|
Trouw, 24 december 1997 |
|
|
|
|
|
Een oefening in het verdwijnen |
|
|
|
|
|
ONNO BLOM |
|
|
|
|
|
Sprookjes hebben, net als mythen en sagen, oneindig veel levens.
Na hun geboorte in het hoofd van een troubadour of schrijver aan een
afgelegen hof duiken ze in talloze verschillende gedaanten op in de
geschiedenis. Tot op de dag van vandaag zwermen sprookjesfiguren van hoog tot
laag door de kunst. Doornroosje slaapt, tot zij wakker wordt gekust, zowel in
de duistere verzen van de dichter Gerrit Achterberg
als in de tekenfilm van Walt Disney. De levenskracht van
sprookjes is zo onuitputtelijk, omdat ze langs dezelfde, eeuwen geleden
geplaveide weg iets duidelijk maken over de oereigenschappen van mensen. Een
held of heldin gaat op een betoverende reis, wordt verleid en ontsnapt op de
valreep aan het kwaad. Haast argeloos ontsluiert hij of zij op de zoektocht
zo een van de mysterieuze kenmerken van het bestaan. Ook het sprookje 'De
Schoonheid en het Beest', dat voor het eerst werd opgetekend door Gianfresco Straparola in de
eerste helft van de 16de eeuw, verloopt volgens dit procédé. Het verhaal moet
sinds het ontstaan duizenden keren zijn verteld, en heeft alleen al in de
afgelopen jaren vorm gekregen in een televisieserie, een sonnettencyclus van
Jan Kal (Beest kwam binnen in de zaal / zijn monsterachtigheid was
kolossaal!) en de Disneyfilm 'The Beauty and the Beast'. De Vlaamse schrijfster
Anne Provoost, die drie jaar geleden furore maakte
met de geëngageerde jeugdroman 'Vallen!' heeft nu aan het spoor van alle hervertellers haar eigen versie toegevoegd. Gelukkig pakt
Provoost het in haar jeugdboek 'De roos en het zwijn' heel wat minder
zoetsappig aan dan de Amerikaanse tekenfilmkoning met zijn zuurstokgekleurde
moraal. In Provoosts middeleeuwse sprookje groeit
de koopmansdochter Rosalinde door de goede zorg van
elven op van een klein, breekbaar meisje van glas tot een bloedmooie
jonge vrouw. Schoonheid is niet een van haar eigenschappen, zij is de
Schoonheid zelve. Haar oogverblindende uiterlijk
bezorgt haar slechts problemen. Naast alle blikken van mannen vangt zij ook,
onbedoeld, haar vaders aandacht het meest, zodat zij dagelijks de afgunst van
haar zussen moet verdragen. De enige die zij
onvoorwaardelijk kan beminnen is haar aartslelijke zwijntje Zoran. Rosalinde is zo goed niet, of
zij laat haar bewonderaars als echtgenoten aan haar zussen. Bovendien vraagt
zij haar vader, die steeds op reis moet, bevreesd voor de reactie van haar
zussen ongaarne om cadeaus. In een vlaag van overmoed vraagt zij haar vader
in de winter een geneeskrachtige roos mee te nemen. Rosalinde
ziet in de spiegel, waardoor zij haar vader op zijn verre reizen kan zien, de
fatale gevolgen van haar verzoek. Intussen spelen zich
in het door de vader verlaten huis bizarre taferelen af. 's Nachts wordt Rosalinde in bed bezocht door een 'dubbelminnaar', die
haar neemt, even weggaat en nog eens terugkomt. De vader komt in vreselijke
staat weerom. Hij heeft de roos voor Rosalinde
geplukt in de tuin van Heer Thybeert van Oorghem, die de vader voor de nacht onderdak had
verschaft in zijn landhuis - 'een oord dat leven had gekend en het weer was
vergeten'. Thybeert is woest en eist het eeuwig verblijf van de vader op het landhuis.
Vanzelfsprekend biedt Rosalinde aan naar Thybeert te vertrekken in de plaats van haar vader. De
vader stemt toe. Aanvankelijk gruwt Rosalinde van Thybeert, met zijn verminkte gezicht, bochel en afgehakte
hand die lijkt op een hoef. Maar langzamerhand raakt ze op de trieste,
erudiete Thybeert gesteld. Het enige wat aan haar
knaagt, is het beeld van haar verlaten vader, die in diepe treurnis is
verzonken. Rosalinde keert, ondanks haar
sluimerende liefde voor Thybeert, terug naar huis.
Zij zet een gedrochtelijke baby op de wereld, met twee hoofdjes en twee paar
armpjes. Het kindje is symbolisch voor haar verscheurde bestaan: Rosalinde kan niet kiezen, waar ze moet verblijven. Hier,
bij vader en haar mislukte kind, of daar, bij de kwijnende Thybeert in zijn landhuis. 'De roos en het zwijn' heeft
geen einde. Rosalinde kiest namelijk niet.
Vertwijfeld vraagt zij zich af: ``Wie zal mij doden, verlossen uit deze
eeuwige beweging.'' In een notendop kan
het verhaal niet genoeg weergeven hoe bijzonder de stijl is en hoe
verrassend, juist in de details, de inhoud. Provoost weet je in robuuste taal
mee te slepen in een mistige, middeleeuwse wereld. De rauwromantische
vorm spiegelt zich in de stroom van vreemde gebeurtenissen, verkrachtingen,
vechtende engelen en elfen, een dodelijk verminkende pokkenplaag en de
geboorte van een mismaakt kind. Het meest interessante
aan al deze gruwelelementen is dat ze niet uitentreuren worden uitgelegd of
verklaard vanuit de slechtheid van diegenen, die ze overkomen. Ze gebeuren
gewoon. Het ontbreken van het happy end is het
logisch gevolg. Het Beest wordt niet uit zijn lijden verlost, laat staan dat
hij bij toverslag in een schone prins zou veranderen. Uiteindelijk moet je
constateren dat Provoosts sprookje helemaal niet de
hapklare moraal - het gaat niet om uiterlijke, maar om innerlijke schoonheid
in het leven - wil opdienen, maar veel interessantere thema's aandraagt. 'De
roos en het zwijn' gaat over de zin en onzin van boetedoening (wordt
opoffering eigenlijk wel beloond?) en in laatste instantie over de onmogelijkheid
de werkelijkheid te beďnvloeden. ``U denkt dat u ongelukkig bent,'' zegt het
zwijn tegen de roos. ``De waarheid is dat u het leven verkeerd begrijpt.'' In de spiegel kan Rosalinde haar vader wel zien, maar niet helpen. En hoe
prachtig Thybeerts landhuis ook is, hij krijgt er Rosalinde niet mee. Beide tegenpolen, de ultieme
Schoonheid en de ultieme Lelijkheid kunnen slechts dromen van de wereld van
de ander, van de overkant. Rosalinde stapt niet
door de spiegel, en Thybeert verlaat nimmer zijn landhuis.
Fantaseren of vergeten, dat is al wat hun openstaat. ``Mijn bestaan is een
oefening in het verdwijnen,'' zegt Rosalinde op een
van de laatste bladzijden. Het moge duidelijk
zijn dat Anne Provoost zich weinig gelegen heeft
laten liggen aan het verzachten van het leed voor de tere kinderziel. Geen
greintje Disney is er in haar boek te bespeuren. Om
met Bordewijk te spreken: de leerling moet stijgen,
de meester niet dalen. De hoge literaire inzet is haar boek zeer ten goede
gekomen. Provoost laat haar lezers - of ze nu twaalf zijn of achtentwintig -
dwalen op de drempel van het bewustzijn en zélf fantaseren over de
mogelijkheden die het verhaal biedt. Juist daarom is
'De roos en het zwijn' een schitterend eerbetoon aan de oerkracht van het
sprookje. |
|