Boekrecensie
Titel: Het boek van Bod Pa
Auteur: A. Quintana
Uitgever: Querido
Gaan om te gaan
CATHERINE VAN HOUTS
DAT de jungle hem trekt, blijkt niet zo verwonderlijk. Wie met Anton Quintana een interview poogt te hebben, wordt meegesleurd in een donker oerwoud van herinneringen en ontberingen waarin je onvermijdelijk verstrikt raakt.
Quintana kent de jungle als weinig anderen. Of die jungle nou het Burgerweeshuis in Amsterdam heet of het onherbergzame Lapland of de rimboe van Sumatra: hij kent ze van binnenuit. Als landloper in Spanje op zeventienjarige leeftijd begonnen, leefde hij later tijdenlang in zijn dooie eentje in de wildernis, louter om te overleven. Onderweg de strijd aangaand met die anderen en de andere in hemzelf.
Eigenlijk heet hij Anton Kuyten, maar hij nam de naam van zijn Spaanse moeder aan toen hij schrijver werd. Quintana betekent onder meer Nergenshuizen. Nergens thuis, dus, en zo voelt hij zich nog steeds. Het schrijverschap biedt hem onderdak.
Een gesprek met Anton Quintana (1937) zit vol valstrikken, raadsels, bijbelcitaten, retorische vragen, dood, gelezen en geleefde mythes. Wat je al snel te weten komt, is dat Quintana gedreven wordt door woede. Een goeie motor, zou hij zelf zeggen. Uit bijna al zijn boeken valt op te maken dat hij er één van een tweeling is. Dat blijkt de bron van zijn woede. 'Ik heb mijn hele leven gevochten om authentiek te worden.' Het tweelingschap met zijn broer, de dichter André Kuyten, stond in het teken van rivaliteit. André, in 1979 overleden, was een knappe jongen, die door zijn moeder werd voorgetrokken. 'Ik vind het niet erg dat ze voortrok, maar ze trok de verkéérde voor.'
Bij zijn geboorte had Anton schade opgelopen. Het linkerdeel van zijn gezicht was scheefgedrukt. 'Als kind ging ik door voor debiel. En mijn broer was een héél mooi jongetje. Ik draag herinneringen mee uit mijn kindertijd, dat ik in een nonnenklooster moest zingen. Mijn broer was misdienaar, ik moest een solo doen, had zo'n rare gebarsten stem. Dan zeiden ze: Als André de mis opdient, komen de nonnen klaar. En als Anton zingt, hebben ze daar weer spijt van.'
Wie onthult, zoals ondergetekende in al haar onschuld deed, zelf deel te zijn van een tweeling, kan rekenen op Quintana's spervuur van vragen: Wie is de eerstgeborene, wie werd voorgetrokken door de moeder, kan je met haar opschieten? Quintana is, daar is hij van overtuigd, kenner van het tweelingwezen en heeft eigen tweelingwetten opgesteld. Uiterst verwonderd toont hij zich als ik denk niet aan al die theorieën te beantwoorden.
Minachting voelt hij voor mensen die dwepen met het tweelingschap, zoals ook nu weer een schrijfster doet in een nieuwe studie over tweelingen. 'Een leugen. Daarom schrijf ik er nu een boek over, Folie à deux. Dat zal me gehaat maken.' Tweelingschap is, meent hij, een strijd op leven en dood.
'Ik ben nooit geïnteresseerd geweest in tweelingen. Ik vond het allemaal freaks. Mijn broer was er wel in geïnteresseerd, dus ik zéker niet. Maar na zijn dood ben ik een tweeling geworden.' Voordien was hij solitair. Nu 'onverbrekelijk niet-solitair'. De dood van zijn broer had tot gevolg dat Quintana drie jaar lang leesblind werd. 'Nee, dat is geen shock. Dat is hysterie. Heel creatief.'
Quintana praat in een ijltempo. Provocerend, als in trance bazelend, cryptisch, sceptisch, in de tweede persoon pratend als hij het over zichzelf heeft, relativerend, niet bepaald vrouwvriendelijk, uitdagend, omtrekkende bewegingen makend, associërend, vertellend. Een gevoelige mannetjesputter die er genoegen in schept de gespreksgenoot te beschouwen als sparringpartner en op het verkeerde been te zetten.
Een intensief, chaotisch, uren opslorpend gesprek, dat zelfs zo ver voert dat ik aan het eind onomwonden vraag: 'Heb jij wel eens iemand vermoord?' (Daar is hij niet zeker van. Ooit is hij in Spanje een grinnikende treinmachinist met een paaltje te lijf gegaan, door wiens toedoen hij, toen hij als landloper meereed onder de trein, bijna onder de wielen was gekomen. 'Wat het effect was, weet ik niet. Ik verkoos niet te weten hoe die machinist er aan toe was').
Rivalen De schrijver blijkt dus, net als zijn boeken, niet van het ongecompliceerde soort. Sinister cynisme is Quintana evenmin vreemd. Om een idee te geven, een gespreks-fragment dat volgt op zijn constatering dat de dood van zijn broer van hem een tweeling maakte:
- Dus toen je tweelingbroer dood was, ben je eigenlijk opnieuw begonnen?
'Ik moest wel. Je ziet de wereld altijd via de ander. En we waren rivalen en dat is intenser dan parallellen. Waren jij en je zus ook rivalen?'
- Nee, sorry
'Heb je nooit gedacht: één van de twee is de echte? Het hangt van de moeder af, bijvoorbeeld als ze de ene twee keer de borst geeft.'
- Dan heeft er altijd eentje honger.
'Dat mag je wel zeggen, ja.'
- Dat is jou overkomen?
'Iets dergelijks. Maar degene die tekort wordt gedaan, wordt - als-ie overleeft - in het latere leven sterk. Ik was veel lichter dan mijn broer. Mijn moeder was ziek, ze riep vanuit het bed naar mijn zuster: Let op je broertje. Dat was André. Er was er één te veel. Kortom, als ik rancuneus ben, ben ik het met reden. Enig toch, een tweeling? Nou, dat is juist wat het niet is. Het is niet enig. Als ik een tweeling zou krijgen, zou ik er een in de tuin begraven.'
- Dan zou je moeten kiezen.
'Dat doe ik meteen: de zwaarste houd ik.'
- Ik had verwacht dat je de lichtste zou houden.
'Ik was de lichtste.'
- Die zou het juist halen, zei je net.
'Die is tekort gekomen. Dat is duidelijk. Die is de rest van zijn leven kwaad.'
- Als je de zwaarste zou houden, zou je dus eigenlijk jezelf begraven.
'Ja. Ik zou degene bewaren die gezeglijk is. Aanspreekbaar.'
De toon is gezet. Aanspreekbaar mag hij dan wel zijn, Quintana is niet echt gezeglijk. Gedomesticeerd of getemd evenmin. Eens een zwerver, altijd een zwerver. Daadwerkelijk op reis gaan doet hij niet meer zo vaak, wel trekt hij eens per jaar met echtgenote Loes per jeep door Spanje. Quintana heeft zo veel meegemaakt dat hij nu vooral reist door zijn hoofd, zijn herinneringen.
Hij is er in geslaagd te overleven. Overleven maakt duidelijk dat je leeft. 'De doodklap willen halen en hem niet krijgen; dan is het je vergund te leven.' Of, zoals Quintana Bod Pa, de bizarre held van zijn nieuwste boek, laat zeggen: Gaan om te gaan.
Zijn 'gaan' is: boeken schrijven, zonder rekening te houden met de smaak van anderen, want je daaraan aanpassen leidt tot verloedering. Boeken schrijven die hij zelf mooi vindt. 'Ik denk niet dat de wereld zit te wachten op nog een boek van me, maar dat doet er niet toe. Gaan om te gaan. Schrijven is mijn onderdak, mijn vluchtheuvel.'
Zijn helden in de volwassenen-literatuur zijn Hemingway, de Spaanse dichter Lorca, Raven, Louis Paul Boon. 'Ik heb zelden dat ik iets lees en denk: dat zou ik niet kunnen. Alles, tot en met stijl. Dat dacht ik vroeger al. Arrogant, ja, aanmatigend. Voorbarig ook. De Rufus-boeken waren qua stijl gebaseerd op Hemingway: alleen het hoognodige, geen bijvoeglijk naamwoorden.
'Bod Pa is in een heel andere stijl geschreven. Lyrischer. Het gaat over een vader die iemand via een karavaanweg oproept om zijn zieke zoon te helpen. En daar verschijnt het absolute tegendeel van de vader en van wat de jongen wil: Bod Pa, een blinde dwerg. Da's maar goed ook. In de opdracht staat waarom Bod Pa een dwerg moest zijn: 'Gij dwerg zult wel weten wat het erfdeel der mensen is'.
'Bod Pa is het verhaal van een vechter, die ook wel eens wil verliezen. Misschien is hij een gevallen engel, Lucifer. Hij heeft God gezien, dus is hij blind. En die jongen, is bang voor het leven. Terecht, het leven is heel angstaanjagend. Je gaat dood aan het leven. Aan niks anders. De boodschap is: gaan om te gaan. Maar daarbij geen enkel moment vergeten dat de dood er is. De dood bezingen.'
Vader Voordat Quintana doorbrak als schrijver van jeugdboeken (Padjelanta, De Bavianenkoning, De Vuurman), tv-series voor de jeugd (De Kris Pusaka) en voor volwassen (bewerkingen van verhalen van Guy de Maupassant), had hij een woelig leven achter de rug. Zo'n leven waarvan je gemakzuchtig zegt: 'Daar zou je een boek over kunnen schrijven'. Het werden er vele. Nu werkt Quintana aan een trilogie waarin zijn levenswandel minder verdicht is dan in zijn eerdere boeken.
Zijn vader heeft hij in zijn hele leven slechts één minuut gezien. Een zeeman die zijn gezin in de steek liet en zich kort voor de oorlog bij de Duitsers aansloot. 'Mijn vader is ook opgegroeid in een weeshuis. Daar komen geen ideale mensen vandaan. Hij was een absolute opportunist.
'Mijn moeder was maanziek. Ze was vroom, kon echt dwepen met heiligen. Ze had een verschrikkelijke kreet: Een man heeft vele levens en maar één eer. Ze was ook groots, had allure. Degene die zich tegen de moeder afzet, gaat op haar lijken. Juist díe, want die let veel beter op dan die andere. Dus ik heb nu haar stem en ik heb haar maffe ideeën over eer geïncarneerd en waargemaakt, voor zo ver dat mogelijk is.
'Mijn grootvader kon goed bergbeklimmen, maar hij ging alleen die berg op als er iemand gered moest worden. Bewijzerig, dus. Jezelf bewijzen is altijd nodig, maar niet jezelf aan anderen bewijzen. Ik ging zestien jaar achter elkaar naar Lapland. En ik nam altijd veel risico. Ellende. Ook bewijzerig, ja, maar ik moest. Alleen voor mezelf.'
Waarom hij per se moest, ligt besloten in zijn jeugd, in de eerste boekenheld en vaderfiguur van zijn leven: het historische indianen-opperhoofd Tecumseh. Toen de moeder stierf, moest de tweeling naar het weeshuis, het Amsterdamse Burgerweeshuis. 'Dan zit je in een groep van veertig kinderen. Ik ging voor debiel door. In het weeshuis heeft mijn broer zich tegen me gekeerd. Hij werd zeer vijandig, samen met anderen. Hij was ontzettend populair. Dat we rivalen werden, is zijn keus geweest. Toen ik voor de eerste keer uit het ziekenhuis kwam, had hij voor het eerst ervaren hoe het was om geen tweeling te zijn. Eenling is leuker. En meer enig ook!
'Eeuwigheden heb ik in ziekenzaaltjes in het weeshuis gelegen. Alles wat leuk was, heette lezen. Je verleest je verstand, zeiden ze dan. Maar toen ik op m'n twaalfde voor de tweede keer in het ziekenhuis was opgenomen, had ik zelfs geen animo meer om te lezen. Ik at niet meer, deed niks meer. Nu weet ik dat het 'verlatingssyndroom' was. Interen, kwetsbaar worden voor alles.
'Toen liep er iemand met zo'n bibliotheekwagentje en die gooide een boek op mijn bed: De stralende ster, geschreven door Fritz Steuben, een kleine Pruis. De held Tecumseh heeft een zware stem. Toen ik het boek dichtdeed, had ik een zware stem.
'Daarna heb ik heel dappere dingen gedaan. Waar het bange kind is gebleven dat het ziekenhuis inging, weet ik niet. Dat zit ergens in een kist en dat ...' (Quintana klopt op de houten tafel) '... blijft er gewoon in. Ben je bedonderd.
'Tecumseh was een stamhoofd dat rond 1800 leefde. Hij wilde dat alle indianenstammen zich verenigden om de blanken een halt toe te roepen en de staat Indiana oprichten. Zijn tweelingbroer - weer een tweeling - heeft die grote idealen versjteerd. Tecumseh is op het slagveld gestorven. Hij was een groot orator, atleet, was tegen martelen. Een strenge, moeilijke figuur, altijd geneigd op reis te gaan, mythes te ontdekken. Vergeleken bij Steubens zeven boeken over Tecumseh is Karl May niks."
Gummetje 'Dus toen ik uit het ziekenhuis kwam, was ik pas echt woedend. Als mijn broer wat aan mij vroeg, bijvoorbeeld: Mag ik een gummetje lenen? gooide ik alles wat in mijn kastje lag naar z'n kop. Raapte ik ook nooit meer op. Ik heb zes jongens een kram in de kop geslagen, omdat ze schele of scheve tegen me zeiden. Ik ging door voor debiel en dat ging ik overdrijven. Ik praatte bijvoorbeeld niet, sloeg de hakken van mijn schoenen. Niemand vroeg ooit waarom ik dat deed, dus kreeg ik straf: 35 paar schoenen poetsen. Indianen hebben geen hakken onder hun schoenen, ik voelde me er superieur mee. Maar ik was natuurlijk wel een mismaakt kind. Ik was zeer provocatief. Ze dachten dat ik hersenletsel had opgelopen bij de geboorte, maar dat klopte niet, ze kwamen er gewoon niet op dat ik de boel saboteerde.
'Toen ben ik door een mens gered dat haar werk goed deed. Die liet me testen invullen, kreeg door dat ik dat averechts deed. Het bleek dat ik een hoog IQ had. Ze eiste dat ik aan mijn gezicht geopereerd zou worden en in een pleeggezin zou komen. Ik denk dat dat me gered heeft. Anders was ik nu nog de gek aan het uithangen.
'Dus ik ging als een huilebalk het ziekenhuis in en kwam er als een fanaat uit. Ik stapte in een rol - dat is bijna psychopathisch - die je moet waarmaken tot de dood erop volgt. Toen die figuur Tecumseh aan mijn bed verscheen, besloot ik dat ik alles moest kunnen opbrengen wat die man kon opbrengen. Vandaar dat ik zestien keer naar Lapland moest, naar het noorden moest-ie. Dat is obsessief.
'Ik ben gaan zwerven, ik denk om van mijn broer weg te zijn. Ik wou het niet weten, dus je blijft vluchten. Als je in een leeg land door een echo wordt uitgescholden en er is verder niemand... Tot mijn 22-ste heb ik rondgereisd en ik zag zelfs kans om me niet meer te herinneren dat ik een broer had.'
Op zijn zeventiende was Anton Quintana weggelopen in Gent, tijdens een uitstapje. Hij zwierf door Spanje, werd in de gevangenis gegooid wegens landloperij. Daar begon hij te schrijven, zonder te weten dat ongeveer op hetzelfde moment zijn broer in Nederland aan het dichten was geslagen.
'Zwerven is moeilijk. Landlopen, bedoel ik. Dus niet met een hoop geld en dan van hotel naar hotel, maar in de greppel slapen, zonder geld, alleen met een cape en een lap die ik als tas gebruikte. Ik denk aan niks anders, maar ik moet er niet aan denken! Leven is reizen, maar reizen is geen leven, zegt Bod Pa. Ik liftte heen en weer tussen Gibraltar en Kiruna, in Noord-Zweden. Rusteloos, rusteloos, rusteloos. Bij Kiruna houdt de weg op en een trein kon ik niet betalen. Bij Gibraltar houdt de weg op, daar is de boot, maar die kon ik niet betalen. Ging ik weer terug, alsof ik een reden had. Haast.
'Ik heb het geluk gehad dat ik toen iemand ontmoet heb, een bultenaar, die van zwerven iets met stijl wist te maken. Want je bent op zoek naar stijl. Eigenlijk een Bod Pa, al is Bod Pa meer een uiting van mezelf.'
Na Tecumseh was de bultenaar de tweede belangrijke (vader)figuur van Quintana. 'Die bultenaar heeft mij een paar dingen geleerd. Bijvoorbeeld dat stijl is: dingen kunnen laten. Dat als je een klap uitdeelt, je je hand uitbesteedt. Je offert je hand als het ware. Dat je dan geen medelijden met jezelf mag hebben. Hij leerde me niet te provoceren, maar wel heel doortastend te zijn als het erop aankwam. Hij leerde me dat elk gesprek - politiek of wat dan ook - kroegpraat is.'
Net als de jongen Pelgrim uit Het boek van Bod Pa begon Quintana zijn leven als brekebeen. 'Ga al mijn boeken na en je ziet mijn verhaal. In Padjelanta is het een jongen die veel illusies heeft en die verliest wanneer hij in zijn eentje overwintert in Lapland. Tien jaar later is het in De Bavianenkoning een man in Afrika die geen enkele illusies heeft. Zijn naam is Morengaroe en hij is de zoon van twee stammen. Moren betekent 'man' in het massaï en garoe 'man' in het kikoejoe. Dat is man-man, oftewel tweeling. Mijn persoonlijke verhaal, maar dan een verdichtsel. Hij splijt middendoor, anders kan hij niet leven. Als je het verhaal van een psychopaat wil horen, dan is dat het.
'De jongen in Bod Pa deugt eigenlijk, maar is lamgeslagen. Bod Pa is een dik boek, maar er gebeurt niks in, alleen de verhalen van Bod Pa. Maar die tellen, om redenen die ik ook niet weet. Ik ging zitten schrijven en ze gebeurden vanzelf. Ik schrijf wat ik mooi vind, daarom weet ik niet of het jeugdboeken zijn. Goed, boeken voor jongens.
'Jongen-zijn is een tussenstadium, daar moet een man uitkomen. Een jongen is een onvolwassene die een 'graal' moet hebben. Daar moet hij wijzer van worden, er later weer van afstappen, maar hij moet er wel iets van overhouden. De theorie achter Bod Pa is dat een jongen op een bepaald moment moet kiezen tussen vader worden, zwerver of zoon blijven. Zaak is, dat als je huisvader wordt, je nooit mag vergeten dat je ook zwerver bent.'
Sumatra De Bavianenkoning is geïnspireerd op Quintana's zes weken durende tocht door de Sumatraanse jungle. Hij besloot naar Sumatra te gaan, twee jaar nadat zijn broer was gestorven aan, vermoedt Quintana, de bijverschijnselen van medicijnen tegen manisch depressieve psychose. Zijn dood had Quintana op slag leesblind gemaakt. Zijn zicht nam zelfs zo af dat in zijn ogen de zijkant van mensen 'als een kaars afdropen'.
'Ik ging in wanen leven. Overigens schijn ik te deugen want ik had nooit lugubere wanen. Maar ik ben vele keren gaan slapen met het idee: misschien word ik gek wakker, want met een eeneiïge tweeling heb je grote kans dat de ander het ook heeft.'
'De Bavianenkoning is het verhaal van iemand die herboren wordt uit een boom; bij mij was het een boot. Net als Morengaroe kom ik uit twee stammen: de Spaanse en de Nederlandse. Op Sumatra heb ik zes weken in mijn eentje in een bootje - het kleinste dat ik kon vinden - de rivier op gevaren. Voordat ik vertrok, had ik een klein kind op schoot en dacht: nou, dat is dan voor het laatst.
'Het was of ik een opdracht had. Ik ging op zoek naar de watervrouw, een mythische figuur, een vrouw zonder hoofd, waar de animisten daar in geloven. De watervrouw wordt ook de titel van het derde deel van de trilogie. Ik leef mijn mythes. Ik wilde wat ze daar allemaal kunnen: de pagaai in het water zetten en de boot eromheen laten draaien. Ik oefende een dag lang, het lukte niet. Na een paar weken zag ik opeens de watervrouw, ze lustte me rauw. Toen dorst ik niet meer te gaan slapen. Een week ben ik kwijt, weet ik niks meer van. Toen ik bijkwam, zat ik vast met de boot in de rotzooi. Ik wilde afduwen en toen maakte de boot tot mijn stomme verbazing een draai rond de pagaai. Toen dacht ik: ik mag terug.
'Ja, het gaat over magie. Maar wat is magie? Vraag Bod Pa. In heksen gelooft de sjamaan Bod Pa niet, net zo min als in sjamanen. Bod Pa drijft de spot met alles waarmee op dit moment gedweept wordt, met al die cursussen en therapieën om een beter, gelukkiger mens te worden. Zou Bod Pa bij moeten zitten, kon je lachen! Bod Pa vertelt die jongen geen enkele leugen, niet van het eeuwige leven, niet van wedergeboorte.' Nog steeds droomt Quintana dat zijn broer niet dood is. 'Kan een eeneïige-tweeling doordrongen zijn van de dood van een ander?' vraagt hij zich af.
Op een avond, midden jaren zestig, heeft hij André op het Rembrandtplein 'dood willen slaan'. Toen bleek dat hij dat niet kon, raakten ze rond hun dertigste 'dik bevriend'. Toch temperde de strijd niet. Nu is Quintana zijn grootste rivaal kwijt. ' En een bewonderaar en de enige getuige die wist hoe het vroeger was, die wist of ik een held ben geweest. En hij hield van me.
'André en ik vochten alsof de één een spiegel was van de ander. Aan het eind van zijn leven stond hij te roepen: 'Ik ben de echte; toch de echte.'
- Was je broer een goeie dichter?
'In het begin wel, maar daarna niet meer, want hij leefde er niet voor. Hij schnabbelde, verdeed zijn tijd met hoorspelletjes en zo. En ik was natuurlijk in zijn ogen een broodschrijver, mind you.'
- Waarom lukte het jou wel en hem niet?
'Omdat ik beter ben. Omdat ik de echte ben.'
© Het Parool, 29 september 1995