Zwerver Nooteboom
Morgen krijgt Cees Nooteboom een eredoctoraat aangeboden aan de Katholieke Universiteit van Brussel. Een mooie gelegenheid om de Nederlandse schrijver voluit te portretteren. Iets wat trouwens makkelijker is na het verschijnen van het veertigste ,,Schrijversprentenboek'', ~gewijd aan Cees Nooteboom, ,,één van de grondleggers van de Nederlandse ~literatuur''.


HET veertigste ,,Schrijversprentenboek'' van het Nederlands Letterkundig Museum heeft als titel Ik had wel duizend levens en ik nam er maar één! en is gewijd aan het huidige boegbeeld van de Nederlandse literatuur in het buitenland, Cees Nooteboom (Den Haag, 1933).
Acht beschouwingen over zijn werk worden gevolgd door vier overzichten, waarin zijn leven, zijn boeken, de vertalingen van zijn boeken en de vertalingen die hij zelf van andermans werk heeft gemaakt, op een rijtje zijn gezet door bibliograaf Dick Welsink.
Toen de 17-jarige Cornelis Johannes Jacobus Maria Nooteboom in 1951 het ouderlijk huis voorgoed verliet, was hij al een keer of vijftien verhuisd. Daarna begonnen zijn buitenlandse reizen, waarvan hij nooit meer echt thuisgekomen is. Als pleisterplaatsen heeft hij afwisselend zijn woningen in Amsterdam, Berlijn en op het Spaanse eiland Menorca. Met al dat gezwerf mag het geen wonder heten dat Nooteboom in de Frankfurter Allgemeine Zeitung op de vraag wie of wat hij het liefst geweest zou zijn, antwoordde: Odysseus; en op de vraag naar zijn belangrijkste karaktertrek: voorlopigheid.
In 1955 debuteerde Nooteboom met Philip en de anderen, een roman over de omzwervingen van een jongeman op zoek naar waarheid en geluk. Het romantische verhaal had groot succes, temidden van het toen zo andere geluid van de vernieuwende ,,Vijftigers''.
Nooteboom verwierf daarna in grote kring bekendheid met reportages en reisverhalen voor Elseviers Weekblad, de Volkskrant en het glossy magazine Avenue. Naast reisverhalen en romans (met Rituelen uit 1980 als hoogtepunt), schrijft hij novellen, gedichten, toneelstukken en essays, waarin - evenals in zijn reisverhalen - de bouw- en vooral de schilderkunst een steeds grotere rol ~spelen.

In zijn werk zijn hardnekkige constanten aan te wijzen, zoals het mijmeren over wie en wat het ,,ik'' is (het bezit van een eigen identiteit wordt regelmatig betwijfeld), spiegeling in anderen maar ook in landschappen, de tijd wordt gezien als een ongrijpbaar en onbegrijpelijk fenomeen, en verder zoeken de protagonisten vaak naar gemeenschappelijkheid en naar vertrouwdheid, die romantisch genoeg altijd elders lijkt te zijn.
Voor een psychologiserend biograaf die deze thema's wil verklaren, is Nootebooms jeugd een goudmijn, met al die verhuizingen, een wereldoorlog, gescheiden ouders, een vroeg overleden vader, een niet-beminde stiefvader en schoolbezoeken door half Nederland. Tekenend voor zijn ,,ontworteling'' is misschien dat Nooteboom zich nog steeds geborgen zegt te voelen in de Antilliaanse familie van zijn eerste vrouw, Fanny Lichtveld (zij trouwden in 1957 en scheidden in 1964).
De nog niet bestaande biograaf zal ook moeten uitzoeken waarom Nooteboom tussen 1965 en 1980 geen romans publiceerde. Het gaat te ver die relatieve stilte simpelweg te verklaren uit Nootebooms relatie met de zangeres Liesbeth List, door wie hij juist in die jaren in de internationale wereld van het chanson verzeild raakte (en onder meer Jacques Brel leerde kennen); de parallel in tijd is opvallend.

EEN prentenboek zonder afbeeldingen, in dit geval 116 stuks. Beelden uit een schrijversleven, zoals handschriften en boekomslagen, en foto's van personen die voor Nooteboom en zijn werk van betekenis zijn. Zijn vriendschappen strekken zich zo te zien vooral uit over het uit individualisten bestaande ,,establishment'' van schrijvers als Hugo Claus, Harry Mulisch en W.F. Hermans; zijn sympathie voor andere eenlingen zoals Umberto Eco, Bruce Chatwin, Stephen Spender, Ernst Jünger en de Amerikaanse schrijfster Mary McCarthy komt in Nootebooms eigen commentaar bij hun foto's duidelijk tot uiting.
Er staan uiteraard veel (portret)foto's van Nooteboom in het boek, van kleuter tot melancholieke grijze heer. De meeste foto's uit zijn schrijversjaren zijn gemaakt door de beroepsfotografen Eddy Posthuma de Boer (vroeger vaak zijn reisgenoot) en Simone Sassen (zijn ,,levensander'', zoals hij haar noemt, sinds 1980).
Het is op de meeste foto's alsof Nooteboom de sluiter van de camera telkens ietsje vóór is geweest en gauw een serieus gezicht heeft getrokken. Spontane snapshots zijn er in ieder geval niet veel bij, en meer dan een licht ironische, afstandelijk geamuseerde glimlach - die soms bestudeerd overkomt - laat hij niet zien. Zelfs op de cartoon die de wereldberoemde tekenaar David Levine in 1994 voor de New York Review of Books van hem maakte - Nooteboom is de eerste Nederlandse schrijver die door Levine werd geportretteerd -, houdt zijn gelaatsuitdrukking het midden tussen ironie en melancholie.

DE titel van het prentenboek, Ik had wel duizend levens en ik nam er maar één!, komt inclusief schreeuwerig uitroepteken uit het vierde gedicht van Nootebooms reeks ,,Getijde''.
Reeks en gedicht worden beheerst door het raadsel van de tijd, zijn en niet-zijn, en de veelvuldigheid van het ,,ik'':

In dit getij leer ik mijzelf kennen.
Steeds minder:
ik had wel duizend levens
en ik nam er maar één!

Aldus de eerste strofe. De ,,ik'' versmelt vervolgens met zijn spiegelbeelden en verdwijnt na een botsing tegen een wijzerplaat (van het horloge van Vader Tijd?) met een plofje in het niets. ,,Dan heb ik zelfs deze woorden niet geschreven. / Hoe komt het dan dat jij ze kunt lezen?'', vraagt hij zich dan op Nooteboomse wijze toch nog af. En eindigt (te) cryptisch: ,,Hoe groter het oog wordt / des te minder / te zien.''
De vraag is of de eerder genoemde biograaf het kan rijmen dat Nooteboom in zijn werk op zoek is naar dat ene ,,ik'', dat ene leven, die ene identiteit, terwijl hij in de ,,echte'' wereld met al die reizen, mensen en genres juist zijn uiterste paradoxale best lijkt te doen zoveel mogelijk levens te leiden.
De poëzie komt in het prentenboek in twee bijdragen specifiek aan de orde. Wiel Kusters noemt als belangrijk gegeven de desintegratie van het ik, met dubbelgangers en spiegelbeelden als motieven. De ,,veelheid van het ik'' heeft volgens Kusters als positieve kant dat er een dichterlijke drang naar mystieke eenheid door ontstaat, waarin het ik de eenheid van de mensheid weerspiegelt.
In ,,Spookschrift: Nerval, Paz, Nooteboom'' analyseert Hilde van Belle Nootebooms gedicht ,,Nerval''. Het mooi klinkende gedicht lijkt er simpel gezegd over te gaan dat, als verbeelding, kunst en droom verdwijnen, er de dan alleen nog maar rationele mens vrijwel niets rest. Naar de letter is het gedicht echter niet eenvoudig te duiden, en Van Belle weet veel boven water te halen. Alleen zijn stijl en opzet van het artikel/* zijn*/ jammer genoeg nogal schools.
Als zij bijvoorbeeld schrijft: ,,Gérard de Nerval (1808-1855) is een Franse auteur die tot de romantiek gerekend wordt'' (uit de encyclopedie?), dan wil je alleen nog maar wég uit haar klasje. Haar uitweidingen schieten hun doel soms voorbij, maar, toegegeven, de encyclopedie en kennis van andere teksten zijn voor een strakke interpretatie onontbeerlijk.
Van Belle haalt terecht veel overhoop, maar lijkt soms toch de boot te missen. Zo gaat zij uitputtend in op het woord ,,plein'' uit de eerste regel, en ziet de mogelijke verwijzing naar Immanuel Kants Kritiek van de zuivere rede over het hoofd.

OMDAT de meeste auteurs zich in dit schrijversprentenboek niet tot één specifiek genre of één bepaald boek beperken, komen Nootebooms vaste thema's en motieven tot vermoeiens terug. Telkens weer gaat het over de (schijnbare) tegenstelling tussen schijn en wezen, verbeelding en werkelijkheid, droom en daad, individu en gemeenschap, de problematisering van de tijd en het vertellen over vertellen. Nootebooms toneelstukken blijven vreemd genoeg buiten schot, evenals de boeken en gedichten van anderen die hij heeft vertaald.
Harry Bekkering noemt Nooteboom een van de grondleggers van de naoorlogse Nederlandse literatuur, en onderzoekt het belang van Philip en de anderen binnen Nootebooms fictionele oeuvre. Een enkele keer wat slordig citerend (wat ook Van Belle doet), laat Bekkering zien dat de grote thema's al in aanvang aanwezig waren en dat Nooteboom, om met Vladimir Nabokov te spreken, een schrijver is van het type dat steeds hetzelfde boek schrijft.
Dat geldt volgens H.M. van den Brink ook voor de reisverhalen. In ,,Reiziger uit heimwee'' schetst hij vakkundig de ontwikkeling van Nooteboom als (reis)schrijver. En ontwijkt en passant het mogelijke bezwaar tegen de soms irritante zelf-ironisering van Nooteboom, door zijn stijl ,,messcherp scherend langs de boorden van de koketterie'' te noemen.
Ironie komt ook ter sprake in ,,De wereld van Cees Nooteboom'' van Rüdiger Safranski, de biograaf van Martin Heidegger. Safranski laat Nootebooms ontwikkeling parallel lopen aan die van de negentiende-eeuwse romantiek: ,,Het begon met de romantische betovering van de wereld en van het ik, vol weltschmerz en weemoed, en het eindigde met het al even romantische spel van de ironie.''
Lászlo F. Földényi - een verklarend woordje over de auteurs had wat mij betreft wel gemogen - ziet evenals Kusters het waardevolle van de depersonificatie in: juist door het zich spiegelen aan en verliezen in anderen, zou de mens tot zelfkennis en -bewustzijn komen: ,,Het verlangen om langs de omweg van anderen zichzelf te vinden is de schakel die Nooteboom verbindt met de mystiek.''
In ,,Aanwezig afwezig'' verklaart Wim Hottentot Nootebooms liefde voor Spanje uit de overeenkomsten tussen schrijver en land. De combinatie van het absurde, anarchistische en het monnikachtige, dromerige, treft hij in beide aan, evenals (het verlangen naar) stilte, stilstand, heelheid en hiërarchie.

HET niet-interpreterende, en misschien daarom verfrissende ,,Cees Nooteboom en zijn hof van cassatie'' van Lisa Kuitert sluit de rij. Zij bespreekt de ontvangst van Nootebooms werk buiten Nederland, waar hij na een traag begin nu de meest succesvolle Nederlandse schrijver is.
Duitsland is voor Nooteboom belangrijk. Na het succes van Berliner Notizen (1991) brak hij met het in Nederland niet mals bekritiseerde boekenweekgeschenk uit 1991, Het volgende verhaal, door bij het grote publiek. Die folgende Geschichte werd door literatuurpaus Marcel Reich-Ranicki juichend besproken, waarbij hij bekende - dat bleek vermakelijk belangrijk - dat zelfs híj het niet helemaal begrepen had. Nooteboom kon, ook door zijn vaardige sociale optreden, niet meer stuk. De novelle is inmiddels in zestien talen vertaald.
Over de negatieve Nederlandse ontvangst van Het volgende verhaal zegt Kuitert dat boekenweekgeschenken (,,moetjes'') het altijd moeilijk hebben. Zij suggereert dat de critici in de novelle, die een culminatie is van Nootebooms thema's, alleen maar meer van hetzelfde konden of wilden lezen. Men wist het wel.
Het buitenland las het boek als een soort debuut, en stond er dus onbevangen tegenover, had geen last van Nooteboommoeheid. Als je begint met Het volgende verhaal ziet het vroegere werk er vermoedelijk anders uit, meer uitwaaierend en divers. Niet vergeten moet worden dat er ,,thuis'' de afgelopen veertig jaar veel meer Nooteboom te lezen is geweest dan nu in vertaling beschikbaar is, al is dat veel.


CEES NOOTEBOOM, Ik had wel duizend levens en ik nam er maar één!, Schrijversprentenboek 40, Amsterdam/Antwerpen/Den Haag 1997, 176 blz., 720 fr.
De gelijknamige tentoonstelling is tot 23 maart 1998 te bezichtigen in het Nederlands Letterkundig Museum in Den Haag.

Karel Osstyn

Hosted by www.Geocities.ws

1