Connie Palmen
I.M.
door Johan Diepstraten
Op Oudejaarsnacht voorspelde Ischa Meijer aan zijn vrouw Connie Palmen wat 1995 zou brengen. Een prachtig jaar moest het worden. De erfenis van zijn ouders zou afgewikkeld worden. Het succes van De vriendschap stond vast. Ze zouden een nieuw grachtenpand kopen. De basiliek van St. Odili�nberg was gereserveerd voor de trouwerij in augustus en in de herfst stonden ze samen op de planken met Faust. Twee�nveertig dagen nadien, op zijn verjaardag 14 februari 1995, overleed Ischa Meijer aan een hartaanval.

'Mijn man is dood,' luidde de eenvoudige overlijdensadvertentie. Precies drie jaar later verschijnt I.M., letters die staan voor de initialen van 'de beruchtste interviewer van Nederland', in een stemmig paars omslag. Het boek bestaat uit twee delen: In Margine waarin Connie Palmen verhaalt over haar leven met Ischa Meijer en In Memoriam, een korte epiloog over de periode waarin de angst, de pijn, de tomeloze paniek, de ontzetting en de wanhoop vrij spel hebben. 'Wanhoop is precies wat het is, het is het volkomen werkelijk en terecht ontberen van iedere hoop. Nu ik dat weet, huil ik en ik hou daar de komende twaalf maanden niet meer mee op.'

Vlak voor zijn tweede geboorte- en sterfdag begon Connie Palmen aan het boek. 'Als je al niet de vrouw van mijn leven bent, word je in ieder geval de vrouw van mijn dood,' had Ischa Meijer haar eens toevertrouwd. Hij wist niet wat hij er precies mee bedoelde, maar hij meende het wel. De lezer begijpt het nu. Twee jaar werkte Connie Palmen aan I.M., een boek vol herinneringen dat vanaf het begin tot het einde de lezer raakt. Ruim driehonderd pagina's heeft de lezer een Titanic-gevoel: de grote liefde heeft een dramatisch slotakkoorrd en iedere voorafgaande zin krijgt daardoor een extra betekenis.

'Voor alle goede boeken is moed vereist om ze te schrijven,' zegt Connie Palmen ergens. Iedere ochtend zette ze de computer aan en hoorde een piep. 'Het is mijn animistische ziel die deze piep beschouwt als een begroeting en dan groet ik terug, dan begroet ik Ischa die ik aan het maken ben.' De noodzaak om I.M. te schrijven was onontkoombaar. Twee jaar lang was ze voortdurend in gesprek met haar man. 'Wat ik het liefste wil zal geen werkelijkheid worden, want ik wil dat hij weer levend wordt en dat wordt hij toch niet, dat is zeker.' Maar wel levend op papier, weet de lezer, en dat is het mooiste eerbetoon dat Connie Palmen hem kon geven.

Het is een liefdevol portret geworden over een man die niet altijd even genereus was. Hij heeft een reputatie na het verschijnen van het boek Hoeren. Als interviewer wordt hij ge�erd, maar evenzogoed verguisd. Hij is trots op zijn vrouw, maar ook jaloers. Een complexe persoonlijkheid, wat al bekend was voordat Connie Palmen hem ontmoette op 5 februari 1991.

Hij had een grote minachting voor de literaire wereld met de door hem verguisde intellectuelen. Cees Nooteboom is voor hem de 'Bolle Inhoudsloze Schrijver' en na een lezing van Carel Peeters in De Balie foetert hij 'over de arrogantie van een stel volstrekt oninteressante droogkloten die geen sjoege hebben van de werkelijkheid, van het echte leven, en die hebben doorgeleerd voor stoflap en hier en daar vanuit hun stoflappenmandje groot en gewichtig staan te doen over niks.'

Hij wil er niet bij horen, maar keer op keer vraagt hij aan zijn vrouw of de verzamelde columns over De Dikke Man, zijn dagelijkse rubriek in Het Parool, niet tot de literatuur gerekend moeten worden. In het laatste jaar van zijn leven werkt hij aan de grote roman over zijn vader, de historicus Jaap Meijer, die Ischa in gesprekken met zijn psychiater 'een ellendeling, een schoft en een sadist' noemt. Ten tijde van mijn vader moet dat magnum opus heten waarvan Connie Palmen in I.M. een aantal fragmenten opneemt. 'Is het wat? Is het wat?' vraagt hij uiterst onzeker als hij haar weer wat laat lezen. 'Het is dramatisch goed,' luidt het antwoord.

Twee weken na de dood van Ischa Meijer zei Connie Palmen tegen interviewster Bibeb: 'De meest onverdraaglijke waarheid is de waarheid van de dood. Ik denk dat de onverdraaglijke waarheid van de dood de basis is van onze leugens.' I.M. is een autobiografisch document met strikte persoonlijke herinneringen waar de lezer al dan niet iets mee te maken heeft, maar m��r nog is het een roman waarin de hoofdpersonen aan de werkelijkheid zijn ontleend. I.M. is aangekondigd als een boek over liefde en dood. Het is eveneens een roman over waarheid en leugen.

'Stampvoetend gelukkig' zijn ze, de twee personages. Tot het moment dat de vrouwelijke hoofdpersoon haar grote liefde ontmoette, zocht ze haar vrienden onder mannen die alles konden behalve liegen, overdrijven, toneelspelen, voorwenden, huichelen, verdraaien, paaien en graaien, zoals Connie Palmen ze beschrijft. Na de ontmoeting met Ischa Meijer weet ze beter: 'Er bestaan wel degelijk schapen in wolfskleren, eerlijke leugenaars, schreeuwerige zwijgers, hyperintelligente narren.'

Het is een gecompliceerde liefdesrelatie die aandoenlijk is vanwege het huiselijke. De gekromde vinger van E.T. met daarbij zijn stemmetje geimiteerd ('Home') bezweert de momenten van spanning. Talrijk zijn de passages waarin Connie Palmen over hun liefde schrijft. Ze bewondert de manier waarop hij haar liefheeft. -'Ja,' zegt hij, 'ik hou van je, helaas.' -'Hoezo helaas?' 'Ik vind het natuurlijk helemaal niet leuk om zoveel van iemand te houden. En ik zal je nog eens wat vertellen: jij vindt het ook helemaal niet leuk om zoveel van iemand te houden.' []'Ik kan wel janken, Is,' zeg ik, 'om die liefde van ons.'

Het is in feite 'een verschrikkelijke liefdesgeschiedenis', abstract beschouwd door Connie Palmen, zodat ze de elementen bevat van bestaande verhalen en thema's. 'Een grote liefde met deze man en vrouw doet nu eenmaal wat een grote liefde eeuwig en altijd doet, ze brengt hen ook terug bij wat hun liefde aankleeft, de pijn, de wanhoop, de angsten en de onvermogens.' Niet alles wat Connie Palmen schrijft, gaat de lezer aan. Soms heeft ze haar woede niet in de hand. De zus van Ischa Meijer zal weinig gecharmeerd zijn van dit boek, -een valser kreng bestaat niet- net zo min als Rudolf Kiers van de VPRO die Ischa Meijer op straat zette. Kiers is 'die wrede, arrogante, ingebeelde kwast, een van de personen die ik volgaarne volledig lens zou trappen uit naam van mijn man'.

'Rouw is rauw,' bedenkt Connie Palmen vlak na de dood van haar man. 'Eerst moeten alle seizoenen eroverheen,' had haar moeder gezegd. 'Vanaf de eerste zin van I.M. ben ik bang voor de laatste,' staat op de voorlaatste pagina. Het zijn zinnen van de scheurkalender, maar daarom niet minder waar.

Net als de levensfilosofie van het bonjourisme dat Ischa Meijer heeft uitgevonden. 'Het is de adieuteit, het voornaamste kenmerk van het bonjourisme is de adieu�teit, de adieuteit van het leven. Jij snapt dat, maar de meeste mensen snappen dat niet.' Wie I.M. heeft gelezen, weet hoe tragisch zijn idee�ngoed echt was.

Hosted by www.Geocities.ws

1