoord ná ,,begraafplaats'' - schittert door een overbodigheid die je normaal slechts in smartlappen aantreft. Maar ja, Rawie is een rijmende dichter die lettergrepen telt, en de worst moet gelijkmatig gevuld.

Een laatste voorbeeldje van dit gemodder. In het gedicht ,,Opdracht'' staan de regels:

Ik liep wat doelloos door de stad

omdat ik niets om handen had,

en heb in het plantsoen gezien

een meisje van een jaar of tien (...)

Dit is rijmelarij van het allerlaagste allooi. Het ,,doelloos'' uit de eerste regel maakt de hele tweede regel redundant, en voor het omkeren van gezegde en lijdend voorwerp in de laatste versregels is geen andere verklaring te vinden, dan dat Rawie een rijmwoord op ,,-ien'' nodig had. (Schei toch uit, hou toch op! Rawie zegt het tenslotte zelf/het meisje was dus nog geen elf//Echter leek ze daarentegen /al menig maandje niet meer negen. U ziet het: wie maar wil, kan zo dichten.) Kijken we nog even naar de clou: ,,Het was alsof, terwijl ik keek,/ de tijd weer omgekeerd verstreek''. Het vergt, vrees ik, een extra lange aflevering van The X-Files om aannemelijk te maken hoe de tijd ,,weer'' - opnieuw dus - omgekeerd kan verstrijken. Ook hier geldt: in poëtisch noch in logisch Nederlands bestaat voor deze stomme stoplappen een plausibele verklaring.

Dit soort afraffelwerk wijst op één ding: totale desinteresse. En als je niet zo melig zou worden van deze rommel, zou je je haast nog kwaad maken over het feit dat Rawie nergens het geringste blijk geeft van betrokkenheid bij thema's als vergankelijkheid en sterfelijkheid. Deze dichter springt met dood en verval om als een goedkoop kermisnummer met een decor van bordkarton. Schaamteloos stuttend op totaal uitgesleten clichés brengt Rawie inzake alle grote gebeurtenissen in het mensenleven, waarvan het mysterie van het sterven misschien wel het grootste is, werkelijk niets nieuws, onverwachts, filosofisch of anderszins diepgaands te berde.

Een tegenwerping bij de kritiek die ik hier formuleer, ligt voor de hand: ik lees hier gedichten alsof het de beurspagina's zijn, waarbij het voornaamste ,,manco'' Rawies feitelijke onjuistheden zouden zijn. Als excuus kan men op ,,dichterlijke vrijheid' wijzen. Echter, waar dichterlijke vrijheid an sich al een poëtisch zwaktebod is, wordt zij hoe dan ook geacht te leiden tot iets inhoudelijk waardevols. Het probleem met Rawies poëzie is verstrekkender.

Ongerijmdheden op zich zijn niet a priori problematisch. Slauerhoff was een notoir slordige dichter; van Hanlo's ,,Oote oote boe'' tot Lukas Hüsgens ,,wak wak hale male hein wak wak''; van Luceberts ,,het boek slaat haar ogen op'' tot Favereys fameuze vaas met de chrysanten: de Nederlandstalige poëzie zit op het oog boordevol stilistische en inhoudelijke ongerijmdheden die echter op een of andere manier intrinsiek coherent en zinvol worden. Binnen de poëtische taalcode is de vrijheid onbegrensd en is het in eerste instantie aan de lezer om te zoeken naar de zin die een dichterlijke tekst kan hebben. Dat zoeken kan precair zijn en aanleiding geven tot meningsverschil. Maar de gedichten zelf moeten wel de dwingende eerste motivatie zijn tot verdergaande lectuur. Geleende tijd geeft totaal geen aanleiding tot serieuze lezing.

Integendeel. Rawie neemt niemand serieus. Negatieve critici zal hij een elitaire opstelling verwijten. Hij zal, onder verwijzing naar drie herdrukken van Geleende tijd binnen één maand, een dikke middelvinger naar ze opsteken. De middelvinger van de andere hand steekt hij intussen op naar de lezers die oprecht menen dat dít iets met poëzie van doen heeft. Ondanks alle grote woorden en zogenaamd diepe doorleefdheid zijn Rawies gedichten ijskoud, pure nep en een product van totaal liefdeloze desinteresse in alles en iedereen.

JEAN PIERRE RAWIE, Geleende tijd , Bert Bakker, Amsterdam, 64 blz., 750 fr.

Hosted by www.Geocities.ws

1