Schrijver Oberski, Jona
Titel Kinderjaren
Jaar van uitgave 1978
Bron NRC Handelsblad
Publicatiedatum 19-01-1979
Recensent Reinjan Mulder
Recensietitel Beheersing van verdriet
De in de marge opererende Haagse uitgeverij BZZTOH heeft in de korte tijd van haar bestaan een vrij omvangrijk, maar niet altijd even schokkend, fonds weten op te bouwen. Eind vorige jaar verscheen er, tussen De Kunst van het Falen, een potsierfijke egotrip van Comets de Groot en Vissen bij Blauw, een mager verhalenbundeltje van Geert Bremer, onverwacht een opmerkelijk debuut. Het was de novelle Kindeijaren van de tot voor kort totaal onbekende Jona Oberski. Een vakkundig en subtiel geschreven boek dat je bij deze uitgeverij van verbale gewichtigdoenerij niet gauw zou verwachten.
Oberski beschrijft uiterst sec de uiterlijke ervaringen van een klein joods jongetje in de laatste jaren van de oorlog. In korte hoofdstukjes gaat hij in op belevenissen in het bezette Amsterdam, op de transporten per trein, het verblijf in Westerbork en Bergen-Belsen. Tijdens het laatste transport, naar Palestina, zoals sommige mensen nog steeds proberen te geloven, wordt de trein door de oprukkende Russische troepen ontzet. Het boek is opgedragen aan "niijn pleegouders die heel wat met me hadden uit te staan". Deze opdracht, afgedrukt na het slothoofdstuk waarin wordt beschreven hoe het inmiddels zeven jaar oude jongetje bij een pleeggezin belandt, wekt de indruk dat het boek sterk autobiografisch is.
De vaak verschrikkelijke gebeurtenissen komen voornamelijk in hun uiterlijke verschijningsvonn voor. Er wordt nauwelijks iets geïnterpreteerd. De novelle is een verslag van directe waarnemingen. In simpele taal, in korte elementaire zinnen vertelt het jongetje wat hij ziet en hoort. Over zijn gevoelswereld, zijn angsten, zijn fantasieën, lezen we bijna niets. Zelfs de meest essentiële informatie wordt indirect, vaak achteraf gegeven. Deze werkwijze versterkt het sobere karakter van de vertelling aanzienlijk. Als het jongetje met zijn vader op de pont staat zegt deze tegen de pontbestuurder dat zijn zoontje zo goed Nederlands spreekt omdat hij in Nederland is geboren. "Wij doen ons best om Nederlands met hem te spreken." Pas door dit zinnetje merkje met een schok dat het hier om een immigrantengezin gaat.
Jona Oberski weigert om echte of vermeende oorzaken van wat er gebeurt in ingewikkelde zinnen aan te geven. Hij somt alleen de eeenvoudige feiten op.
Hierdoor loopt hij het gevaar eentonig te worden. Hoe korter de zin, des te minder mogelijkheden tot variëren, des te minder kans op een onderhoudend verhaal.
Door echter steeds de juiste woorden te kiezen wordt hij nergens echt eentonig: "Ik ging huilen. Het emmertje viel naast mij op de grond. Ik stond op. Ik rende naar ons huis. Ik rende de trap op. Ik bonsde op de deur. Mjn moeder deed open. Zij pakte mij op. Zij zei: 'Ach schatje, wat is er gebeurd?' Zij drukte mij tegen zich aan. Zij haalde voorzichtig met een washandje het zand uit mijn gezicht. Zij kuste mij en streelde het zand weg over mijn hoofd. Ik hield op met huilen." Deze koele, simpele benadering is niet, zoals wel is verondersteld, een gevolg van het gebruikte
perspectief: de wereld van een kind. Kinderen hebben juist de neiging om de feiten veel
ingewikkelder te maken dan ze zijn. Ze fantaseren er van alles bij en ze hebben een overvloed aan verklaringen. Nee, in Kindeijaren zien we een wereldbeeld van iemand die veel vreselijke dingen heeft meegemaakt, en die daar alleen over kan praten, als hij allerlei zwaarwichtige gevoelsuitingen achterwege mag laten. De beperking tot de uiterlijke kanten van de gebeurtenissen is de beperking van het ingehouden verdriet.